Schematherapie

Wie mij op Twitter volgt, weet dat ik al een tijd lang schematherapie krijg. Wanneer gevraagd wordt wat dat precies voor therapie is, vind ik dit lastig uit te leggen. Alleen al omdat er tientallen schema’s en modi zijn. Ook duurde het even voordat ik deze therapie zelf wat beter ging snappen.
Schematherapie is zo nu en dan wel kort in eerdere blogartikelen naar voren gekomen, zoals bij De Dictator & ik en De dictator in mijn hoofd. In dit blogartikel zal ik eindelijk proberen uit te leggen wat schematherapie is en hoe het werkt. Ook zal ik daarbij wat delen over mijn eigen (individuele) schematherapie behandeling. 

repeat

Het ontstaan
Schematherapie is een vorm van psychotherapie dat in de jaren negentig in Amerika ontwikkeld is door psycholoog Jeffrey Young. Hij merkte dat de patronen waarin zijn cliënten in hun even steeds weer vastlopen, terug te voeren waren naar ervaringen in hun jeugd. Hij legde 18 verschillende schema’s vast, die ontstaan zijn in de jeugd en je in je verdere leven telkens blijven belemmeren. Young stelde dat het ontstaan van schema’s samenhangen met de vijf basisbehoeften. Deze basisbehoeften zijn:

  • onafhankelijkheid en zelfstandigheid;
  • vrijheid om je behoeften en emoties te uiten;
  • spontaniteit en plezier;
  • duidelijke grenzen;
  • een veilige band met andere mensen.
Love - Alexander Milov

‘Love’ – Alexander Milov

Volgens Young moeten al deze behoeften in je jeugd voldoende vervuld worden voor een gezonde emotionele ontwikkeling. Overigens, wanneer er niet aan deze behoeften is voldaan in de jeugd, hoeft er geen opzet in het spel te zijn. Sommige ouders doen bijvoorbeeld uit liefde juist alles voor hun kind, waardoor ze bijvoorbeeld de basisbehoefte zelfstandigheid en grenzen niet kunnen vervullen. Andere ouders hebben bijvoorbeeld zelf de basisbehoeften niet ervaren in hun jeugd, waardoor bepaalde schema’s wellicht worden overgedragen van ouder op kind. Ook is het mogelijk dat ouders tegelijkertijd liefdevol, als erg veeleisend zijn.

De schema’s & modi
In de schematherapie wordt gewerkt met de begrippen schema’s en modi.
Een schema is de manier waarop mensen zichzelf, de ander en de wereld om hen heen waarnemen. Het zijn als het ware overtuigingen die op basis van vroegere situaties (in de kindertijd) zijn vastgelegd in het geheugen. Modi zijn een combinatie van schema’s en gedragingen, die op een bepaald moment actief aanwezig zijn; gemoedstoestanden/houding waarin iemand kan schieten, wanneer oude gevoelens door een bepaalde situatie worden opgeroepen.
Young omschreef in eerste instantie 18 schema’s. Daarvan zijn 16 te onderzoeken door middel van vragenlijsten. Tijdens het schrijven van dit artikel merkte ik dat er nóg meer schema’s en modi bestaan. Sommigen zijn echter nog niet voldoende onderzocht of echt aangenomen als ‘officiële’ schema’s en modi. Er zouden dus therapeuten kunnen zijn die schema’s en modi aanhouden waar de ene therapeut wel mee werkt en de andere niet, wat op zich niet erg is, maar wel onduidelijk.

In dit artikel heb ik er in ieder geval voor gekozen om de schema’s en modi aan te houden die in het handboek voor therapeuten worden genoemd. Voor de overzichtelijkheid zal ik ze niet allemaal op deze pagina behandelen. Dan wordt dit artikel zelfs voor mijn standaard te lang. 😉
In dit document (pdf) kun je de verschillende schema’s en modi met bijbehorende beschrijvingen bekijken.schema

Het doel
Schematherapie is zowel individueel als in een groep mogelijk. Zelf krijg ik individuele schematherapie, dus dat houdt in dat ik één op één gesprekken heb met mijn therapeut. Het belangrijkste verschil tussen groepsschematherapie en individuele schematherapie, is dat de groep bij groepsschematherapie belangrijk kan zijn voor je therapieproces. Doordat je te maken hebt met meerdere personen, zul je sneller tegen je eigen vastgeroeste patronen aanlopen en ermee geconfronteerd worden. Door therapeuten en groepsgenoten zullen er vragen aan je gesteld worden. Ook kunnen de inzichten van anderen, tegelijk jou zelf inzichten geven doordat je jezelf in het verhaal van een ander kunt herkennen. Een groep bestaat meestal uit tussen ongeveer 8-10 deelnemers en 2 á 3 therapeuten. In dit artikel zal ik voor het gemak verder ingaan op individuele schematherapie.

Bij (individuele) schematherapie ga je allereerst samen met je therapeut vaststellen wat je hulpvraag is. De therapie zal namelijk hierop toespitst worden. De ene schematherapie behandeling kan dus overigens erg verschillen met die van een ander. Als je zelf ook schematherapie volgt, kan het dus zo zijn dat je sommige dingen wel en sommige dingen niet herkent uit de omschrijving van mijn eigen schematherapie behandeling later in dit artikel.

Vervolgens inventariseer je samen met je therapeut aan welke schema’s en modi jij voldoet. Het hoofddoel van de therapie is doorgaans om uiteindelijk deze belemmerende schema’s te gaan vervangen door gezonde patronen. Het is hierbij belangrijk dat je de schema’s en modi in jouw leven gaat herkennen op het moment dat zij zich voordoen, zodat je bij het signaleren hiervan kan gaan oefenen met ander gedrag.
Je brengt in therapie om die reden hedendaagse situaties in (waarbij je als het ware vast liep of heftig reageerde), zodat je met de therapeut kunt gaan herleiden met welke schema’s of modi hiermee te maken kunnen hebben. Vervolgens ga je met de therapeut onderzoeken of er een situatie in je jeugd is geweest, wat overeenkomsten heeft met de hedendaagse situatie. Dit helpt om inzicht te krijgen in het ontstaan van het schema en de modi. Dit inzicht zal helpen om te beseffen dat de schema’s en modi niet passen bij de hedendaagse situatie, maar bij de situatie van vroeger. Modi die vroeger waarschijnlijk functioneel waren, zijn in je volwassen leven juist disfunctioneel geworden. Je zult op een gegeven moment gaan herkennen wanneer je in bepaalde modi schiet. Het fijne daarvan is, dat je hierdoor op een gegeven moment zicht krijgt op wat er op dat moment met je gebeurt vervolgens anders kunt gaan handelen, in plaats van handelen vanuit ‘blinde emotie’.

Een ander belangrijk onderdeel van schematherapie, is om het gemis uit de jeugd te herstellen. In therapie kun je in gedachten teruggaan naar toen je een kind was en visualiseren dat jij als volwassene een knuffel geeft aan jezelf als kind. In het Engels wordt ook wel gesproken van je ‘inner child’ en in het Nederlands soms van je ‘kleine ik’. De therapeut kan waar nodig de rol van de ouder overnemen, om alsnog aan onvervulde behoeften te voldoen zoals erkenning geven of grenzen stellen.
In termen van schematherapie, is het dus belangrijk te zorgen voor je gekwetste kind (emotionele behoeften vervullen), het boze kind te temmen (behoeften bevredigen/uitspreken in plaats van direct boos worden) en je blije kind modus te versterken.

Schematherapie is vooral bekend als succesvolle behandeling voor persoonlijkheidsstoornissen. Inmiddels wordt schematherapie ook wel ingezet bij angststoornissen, depressie, eetstoornissen, relatie- en intimiteitsproblemen en verslaving. Ook wordt er inmiddels onderzoek gedaan naar het inzetten van schemagerichte therapie bij volwassen cliënten met autisme en een persoonlijkheidsstoornis (klik hier voor meer info over deze behandeling).
In Psychologie Magazine zegt psychologe Hannie van Genderen die al jaren met schematherapie werkt:

Voor cliënten is het vaak een eyeopener wanneer ze ineens het verband weten te leggen met vroeger. Bijvoorbeeld dat die baas waar je steeds conflicten mee hebt, eigenlijk lijkt op je vader. Ineens begrijp je dan waarom je zo fel op hem reageert. Bovendien werkt schematherapie op een dieper niveau dan veel andere therapieën. Je pakt problemen aan op gevoelsniveau. Door muziek kun je je vrolijk of verdrietig gaan voelen en pas later besef je je bijvoorbeeld dat die muziek gekoppeld is aan een vrolijke of verdrietige periode in je leven. Op dat niveau werkt schematherapie ook: door onbewuste associaties die een grote rol spelen bij je gedachten, je gedrag en je gevoelsleven.”

 

Mijn schema’s
Zoals ik al in eerdere blogs heb genoemd, is er bij mij op mijn 19e persoonlijkheidsproblematiek geconstateerd tijdens een intensieve klinische opname  voor psychotherapie gericht op jongeren met vermoedelijke persoonlijkheidsproblematiek. Ik kreeg destijds de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anderzins Omschreven), met trekken van de borderline persoonlijkheidsstoornis en de vermijdende persoonlijkheidsstoornis.
Tijdens deze opname kwam ik erachter dat ik niet goed wist wie ik zelf was en wat ik eigenlijk leuk vond, omdat ik me altijd aan de ander probeerde aan te passen. Ook werd ik nooit boos, behalve op mezelf. Verder liet ik mensen moeilijk dichtbij komen, wat vriendschappen onderhouden lastig maakte en het hebben van een relatie onmogelijk.

persoonlijkheidsstoornisOp de leefgroep en in de therapiegroep was ik vooral gericht op het helpen van anderen, in plaats van bezig zijn met mijn eigen verhaal in therapie in te brengen (tot de irritatie van groepsgenoten). Ik cijferde mezelf constant weg en vond dat ik geen recht van bestaan had.
Een aantal jaar later, kwam ik in therapie bij mijn coördinerend behandelaar van bovenstaande klinische opname. Zij had als psychotherapeute inmiddels een eigen praktijk en nam mij na een intake wederom aan als cliënt. Het ging al beter met me; ik had een aantal jaar op mezelf gewoond en was inmiddels begonnen met de opleiding SPH, maar ik liep nog steeds tegen een aantal dingen in mijn leven aan. Ik had vervolgens erg veel aan de individuele persoonsgerichte psychotherapie die ik kreeg. Op een gegeven moment durfde ik zelfs een relatie aan te gaan met een hele lieve en leuke jongen, mijn huidige vriend.

Toen ik al een tijdje deze relatie had, leek de persoonlijkheidsproblematiek weer wat meer naar de oppervlakte te komen; op de een of andere gekke manier kon ik bijvoorbeeld steeds lastiger alleen zijn, terwijl ik daar vóór mijn relatie toch sterk de voorkeur voor had! Ook merkte ik dat ik in het contact met mijn vriend ineens heftig emotioneel kon reageren, wat ik niet van mezelf gewend was. Bij onze eerste ruzies kon ik bijvoorbeeld erg overstuur raken omdat ik bang was dat hij het uit zou maken. Of ik kon intens verdrietig raken als hij een plagend grapje maakte als: ‘ja hoor, ik ruim het wel weer op’, wanneer ik iets vergat omdat ik dan oprecht dacht dat hij het meende en hierover boos op mij was.
Ik snapte er niets van. Al gauw besefte ik me wel dat mijn reacties veel heftiger waren dan passend bij de situatie. Natuurlijk is het niet erg als ik iets vergeet op te ruimen; iedereen vergeet wel eens wat! Maar uiteindelijk besefte ik me dat het vroeger mijn ouders waren die erg boos konden worden wanneer ik iets vergat te doen. Van mijn vriend verwachtte ik dezelfde reactie die ik vroeger mijn ouders gekregen zou hebben.

overreacting

Mijn therapeut en ik besloten in therapie schematherapie te gaan doen, omdat deze therapie mij meer inzicht zou kunnen geven over waar deze heftige reacties vandaan komen. Voordat we hiermee begonnen, vroeg zij mij een zelftest te doen zodat we in kaart konden brengen welke modi en thema’s bij mij precies van toepassing zijn. Op schematherapie.nl zijn enkele vragenlijsten te vinden (in excel format) die therapeuten gebruiken, zoals de ‘SMI’.

Omdat ik mijn huidige psychotherapeute dus al lange tijd ken, lukte het om steeds opener over mezelf te zijn en mij steeds meer kwetsbaar op te stellen in therapie. Dit heeft wel even geduurd, omdat het toch lastig is ‘een buitenstaander’ op zo’n manier te vertrouwen dat je zelfs de zaken waar je je het meeste over schaamt – in mijn geval de schaamte voor de disfunctionele patronen en ‘overdreven’ reacties – durft bloot te geven. Het zijn immers niet de meest flatteuze kanten van mezelf en ik wil toch graag dat iedereen mij ziet als een leuk persoon, zelfs een therapeut.
Ik ben nog steeds blij dat het gelukt is haar te gaan vertrouwen, want anders had ze niet zo’n goed beeld van mij en mijn leven kunnen krijgen als zij nu heeft. Zij kon aan de hand van onze gevoerde gesprekken bijvoorbeeld in mijn behandelplan een verhaal over mij uitschrijven, met daarbij de verschillende schema’s en modi die bij mij van toepassing zijn. Het werd een soort korte biografie, die zij vervolgens aan mij voorlegde. Ik weet nog dat ik erg verbaasd was dat het zo erg klopte met hoe ik het zelf voelde. In het verleden heb ik vaker zonder dat ik het zelf door had een ander beeld van mezelf neergezet bij een therapeut (waardoor het was alsof ik verslagen en behandelplannen las over iemand anders), maar nu was het gelukt om mezelf echt te laten zien.
Samen hebben we nog kleine aanpassingen gemaakt en het in mijn eigen woorden gezet, zodat het verhaal voor mij helemaal kloppend was. Dit in kaart brengen van de schema’s en modi heet in vaktermen ‘casusconceptualisatie’. Het verhaal werd toegevoegd aan mijn behandelplan.

Voorbeeld casus ‘Sandra’
Gezien mijn eigen casusconceptualisatie verhaaltje wel heel persoonlijk is, heb ik als alternatief een voorbeeldcasus gebruikt uit een handboek voor therapeuten. Deze casus is fictief, dus Sandra bestaat niet echt; dat zou in verband met privacy natuurlijk niet oké zijn. De volgende kaders uit het boek kunnen je misschien een goed beeld kan geven van hoe schema’s en modi bij iemand in kaart worden gebracht.
Allereerst een korte beschrijving van Sandra en haar achtergrond, dan lastige situaties waar zij tegenaan loopt met de schema’s/valkuilen die daar bij horen en vervolgens de modi waar zij regelmatig in schiet.

casus sandra

Casus Sandra (van Vreeswijk, Broersen, & Nadort, 2008)

casus sandra schemas

Inventarisatie van schema’s van Sandra (van Vreeswijk, Broersen, & Nadort, 2008)

casus sandra modi

Inventarisatie van modi van Sandra (van Vreeswijk, Broersen, & Nadort, 2008)

Mijn casusconceptualisatie
Toen ik mijn casusconceptualisatie voor het eerst doorlas vond ik het naast kloppend, ook erg confronterend; ik merkte zelfs dat ik er somber van werd. Later besefte ik me dat het komt, omdat je vooral geconfronteerd wordt met de dingen waar je tegenaan loopt in je leven. Niet erg leuk dus, maar wel logisch, want een behandelplan geeft natuurlijk aan waar je in therapie aan wilt/gaat werken. Als het een positief verhaal geweest zou zijn, had ik mij moeten afvragen wat ik feelingsüberhaupt te zoeken had in therapie…
Hoe dan ook: het doorlezen van zo’n tekst kan dus best confronterend en zelfs demotiverend zijn. Dit heb ik op een gegeven moment ook uitgesproken in therapie, waarna ik samen met mijn therapeute (los van mijn behandelplan) ook in kaart ben gaan brengen wat er juist wel goed gaat; welke groei ik inmiddels heb doorgemaakt. Gelukkig bleek ik ook vaak te functioneren vanuit de ‘gezonde volwassene modus’. Dit gaf voor mij weer wat meer houvast. Omdat ik nu al langer schematherapie heb gevolgd, zijn in mijn behandelplan inmiddels gelukkig ook de dingen toegevoegd waar ik eerder tegenaan liep, maar nu beter mee om kan gaan.

Het schema wat bij mij het meeste bleek te spelen is ‘emotionele verwaarlozing’. Vandaar dat ik hierover het artikel ‘De Dictator & ik‘ schreef. Eigenlijk is ‘De Dictator’ voor mij eigenlijk een verzamelnaam voor de modi: ‘straffende ouder’ en ‘veeleisende ouder’.
Verder lijkt hij voort te komen uit de schema’s: ‘Meedogenloze normen/overmatig kritisch’, ‘minderwaardigheid/schaamte’, ‘sociale ongewenstheid’ en ‘mislukking’. Geen wonder dus dat hij zo sterk is, maar gelukkig is mijn ‘gezonde volwassene’ inmiddels steeds beter tegen hem opgewassen.
Een tijd geleden schreef ik hoe de Dictator een sterke invloed uitoefende over mijn dag in ‘De dictator in mijn hoofd‘.

Imaginatie oefeningen
Ook heb ik tijdens schematherapie met mijn therapeute gewerkt aan het vervullen van de emotionele behoeften die ik in mijn jeugd tekort ben gekomen. Dit doen we door middel van imaginatie oefeningen. Dat gaat zo:

  • inner childVeilige plek – met je ogen dicht een veilige plek visualiseren en de geluiden, geuren en kleuren hiervan registreren.
  • Recente nare gebeurtenis – een recente nare gebeurtenis tot in detail vertellen; wat deed ik en wat deed de ander?
  • Focussen op gevoel – focussen op het gevoel dat ik in deze situatie had en dit gevoel omschrijven.
  • Verbinding leggen met verleden – proberen te bedenken in welke situatie in mijn jeugd ik eerder dit gevoel had.  (bij voorkeur een situatie waarbij ik jonger dan 10 jaar was)
  • Betekenisvolle gebeurtenis – wanneer ik mij een gebeurtenis uit het verleden heb kunnen herinneren waarin ik een soortgelijk gevoel had, wordt mij gevraagd deze situatie te omschrijven. Wat deed ik en wat deed de ander?
  • Therapeut grijpt in (herschrijven van de ervaring) – de therapeut vraagt mij op een gegeven moment wat ik in deze situatie eigenlijk nodig had, maar doet dit in de tegenwoordige tijd, alsof de situatie in het hier en nu plaatsvindt. Uiteindelijk stapt mijn therapeut als het ware in de situatie, door te vertellen wat zij doet. Zo heeft zij mij bijvoorbeeld gezegd dat zij mij met haar auto naar mijn middelbare school rijdt, omdat ik mij daar als kind veilig voel. Ook spreekt zij mijn ouders wel eens streng toe en legt dan aan hen uit dat zij bijvoorbeeld totaal voorbij gaan aan mijn wensen of gevoel op dat moment. Ze vraagt altijd of er nog iets moet gebeuren in deze situatie of dat het zo voor mij goed is. 
  • Veilige plek – als het inderdaad zo goed is, word mij gevraagd mijn veilige plek weer voor mij te halen.
  • Nabespreken –  tot slot bespreken we hoe ik het vond. Vaak heb ik bijvoorbeeld weer nieuwe inzichten gekregen. Of komt er emotie los omdat ik me als volwassene steeds meer besef hoe ik een bepaald iets gemist heb in mijn jeugd (de emotionele verwaarlozing).

Aan het begin vond ik deze oefeningen erg lastig. Juist gezien de modus ‘onthechte beschermer’, waardoor ik contact vermijd, vooral als het te dichtbij komt. Bij rollenspellen en oefeningen waarbij ik mij iets moet verbeelden/visualiseren, kan ik cynisch worden en mezelf te nuchter vinden voor zo’n zweverige opdracht. Omdat ik dit van mezelf ken, weet ik inmiddels dat hier vooral angst achter zit en ik mezelf wil beschermen voor iets wat ik niet ken.

Ik vond het erg spannend dat mijn therapeute in een situatie uit mijn jeugd zou stappen waarin ik mij erg kwetsbaar heb gevoeld. Als kind had ik overigens vanwege hechtingsproblematiek de neiging mij te gaan hechten aan vrouwelijke figuren (zoals juffen en leraressen) in mijn leven die mij zo nu en dan de steun gaven die ik thuis miste. Daarom was ik ergens ook bang dat ik mij net als vroeger bij docentes, mij nu te veel aan mijn therapeute zou gaan hechten. De uitdaging was dus om haar zowel toe te durven laten, als niet door te schieten in het andere uiterste.
Ik merkte dat ik bij de eerste oefeningen verstarde als zij bij wijze van spreken in de herinnering stapte of dichtbij mij kwam zitten. Gelukkig lukte het na verloop van tijd steeds beter dit toe te laten en merkte ik dat de oefeningen echt effect hadden – hoe ‘zweverig’ ook. Vaak voelde ik me beter na een imaginatie oefening en soms kreeg ik ineens nieuwe inzichten over mijn jeugd doordat er meer herinneringen naar boven waren gekomen.
Op dit moment zie ik mijn therapeute trouwens gelukkig nog steeds – niet meer en niet minder – als een behandelaar die ik vertrouw en waar ik een goede klik mee heb.

Naast imaginatie oefeningen, wordt er bij schematherapie vaker interventies/oefeningen geleend uit andere therapieën. Dit komt omdat schematherapie, net als veel andere therapieën, is gestoeld op cognitieve gedragstherapie. Kort gezegd is dit een therapievorm dat er vanuit gaat dat je gedachten te beïnvloeden zijn en daarmee ook je gevoel en gedrag. Het kan dus voorkomen dat jouw therapeut bijvoorbeeld ook wel een rollenspel inzet of gebruik maakt van een EMDR-interventie.

De gezonde, volwassen Lyka
In mijn laatste behandelplan stond bij mijn diagnose dat mijn ‘persoonlijkheidsstoornis NAO’ in remissie is. Er is volgens mij geen eenduidige definitie van ‘in remissie’, maar het betekent in de psychiatrie ongeveer dat mijn klachten sterk verminderd zijn.
De woordjes ‘in remissie’ zijn voor de zorgverzekeraar het bewijs dat het beter met mij gaat (en dat de therapie dus aanslaat), al heb ik dat zelf natuurlijk al veel eerder ervaren. Ondanks dat schematherapie in het begin erg confronterend was (en enigszins demotiverend), heb ik er al erg veel aan gehad! Ik vind de therapie fijn, overzichtelijk en het geeft mij veel houvast.

Dankzij de inzichten kan ik veel beter met bepaalde situaties omgaan. Wanneer ik heftige emoties op voel komen, besef ik me al snel waar ze vandaan komen, waardoor het lukt om beter met deze emoties om te gaan. In plaats van dat ik bijvoorbeeld erg van streek raak, kan ik nu even kort uithuilen, om vervolgens uit te spreken dat iets mij raakt doordat er een associatie is met een situatie uit mijn jeugd. Dit is niet alleen voor mij fijner, maar ook voor mijn omgeving (waaronder mijn vriend) omdat ook zij overvallen werden door mijn heftige reacties en deze vaak moeilijk konden plaatsen bij de situatie. Wanneer ik het kan uitleggen, geeft het mijn omgeving ook meer rust en is er ook nog eens meer begrip mogelijk, waardoor conflicten bijvoorbeeld niet onnodig groter worden. In schematherapie termen merk ik dat ik in plaats van in de disfunctionele modi te schieten, steeds vaker in de gezonde volwassene modus kan stappen.
Het is waarschijnlijk niet reëel dat ik van alle schema’s/modi af zal komen, maar het is wel mogelijk ervoor te zorgen dat de schema’s of modi niet meer disfunctioneel zijn in mijn dagelijks leven en mij dus stukken minder zullen belemmeren.

De aanhouder wint
AdultingOp Twitter deed ik een oproep: ik vroeg wat er aan bod zou moeten komen over schematherapie in dit artikel. Ik kreeg hier een aantal reacties op.
Wat ik hiervan nog niet aan bod heb laten komen, is dat schematherapie inderdaad hard werken is. Je komt jezelf en je patronen telkens weer tegen en dat is niet alleen confronterend, maar ook zwaar en erg vermoeiend. Wel is het een heel overzichtelijke therapie; de schema’s en modi zullen ervoor zorgen dat je je eigen gevoelens en gedrag beter zult snappen en dat zorgt ook voor meer rust en overzicht in je hoofd. Uiteindelijk zul je zelfs de meest diepliggende schema’s doorbreken, maar dat heeft veel tijd en energie nodig; het ene schema zal hardnekkiger en dieper geworteld zijn dan andere schema’s.

Het is dus – makkelijk gezegd – een kwestie van doorzetten en volhouden; de aanhouder/de gezonde volwassene zal het winnen van de belemmerende patronen.
Vergeet trouwens vooral niet zo nu en dan een blij kind te zijn!

happy kid gif.gif


Ook schematherapie volgen?

Denk je dat schematherapie misschien ook een geschikte therapie voor jou zou kunnen zijn? Overleg dit dan met je behandelaar. Indien je nog geen professionele hulp krijgt, kun je hierover altijd in gesprek gaan met je huisarts of de praktijkondersteuner. Hij of zij kan met jou meedenken en eventueel een verwijzing regelen naar een therapeut in jouw buurt die geschoold is in het geven van schematherapie.
Schematherapie behoort tot gespecialiseerde (tweedelijns) geestelijke gezondheidszorg en wordt daarom vergoed door de zorgverzekeraar. Vraag wel altijd na voor de zekerheid of jouw hulpverlener/instelling is aangesloten bij jouw zorgverzekeraar.

Is er voor jou toch nog iets niet aan bod gekomen of heb je nog vragen? Stel ze gerust in een reactie, per mail of via social media.


Bronnen:
Arntz, A., & Jacob, G. (2011). Schematherapie een praktische handleiding. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
van Vreeswijk, M., Broersen, J., & Nadort, M. (2008). Handboek Schematherapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
https://www.deviersprong.nl/behandelingen/schematherapie/
https://www.schematherapie.nl/wordpress/wp-content/uploads/2014/09/Gieles-J.-Psychologie-Magazine-12-12-schematherapie.pdf
https://www.schematherapie.nl/vragenlijsten/
https://www.schematherapieopleidingen.nl/wp-content/uploads/2016/10/Slides-Fine-Tuning-IR-NL.pdf
https://www.rivierduinen.nl/~/media/_centrum%20autisme/clienten/behandelingen/psychotherapie—volwassenen-autisme—fs—1604.ashx?la=nl-nl
http://www.lkhnederland.nl/onderzoek-naar-psychotherapie-bij-volwassenen-met-autisme-en-comorbide-persoonlijkheidsstoornis

Advertenties

De Dictator & ik

Een tijd geleden, in een vorig artikel, heb je kunnen lezen over de ‘De dictator in mijn hoofd’. Hierin beschreef ik mijn dag en de invloed die de Dictator hierover uitoefende. Maar wie is hij nou precies? Hoe ziet hij eruit? Hoe is hij tot stand gekomen? En hoe kom ik in ’s hemelsnaam van hem af? Eerder schreef ik ook een blogartikel over onveilige hechting, genaamd ‘Slecht gehecht?’, waar dit artikel enigszins op aanhaakt. In dit schrijfsel zal ik beschrijven wat emotionele verwaarlozing precies is en zal ik mijn eigen ervaringen omtrent dit thema delen. Ook kun je lezen hoe ik bezig ben om van de gevolgen van emotionele verwaarlozing af te komen. Ik publiceerde dit artikel al eerder, maar heb intussen wat aanpassingen gedaan om het onderwerp voor mijn gevoel zo goed mogelijk te belichten.

Bestand 16-08-17 17 38 19

“Je kunt mij niet eens fatsoenlijk schetsen!” – De Dictator

Persoonsomschrijving
De Dictator is een criticus. Nog erger dan een Volkskrant recensent. Wat je ook doet of zegt, het is eigenlijk nooit goed. Gaat er iets wel een keer goed? Nou, dan wijst hij je er dringend op te her-evalueren, want er is altijd zat om te verbeteren en er zijn altijd gênante, domme fouten die je over het hoofd heb gezien. (Al zijn ze van meer dan 10 jaar geleden.)
Ik maakte laatst deze snelle schets van hem,  met enkele van zijn kenmerkende quotes. Zijn uiterlijk wil nog wel eens veranderen, maar dit is hoe ik hem op het moment voor mij zie.

Onzichtbaar beschadigd
Een thema als emotionele verwaarlozing vind ik lastig om over te schrijven, omdat het voelt als aan aanklacht tegen mijn ouders. Iets wat ik in mijn blogs zoveel mogelijk probeer te vermijden; ik probeer het vooral bij mezelf te houden. In dit artikel zal ik dit wederom nastreven. Helaas is het in dit geval lastiger om het niet over mijn ouders te hebben, gezien dit blogartikel zal gaan over mijn jeugd en opvoeding. Daarom wil ik vooraf gezegd hebben; mijn ouders waren door meerdere factoren simpelweg niet in staat om het anders te doen; er was absoluut geen opzet in het spel! Ze deden hun best en zij hielden van mij op hun eigen manier, daar ben ik van overtuigd. Regelmatig komt er dan ook in mij op: ‘maar zo erg was het bij mij toch allemaal niet?’ Ik had immers een dak boven mijn hoofd, eten, drinken, speelgoed… En ook de gedachte: ‘misschien was ik gewoon een overgevoelig, aanstellerig kind’. Het feit is alleen dat ik nog steeds kamp met psychische klachten, die volgens de theorie tot de gevolgen van emotionele verwaarlozing herleid zouden kunnen worden. Ik ben als kind beschadigd, maar dit is van de buitenkant niet te zien.

Er zijn verschillende vormen van kindermishandeling bekend. Emotionele verwaarlozing is één van deze vormen. Bij kindermishandeling denken we al snel vooral aan slaan en schoppen, toch komt emotionele verwaarlozing het meeste voor in Nederland, blijkt uit de Tweede Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (PDF).
Emotionele verwaarlozing moet niet verward worden met emotionele mishandeling, waar kinderen worden uitgescholden en gekleineerd.
Bij emotionele verwaarlozing gaat het meer om dingen die ouders nalaten: ze geven een kind geen genegenheid, aandacht, emotionele steun en bevestiging. Of ze gedragen zich heel onvoorspelbaar, waardoor een kind geen veiligheid voelt.
Het is vaak heel moeilijk te ontdekken of je emotioneel verwaarloosd bent. Want anders dan bij kindermishandeling of misbruik –waar het gaat om dingen die je aangedaan zijn-, gaat het bij verwaarlozing om wat er NIET was en wat je je NIET herinnert. Emotionele verwaarlozing brengt ongemerkt schade toe aan iemands leven.

Veel ouders bedoelden het goed, maar zijn door verschillende redenen niet in staat adequaat op hun kinderen te reageren. Kenmerkend is dat ouders totaal in beslag worden genomen door eigen problemen. Een aantal risicofactoren voor emotionele verwaarlozing zijn:

  • 087abf93d686a09b1be8461cc637f260Een slechte relatie tussen ouder en kind. De ouders luisteren niet naar het kind, negeren het of ondernemen geen activiteiten met het kind;
  • Weinig zelfreflectie of zelfvertrouwen bij de ouder;
  • Stress of boosheid bij de ouder;
  • Ouders hebben psychische problemen, zijn verslaafd, een licht verstandelijke beperking of hebben agressieproblemen;
  • Een ouder staat er alleen voor, is werkloos of er is sprake van een groot gezin;
  • Het kind heeft een gebrek aan sociale vaardigheden. Het is mogelijk dat het daardoor niet goed zijn behoeften bij zijn ouders kan aangeven. Ook kan het zijn dat het kind door de ouders als moeilijk in de omgang wordt beschouwd.

‘Veel ouders kampen zelf met een jeugdtrauma en hebben daardoor emotionele en/of gedragsproblemen en een negatief zelfbeeld’, zegt klinisch psycholoog Carlijn de Roos, werkzaam bij Psychotraumacentrum GGZ Kinderen en Jeugd Rivierduinen.
‘Gelukkig zijn er effectieve behandelingen om ouders te helpen bij de verwerking van hun trauma. Soms moet de zorg voor het gezin dan tijdelijk worden overgenomen door familie of professionele gezinszorg.’

De gevolgen
Volgens Janine Jansens, psycholoog en coach, groeien kinderen die emotioneel verwaarloosd zijn op met diverse moeilijkheden. Hieronder volgt een opsomming van deze voorkomende moeilijkheden die zij noemt:

  • “Worstelen met gevoelens van leegte. Sommige mensen voelen het als een fysiek gevoel; een leeg gevoel in hun borstkas, anderen ervaren het als emotionele gevoelloosheid.
  • Tegen- afhankelijkheid: een sterke drijfveer om niemand nodig te hebben. Je zou het ook ‘de angst om afhankelijk te zijn’ kunnen noemen. Mensen die tegen – afhankelijk zijn vermijden het zoveel mogelijk om hulp te vragen. Ze willen niet de schijn wekken hulpbehoevend te zijn of zich zo te voelen. Ze doen veel moeite om niet op een ander te hoeven rekenen, zelfs als het ze veel kost.
  • Omdat je weinig feedback krijgt over jezelf tijdens je jeugd weet je eigenlijk niet zo goed wat je kwaliteiten en je zwakten zijn. Dit gaat niet zozeer over een laag zelfbeeld (hoewel dat wel klopt voor de meeste mensen die emotioneel verwaarloosd zijn), maar over het feit dat een onrealistisch zelfbeeld hebt.
  • Weinig compassie voor jezelf, en heel veel voor anderen. Of simpeler gezegd: je bent veel strenger voor jezelf dan je voor anderen bent.
  • Gevoelens van schuld en schaamte en zich afvragen: “Wat is er mis met mij?” Als je leert dat je gevoelens er niet mogen zijn, dan leer je ze te verbergen. Omdat er in je jeugd geen duidelijk nare dingen gebeurd zijn zoals mishandeling of misbruik, herinner je jeugd als in principe in orde, misschien zelfs wel gelukkig. Dus wat is er dan mis met je als je je niet gelukkig voelt?
  • Boos zijn op jezelf komt ook vaak voor. Vaak is die boosheid een uiting van schaamte die nog een stap verder wordt gezet.
  • Een voortdurend onderliggende angst om ‘door de mand te vallen’: “Als ze me werkelijk zouden kennen zouden ze me niet aardig vinden”. Het is je basale fatale overtuiging zoals: “Ik ben niet de moeite waard” of “Ik ben dom”. Het is het ‘antwoord’ dat je zelf gevonden hebt op de vraag wat er mis is met je dat je geen aandacht krijgt.
  • Moeite met emotioneel voor jezelf en anderen te zorgen
  • Slechte zelf-discipline hebben. Junk-food eten, teveel uitgeven.. Moeite met dingen doen die moeten, zoals huistaken of sporten of deadlines halen.
  • Je weinig bewust zijn van je eigen emoties en die van anderen en die ook moeilijk kunnen identificeren of omschrijven.”

Naast deze omschreven moeilijkheden is door recent onderzoek bekend geworden dat emotionele verwaarlozing een specifiek verband heeft met depressies en sociale angst. Hersenscans laten verder zien dat de prefrontale cortex – het hersengebied dat een belangrijke rol speelt in het omgaan met stress – kleiner is bij mensen die in hun jeugd emotioneel zijn verwaarloosd. Hun amygdala – het gebiedt dat reageert op dreiging – lijkt veel scherper afgesteld, waardoor mensen eerder angst ervaren.

Bij het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen wordt ook als één van de kenmerken: traumatische/negatieve emotionele ervaringen in de jeugd genoemd, waaronder o.a. emotionele verwaarlozing. Bij het ontstaan van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis wordt omschreven: “Als je bijvoorbeeld opgroeit in een gezin waar je ouders erg afstandelijk, kritisch en ogenschijnlijk weinig betrokken bij je zijn zal je eerder een negatief idee over jezelf ontwikkelen. Je leert als kind niet dat je oké bent zoals je bent. Indien er een angstige aanleg aanwezig is, kan dit leiden tot terughoudendheid in contacten met anderen. En ondanks dat je daarmee ook positieve ervaringen uit de weg gaat, wordt de vermijding niet doorbroken.”

Het angstige en sombere kind
Als kind was ik erg stil, verlegen en teruggetrokken. Ik was angstig in nieuwe situaties en vooral met nieuwe mensen. Sociaal contact vond ik doodeng. Ik durfde niet eens brood te kopen bij een bakker. Dan kwam ik thuis en deed ik alsof ik het vergeten was. Ik durfde niet te zeggen dat ik niet durfde en mijn ouders namen aan dat ik gewoon geen zin had. Dus ze werden boos.

Ook huilde ik veel als kind terwijl ik niet eens wist waarom. Achteraf denk ik dat het kwam omdat ik mij ongelukkig en somber voelde, maar dat ik maar heel weinig besef had van de verschillende soorten gevoelens en hoe je deze uit. Het leek dus alsof ik huilde zonder reden terwijl ik eigenlijk gewoon niet door had dat ik verdriet en somberheid voelde. Wederom werden mijn ouders boos, want je moet alleen huilen als je een goede reden hebt, anders niet. Toen mijn broer was overleden werd mijn vader ook wel eens boos omdat ik huilde. Mijn huilen leek mijn moeder immers nog verdrietiger te maken. Ik stopte vervolgens alle gevoelens rondom mijn broers overlijden weg, die tijdens mijn pubertijd weer naar de oppervlakte kwamen. Ik kreeg daarom op mijn 14e speltherapie waar ik voor het eerst leerde over het bestaan van de verschillende gevoelens, om uiteindelijk mijn eigen gevoelens van elkaar te kunnen onderscheiden.

Mijn moeder kwam trouwens uit Zuidoost Azië. Daar zijn de ideeën over opvoeding ongetwijfeld anders dan in Nederland. Ik kreeg dan ook wel eens een ‘pedagogische tik’ wanneer ik niet luisterde. Een keer toen mijn Aziatische oma in Nederland was, speelde ik zonder het te vragen (vergeten) bij een buurkindje waardoor mijn moeder en oma mij kwijt waren. Toen ik terecht was kreeg ik zo’n harde tik dat ik blauwe plekken op mijn billen had. Waarschijnlijk zijn ze hier toch wel van geschrokken, want daarna kreeg ik geen tikken meer. Natuurlijk weet ik wel dat dit in Nederland niet oké is en op mijn opleiding leer ik dat dit valt onder de noemer kindermishandeling. Toch vond ik de pijn van de tikken niet erg; wel de gevoelens van angst, onrecht en machteloosheid zijn mij bijgebleven. Toen ik net kon schrijven schreef ik voor moederdag een keer een briefje aan mijn moeder waarin ik vertelde dat ik fijn zou vinden als ze wat liever voor mij zou zijn. Niet echt een leuk moederdagcadeau, dat snap ik, maar toch vind ik dat dit geen tik verdiende. Het was toch maar een vraag? En ik vroeg het achteraf waarschijnlijk niet voor niks… Voortaan hield ik mijn mening en wensen maar voor me.

Mijn vader had altijd al een kort lontje; hij kon heel snel erg boos worden. Dit kon door van alles komen. Irritatie wanneer het klussen niet lukte, ruzie met mijn moeder en ook wel wanneer ik iets stoms had gedaan (zoals vergeten mijn fiets op slot te zetten op school waarna deze werd gestolen). Hij kon dan op zijn Amsterdams vloeken en tieren, maar ook hardhandig met spullen en deuren omgaan. Later bleek dat dit o.a. kwam doordat hij diabetes had. Hij zei hier later over dat hij zich nooit kon herinneren wanneer dit gebeurde; hij was het kwijt. Een systeemtherapeute zei hier een keer op: “Ja dat kan wel zo zijn, maar Lyka blijft er mee zitten”. Hij leek zich dit niet te realiseren.

broken cup“Als er iets is kun je altijd naar ons toekomen”, zeiden mijn ouders regelmatig. Toch had ik niet het gevoel dat dit ook daadwerkelijk kon. Ze hadden dit graag gewild, dat geloof ik wel. Toen ik bijvoorbeeld 7 jaar was en mijn ouders een periode veel ruzie hadden, vond ik een keer serviesscherven onder de verwarming. Ik vroeg ongerust aan mijn moeder: ‘gaan jullie scheiden?’ Ze zei: ‘Nee joh! Hoe kom je daar nou bij.’ En we hebben het er nooit meer over gehad, terwijl de ruzies bleven. Mijn ouders zijn dan ook nooit gescheiden, maar er  was nog wel vaak (passieve) boosheid naar elkaar en er werd nauwelijks liefde naar elkaar getoond. Nooit ben ik fysiek pijn gedaan, maar als ik terugkijk was ik als kind vermijdend naar mijn vader toe omdat ik bang was voor hem en zijn boosheid. Ik hoorde vanaf mijn kamer immers een keer hoe hij tijdens een ruzie met mijn moeder een zware eetkamertafel in één beweging omgooide. Vervolgens vroeg mijn moeder mij om hem weer te halen omdat het eten klaar was. Met lood in mijn schoenen liep ik de trap op. Er gebeurde niks, maar ik was doodsbang.

Ik ontwikkelde een angst voor boosheid en onvoorspelbaar gedrag. Een angst waar ik overigens tijdens een opname voor klinische psychotherapie met jongeren (met o.a. borderline problematiek) vaak aan werd blootgesteld. Ook daar vloog er regelmatig iets door de leefgroep.

Het wereldvreemde en sombere kind
Als kinvisibleind dacht ik ook dat ik dom, onhandig en nergens echt goed in was. Ik was zo stil en verlegen, dat ik regelmatig over het hoofd werd gezien. Thuis, maar ook op school. Het leek wel alsof ik mezelf onzichtbaar kon maken. Dat voelde veilig, want dan werd er tenminste niet op mij gelet en viel het niet op als ik iets stoms of fout deed. Ook zonderde ik me af van andere kinderen. Ik leek het fijn te vinden alleen te zijn, bovendien kon ik dan niet gekwetst of verlaten worden. Ik had het idee dat als mensen mij echt leerden kennen, zij mij al snel zat zouden zijn. In mijn eentje had ik ook geen last van onvoorspelbaar gedrag van anderen; ik hoefde niet bang te zijn. Daarnaast was mijn broer van de één op andere dag overleden, dus ik hield er rekening mee dat mensen zomaar uit je leven konden verdwijnen.
Het alleen zijn zorgde ook dat ik mij zelfstandig, onafhankelijk en sterk voelde. Dat dacht ik tenminste. Achteraf gezien hield ik mezelf voor de gek, alleen had ik dat destijds nog niet door. Pas de laatste jaren besefte ik me dat ik mij al die tijd ‘in mijn eentje’ ook eenzaam, somber en verdrietig heb gevoeld. Ik voelde een leegte en voel deze nog steeds. Ik kon echter niet vatten wat dit gevoel precies was en waardoor ik dat gevoel had, waardoor ik mezelf toch blijf afzonderen. Inmiddels was ik het gewend…

Verder was ik ook altijd een nogal gevoelig kind. Als ik had gezongen onder de douche werden er wel eens grappen gemaakt door mijn ouders: ‘Ik hoorde net een valse kat op het dak’. En toen ik een keer blij was met mijn schoolfoto werd er gegrapt: ‘Niet zo’n kapsones hè!’. Het waren schijnbaar onschuldige grappen. Er werd dan ook wel achteraan gezegd; grapje hoor! Maar desondanks ben ik het gaan geloven. Soms waren het ook geen grappen: ik liet bijvoorbeeld vaker trots een tekening zien waar ik een 9 voor had gekregen bij het vak tekenen op de middelbare school, waarop mijn moeder dan zoiets zei als: ‘Je bent zeker het lievelingetje van de leraar, hè?’
Mijn ouders vonden het überhaupt lastig om enthousiast te reageren op iets dat ik vertelde; ik het vaak het gevoel dat zij mij niet hoorden of het hen gewoonweg niet interesseerden. “Oké.” of “Oké, leuk.”, kon er vaak nog vanaf, maar meer ook niet. Soms was de reactie na mijn verhaal: “Oké. Hoe gaat het met je cijfers?” Het leek het enige te zijn wat ze van mij wilden horen.

Ook kon mijn moeder mij vergelijken met mijn overleden broer; ‘Angelo bood wel altijd aan te helpen met de afwas’, ‘Angelo was niet zo rommelig als jij.’ Het voelde voor mij alsof ik nooit goed genoeg was en dat het beter was geweest als ik was doodgegaan in plaats van Angelo. Op mijn 14e geloofde ik hier zo in, dat de neiging om ook zelfmoord te plegen steeds sterker werd. Gelukkig had ik inmiddels therapie en probeerden mijn therapeuten mij ervan te overtuigen dat ik er wel mocht zijn. Ik weet nog dat mijn ouders een keer erg schrokken omdat zij hoorden van mijn mentrix dat ik het idee had dat zij niet van mij hielden. Ze gaven mij een knuffel en een kus op mijn hoofd en zeiden dat ze wel degelijk van mij hielden. Toch kon ik het niet geloven; ik kreeg immers wisselende boodschappen, het verwarde me juist. Waarom dacht en voelde ik dat zij niet van mij hielden als het wel zo was? Lag het allemaal aan mij? Was ik zó raar dat ik dit dacht of verzon?
Uiteindelijk liet mijn moeder mij na een lang ziekbed haar dagboek achter. We wisten op een gegeven moment dat ze zou gaan overlijden en ze wilde mij iets van haarzelf achterlaten. Ze schreef blijkbaar over al haar gevoelens rondom haar ziekbed, want in het dagboek was heel wat kritiek aan mij en mijn vader te lezen. Ik las dat ik lui en onverantwoordelijk was en dat zij zich zorgen maakte hoe ik zou worden als ik eenmaal volwassen was.

Het verwarde kind
Mijn ouders hanteerden de opvoedstijl: volwassenen hebben altijd gelijk. Dit komt denk ik voort uit hun eigen opvoeding/cultuur. Mij werd dan ook niet vaak wat gevraagd; ik moest juist doen wat er van mij gevraagd werd. Als middelbare scholier kwam ik bij het vak Nederlands in de problemen: hoe moest ik immers debatteren als ik geen mening had? Als 19-jarige was ik nog steeds compleet in de war: ik had mij mijn hele jeugd aangepast aan het voldoen aan verwachtingen van anderen en was mezelf ondertussen kwijt geraakt. Op de één of andere manier had ik het idee dat anderen mij wel zouden vertellen hoe ik mijn leven zou moeten leven. Blijkt het dat ik dat zelf moet invullen! Hoe moest ik nu in ’s hemelsnaam een (volwassen) identiteit vormen? Ik raakte in een identiteitscrisis.

Waar ik eigenlijk nog het meeste schaamte- en schuldgevoelens over had, was het fantaseren over leven in een ander gezin, met andere ouders. Ik was bijvoorbeeld erg jaloers op het gezinsleven van vriendinnen als ik bij hen thuis was. Achteraf gezien leek het erop dat ik op zoek was naar een moederfiguur; eerst in mijn juffen op de basisschool en later bij de leraressen van mijn middelbare school. Vooral mijn mentrix van de brugklas. Zij werd als een soort idool voor mij; ik wilde net zo worden als zij. Ook wilde ik vaak bij haar zijn. Iets waar ik me erg schuldig over voelde, gezien mijn eigen moeder ondertussen was gediagnosticeerd met kanker en hier later ook aan overleed. Pas later begreep ik dat ik die vrouwelijke docenten zo opzocht omdat ik van hen de aandacht, steun en zorg kreeg dat ik ook thuis zocht, maar niet vond. Tijdens mijn middelbare schooltijd gaf ik het op en ging ik blijkbaar elders op zoek naar wat ik nodig had.

De behoefte om vrouwelijke voorbeeldfiguren op te zoeken en op hen te leunen, heb ik inmiddels niet meer. Op dit moment worstel ik wel nog steeds met gevoelens van eenzaamheid en het gevoel hebben dat ik ‘alleen op de wereld’ ben. Dit gevoel komt bijvoorbeeld op wanneer ik geconfronteerd wordt met de manier waarop mijn schoonouders met mijn vriend omgaan; hij kan altijd op hen terugvallen en ze zijn geïnteresseerd in wat hij te vertellen heeft. De gedachten; ‘op wie kan ik terugvallen?’ en ‘wie luistert naar mij?’, geven dan veel verdriet.

De geboorte van de Dictator
geboortedictatorDe Dictator vindt zijn oorsprong in mijn jeugd. Toen hij nog niet bestond, was het niet hij die kritisch op mij was, maar mijn ouders. In therapie werd mij voorgelegd dat mijn ouders vroeger te hoge eisen aan mij stelden. Zelf herinner ik me dat ik vooral te horen kreeg wat ik niet goed deed of beter kon doen, dan dat wat ik wel goed deed. Ik kreeg het gevoel dat ik nooit iets goed deed. Er was sprake van voorwaardelijke liefde in plaats van onvoorwaardelijke liefde.

Mijn tienerdagboeken staan vol schaamte en schuldgevoelens. Na twee dagboeken hield ik het maar voor gezien want ik werd alleen maar somber van het schrijven en het doorlezen ervan. Regelmatig schreef ik ‘Ik haat je’,  ‘waarom ben je zo stom?’ en ‘ik snap niet dat mijn vriendinnen mij nog steeds niet zat zijn’.
Toch had ik niet echt door dat ik een laag zelfbeeld had. Ik vond mezelf zelfs regelmatig narcistisch en egoïstisch. Dat ik niet veel waard was, was dan ook voor mij de waarheid en geheel logisch. Op mijn 14e deed ik mezelf voor het eerst pijn om mezelf te straffen en mijn gevoelens te verdoven. Rond mijn 14e kreeg ik ook voor het eerst last van suïcidale gedachten; ‘ik voeg niets toe aan het leven van anderen en ik ben iedereen tot last, dus ik kan er maar beter niet zijn’. Tijdens schematherapie een jaar geleden, moest ik praten tegen degene die zo hard is voor mezelf (Lees: tegen een stoel). Voor het ‘aanspreek-gemak’ gaven we hem een naam: De Dictator. (Mijn interne criticus, niet de stoel.)

Niet alleen qua innerlijk, maar ook qua uiterlijk had ik altijd al weinig zelfwaardering. Ik vond mezelf altijd al klein en mollig. Het klein zijn kan ik nog steeds niets aan doen, maar het mollig zijn wel. Uiteindelijk ontwikkelde ik rond mijn 20e een eetstoornis; De Dictator ging zich ook nog eens met mijn eetpatroon bemoeien. Mijn huidige behandelaar wees mij eens op dit filmpje (gemaakt door Lentis GGZ) over de interne stem bij een eetstoornis. Ze had gelijk; het filmpje beeldt precies uit hoe de Dictator/eetstoornis tegen mij praat. Het werd al snel duidelijk dat de functie van mijn eetstoornis is, dat ik mijn zelfwaardering haal uit afvallen en weinig eten.
De oorzaak van de eetstoornis is ook een manier van (slechte) coping; een manier om controle over een situatie terug te krijgen. Ik begon immers met het rommelen met eten tijdens de opname in de jongerenkliniek, waar ik mij door het onvoorspelbare gedrag van anderen erg onveilig heb gevoeld. Ik wilde mezelf beschermen door voor anderen (dus ook de therapeuten) te verbergen dat ik zo angstig was. Restrictief/weinig eten, zorgde voor een (schijn)controle. Ik kon mij hierdoor gek genoeg toch wat veiliger voelen, want ik had de ‘macht’ over mijn eigen eetpatroon en niemand anders mocht hier aankomen.

De boze volwassene
Het heeft lang geduurd voordat ik boosheid kon ervaren. Tijdens mijn klinische opname op mijn 19e voor klinische psychotherapie, kwam dit dan ook veel aan bod. “Ik ben nooit boos”, hield ik vol. Er werd zo vaak aan mij gevraagd of ik boos was door de therapeuten, dat ik er bijna boos van werd. (Wellicht hun tactiek.)
Tijdens deze opname, leerde ik dat ik wel degelijk boos werd, alleen nooit op anderen. Als ik wel boosheid ervoer, internaliseerde dit zich; ik legde de schuld altijd bij mezelf om vervolgens vreselijk kwaad te worden en mezelf te straffen door middel van zelfbeschadiging. Mijn therapeuten zagen dit regelmatig gebeuren, maar ik had het zelf niet door. Een voorbeeld is toen ik tijdens psychomotorische therapie (PMT) een basketbal tegen mij hoofd kreeg. Na de PMT werd ik door de therapeute gevraagd even te blijven. Ze vroeg: “Ben je niet boos op je groepsgenoot?”. “Nee”, antwoordde ik, verbaasd om haar vraag. “Maar hij zag dat je aan de andere kant van de zaal was en smeet alsnog onbezonnen de bal door de zaal”, opperde ze. “Had ik maar niet in de weg moeten lopen”, zei ik met volle overtuiging.
Doordat ik thuis uit angst voor boosheid van mijn ouders nooit mijn eigen boosheid durfde te uiten, is het naar binnen geslagen. Hier hoort ook bij dat ik andere mensen op een voetstuk plaatste en mezelf daar ver onder. Natuurlijk is het dan mijn schuld en niet dat van mijn groepsgenoot.

Inmiddels gaat het uiten van boosheid beter. Ik mag vaker boos zijn van mezelf en het lukt steeds beter om dit niet te internaliseren. Ik merk dan ook dat ik boosheid ervaar over hoe de dingen vroeger gelopen zijn en daarmee ervaar ik ook boosheid naar mijn ouders toe. Dit laatste vind ik het moeilijkste, want ik wil hen niets kwalijk nemen. Er zijn natuurlijk ook goede herinneringen aan mijn jeugd en aan mijn ouders, alleen is het lastige dat deze herinneringen en gevoelens onderdrukt worden door de nare herinneringen en gevoelens van de trauma’s.

Ondanks de moeilijke band (en ondanks de boosheid die ik tegenwoordig wel voel) probeer ik er te zijn voor mijn vader. Ik ben immers het enige gezinslid dat hij nog heeft. Op zijn manier is hij er ook voor mij en houdt hij van mij. De acceptatie dat ik emotionele steun, genegenheid, aandacht etc. nog steeds elders moet zoeken blijft tot op heden confronterend en verdrietig, maar gelukkig vind ik dit tegenwoordig allemaal wel bij mijn lieve zorgzame vriend en bij mijn lieve gezellige vrienden en vriendinnen. Het is dan ook de kunst om los van mijn vader een leven op te bouwen, maar om toch een manier te vinden om hem (op een voor mij gezonde manier) bij mijn leven te blijven betrekken. Op het moment heb ik veel behoefte aan afstand, om het recente besef en de bijbehorende herinneringen een plek te kunnen geven. Gezien mijn vader ook kampt met lichamelijke klachten, zorgt dit wel eens voor dilemma’s; hoe kan ik er voor hem zijn zonder over mijn grenzen te gaan? Toen hij 5 jaar geleden een herseninfarct kreeg, was ik bijvoorbeeld tijdelijk mantelzorger. Ik zorgde graag voor hem, maar ik had zelf niemand om op terug te vallen. Deze omstandigheden, gecombineerd met een depressie en opbouwen van medicatie, zorgden ervoor dat ik in een flinke crisis terecht kwam en een zelfmoord poging deed die (gelukkig) mislukte.

Mijn littekens
self-hatred-2-2Door mijn studie las ik voor het eerst over emotionele verwaarlozing. Ik wist hiervoor niet dat dit bestond. Ik vertelde in therapie dat ik mezelf hier (gek genoeg) in herkende. Mijn therapeute legde vervolgens uit dat dit kan kloppen. Na het bestuderen van de kenmerken en mogelijke gevolgen van emotionele verwaarlozing aan het begin van dit artikel, herken ik heel wat hiervan bij mezelf en bij mijn ouders. Sindsdien is er wat betreft de problemen die ik nog steeds ervaar een hoop voor mij op zijn plek gevallen.

Wat ik er in het dagelijks leven van merk is dat ik elke dag weer gek wordt van de interne “stem” van De Dictator in mijn hoofd. Vroeger had ik zelfbeschadiging als coping, maar tegenwoordig heb ik als coping om mij te verweren tegen deze constante kritiek; “Hou op” of “Stop” zeg ik dan hardop. Soms lijkt het alsof ik lijd aan een soort gilles de la tourettes, gezien ik ook kan vloeken op de dictator. Helaas vloek ik nog meestal op mezelf. “Stomme trut”, “ik haat je” of erger, floept er regelmatig hardop uit. Het is niet ideaal, maar ik kan me redelijk inhouden in gezelschap en het zorgt in ieder geval niet meer voor blijvende littekens op mijn armen. Ook ga ik er natuurlijk vanuit dat dankzij therapie ik uiteindelijk geen last meer zal hebben van de Dictator, maar vervangen zal worden door een milde, gezonde, kritische stem.

De Dictator zorgt er nog steeds voor dat ik tijdens mijn studie en stages zelfvertrouwen tekort kom, waardoor ik niet optimaal kan functioneren. Ik kan de gedachten soms redelijk opzij zetten en als het goed gaat geeft mijn studie en stage mij juist zelfvertrouwen, maar toch is de terugkerende feedback van docenten en stagebegeleiders nog altijd dat ik té bescheiden ben, soms kwetsbaar overkom en nog meer zelfvertrouwen mag uitstralen. Iets wat ik erg moeilijk vind door de overvloed aan kritische gedachten tijdens mijn bezigheden. Helaas heb ik er ook last van wanneer ik thuis op de bank zit, waardoor kunnen ontspannen en genieten van vrije tijd ook moeizaam gaat. Constant ben ik aan het piekeren en aan het malen om vervolgens mezelf te zitten haten.

Het stomme is dat ik dit zó ontzettend zat ben en rationeel gezien ook wel weet dat De Dictator “gewoon maar” een patroon is dat mij vroeger hielp (te overleven) en mij nu juist belemmert… Toch is hij zo hardnekkig en vastgeroest dat ik nog iedere dag in dit patroon vastloop. In therapie loop ik er tegenaan dat ik het allemaal prima kan rationaliseren en kan verwoorden, maar het lijkt alsof het gevoel achterblijft; het voelt als of de Dictator gelijk heeft, al weet ik beter.

Het is niet uitzichtloos
b2b2803c7f823157b11d6b4ffe8ea012Onlangs namen de eetproblemen weer toe, wat mij óók nog eens leek te gaan belemmeren tijdens mijn stage. Ik nam daarom het verstandige besluit (al zeg ik het zelf) om mij (wederom) aan te melden bij een centrum voor eetstoornissen voor een behandeling. Na wat intakegesprekken kreeg ik te horen dat zij adviseren om eerst een traumabehandeling te doen, omdat de eetstoornis en mijn lage zelfbeeld uit de trauma’s voortkomen. Eerst traumabehandeling zou zorgen voor een stabielere basis om aan de eetstoornis te gaan werken.

Uit ervaring weet ik inmiddels dat traumabehandeling zoals EMDR mij zodoende ontregelt dat ik al helemaal niet goed kan functioneren (zie ook blogartikel ‘De EMDR-sessies (deel 2)’). Als alternatief stelde mijn behandelaar voor om een andere vorm van traumaverwerking te gaan doen: imaginatie rescripting. Dit is een interventie dat onderdeel is van schematherapie, maar zich richt op het anders gaan interpreteren van nare gebeurtenissen in de vroege jeugd. Inmiddels zijn we hiermee gestart. Samen met de therapeut ben ik gaan kijken waar ik de afgelopen week tegenaan ben gelopen. Vervolgens zijn we teruggegaan naar een gebeurtenis in mijn jeugd die mij doet denken aan de gebeurtenis van afgelopen week. Zo barstte ik bijvoorbeeld een keer in tranen uit toen mijn vriend zei: ‘Ja hoor, ga maar lekker op de bank zitten, ik ruim de boodschappen wel op.’ We schrokken allebei van mijn heftige reactie, maar mijn vriend al helemaal omdat hij het als grapje bedoelde; hij wist ook wel dat ik het per ongeluk was vergeten. Ik voelde me ontzettend schuldig en realiseerde me dat het mij deed denken aan de opmerking van mijn ouders vroeger. Wanneer ik bijvoorbeeld vergat de hond uit te laten, werden ze boos en noemden zij mij lui en onverantwoordelijk.
In therapie moest ik dan tot in detail vertellen hoe de situatie vroeger ging. Vervolgens zei mijn behandelaar dat zij in de situatie zou stappen en zij dan bijvoorbeeld tegen mijn ouders van toen: “Het is niet fair om Lyka onverantwoordelijk te noemen. Ze is het vergeten en dat kan gebeuren. Ze is nog maar een kind en zoveel kinderen vergeten een klusje in huis te doen. Door zo streng voor haar te zijn beschadigen jullie haar zelfbeeld. Het mag wel een tandje minder!”
Vervolgens vraagt mijn behandelaar hoe dit voor mij is en of er nog wat moet gebeuren. In andere situaties is het voorgekomen dat wij in de fantasie samen mijn ouders uit huis hebben gezet zodat ik op een veilige manier mijn verdriet kon uiten. Ook heeft mijn behandelaar in zo’n fantasie gewoonweg gevraagd naar wat mij bezighield als kind; ze toonde interesse in mij als kind en gaf hiermee warmte en aandacht. Gek genoeg herinnerde ik mij weer dingen die ik deed als kind (zoals mw. Zuurtje en mw. Pruimpje naspelen van Telekids) en moest er zelfs om lachen.
Het doel van deze therapie is om andere conclusies te gaan trekken uit deze gebeurtenissen. In plaats van: “Ik ben een slecht kind” of “Ik ben niets waard”, zal ik bijvoorbeeld moeten gaan denken: “Mijn ouders stelden te hoge eisen” en “Ik mag er zijn”. Oftewel, in termen van schematherapie; het versterken van de gezonde volwassene. Beetje bij beetje lukt dit steeds meer. We gaan ons nu richten op het versterken van zelfcompassie, gezien ik ergens nog steeds het gevoel heb dat ik een verschrikkelijk kind was dat niet beter verdiende.

Wanneer ik ben afgestudeerd wil ik overigens dan toch een traumabehandeling gaan volgen; ik heb dan immers weer de tijd en het is praktisch en prettig om geen last meer te hebben van de trauma’s wanneer ik een baan ga zoeken en anderen ga begeleiden bij hun herstelproces.
Bij het maken van een nieuw behandelplan, bleek dat ik meer vooruit ben gegaan dan ik dacht. Ik word o.a. minder overspoeld door gevoelens, dissocieer niet meer tijdens therapie en ben mij steeds meer bewust wanneer ik last heb van een bepaald schema, waardoor ik anders kan handelen. De gezonde volwassene staat al veel meer op de voorgrond. Het is dus zeker niet uitzichtloos, al kan het nog vaak zo voelen.

KOPP
Ik schreef al eerder over mijn eigen ervaring omtrent KOPP (kinderen van ouders met psychische problematiek). (Hier te lezen.)
Toch wil ik KOPP nog een keer benoemen omdat ik in therapie een belangrijke ontdekking deed. Het blijft speculeren, maar mijn behandelaar gaf aan dat ik het zo kan zien dat allebei mijn ouders psychisch ziek waren en zijn. Ze waren beide getraumatiseerd en er was waarschijnlijk sprake van depressie en van (borderline) persoonlijkheidsproblematiek. Door deze psychische problematiek waren zij gewoonweg niet in staat om mij de zorg te bieden die ik nodig had. Hoe kun je immers liefde geven, als je zelf nooit liefde hebt gekregen? Mijn moeder verweet mij dat ik afstandelijk en vermijdend naar haar was tijdens haar ziektebed, maar hoe kon ik emotioneel beschikbaar zijn als zij dat niet voor mij was? We leefden in een gezinssysteem waar ieder behoefte had aan emotionele steun, maar geen van ons kon het elkaar geven…

Het vergeten kind
Tijdens het schrijven van dit stuk merk ik dat ik mij schuldig en ondankbaar voel. Ook ben ik bang dat ik mijn ouders hierdoor in een wel heel kwaad daglicht heb gesteld, ook al heb ik geprobeerd het zoveel mogelijk bij mezelf te houden. Nogmaals: mijn ouders valt niets kwalijk te nemen. Zij hebben zelf een zware jeugd en een zwaar leven gehad, dus hoe konden zij ook anders? Toch vind ik het belangrijk over dit thema te schrijven. Emotionele verwaarlozing wordt immers snel over het hoofd gezien en is ook in mijn geval helaas niet op tijd opgemerkt. Dit roept op dit moment dan ook vragen op: waarom werd er niet ingegrepen?

Hoe dan ook, bij tijdige signalering kan een hoop leed, voor zowel ouders als kinderen worden bespaard! Bij de KOPP-groepen waar ik stage liep, zag ik immers hoe ouders en kinderen weer naar elkaar toegroeiden, door de ondersteuning die aan beiden werd aangereikt. Mijn behandelaar beschreef laatst dat een oud-cliënt van haar iets zei over dit thema wat haar is bijgebleven en wat nu ook bij mij is blijven hangen:
“Het kind dat om aandacht schreeuwt en om zich heen slaat en schopt redt zich wel. Let alsjeblieft ook op het kind dat zich ondertussen verstopt achter de gordijnen. Die heeft óók hulp nodig”. Met andere woorden; zie deze stil en teruggetrokken kinderen alsjeblieft niet over het hoofd!

Tot slot nog advies van klinisch psycholoog Carlijn de Roos aan hulpverleners, dat ik zelf als toekomstig hulpverlener ook zeker in acht zal nemen:

“Kaart een vermoeden van emotionele verwaarlozing altijd bij de ouders aan. Vraag hoe het gaat met de opvoeding en of er hulp nodig is. Voor lichte klachten zijn er allerlei preventieve opvoedcursussen. Heeft het kind forse problemen, zoals een depressie, dan komt de ggz in beeld. Bij grote zorgen over de veiligheid van het kind kun je een melding bij het AMK doen.”

 

Bronnen:
https://www.linkedin.com/pulse/emotionele-verwaarlozing-last-van-wat-er-niet-gebeurd-janine-janssens/
http://www.augeomagazine.nl/nl/magazine/4068/703592/blauwe_plekken_op_de_ziel.html
https://www.depsycholoog.nl/emotionele-verwaarlozing/
https://www.zorgwelzijn.nl/emotionele-verwaarlozing-bron-voor-depressie-en-angst-zwz016157w/
Multidisciplinaire richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen (PDF)
https://www.deviersprong.nl/persoonlijkheidsstoornissen/de-ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/kenmerken/
http://www.schematherapieopleidingen.nl/wp-content/uploads/2016/10/Slides-Fine-Tuning-IR-NL.pdf
Lentis GGZ ‘Door Dik en Dun’ (YouTube)

Psychiatrisch patiënt studeert voor hulpverlener

Zo luidt de titel van het interview over mij en mijn blog in de Folia. De voorpagina van het magazine was duidelijk niet gemaakt door de interviewster. Tijdens het interview hadden we het over de missie van mijn website: het verminderen van stigma over psychische problemen. De zin op het voorblad leek die boodschap juist tegen te spreken; het kwam nogal bot over. Ik ben al jaren niet meer opgenomen geweest en dus al een tijd geen psychiatrisch patiënt meer. De enige die mij nu nog cliënt noemt – niet direct natuurlijk – is een vrijgevestigde psychotherapeut. Ik probeer juist heel erg mezelf niet meer te zien als cliënt of patiënt, maar als Lyka: dochter, vriendin en bijna hulpverlener. In dit artikel wil ik uiteenzetten hoe het is om te studeren voor hulpverlener, terwijl ik zelf nog hulpverlening nodig heb.

Cliënt carrière
Vanaf mijn 14e tot en met mijn 26e ben ik bijna non-stop in therapie geweest. De oplettende lezer heeft het al door: juist, ik ben nu 26 jaar oud en dus al 12 jaar in therapie. De korte periode bij een kinderpsychiater toen ik 6 jaar was, hierbij niet meegeteld. In al die tijd is er maar een periode van 4 maanden geweest waarin ik geen therapie had; een periode waarop ik het zonder wilde proberen. Al gauw bleek dat ik daar nog niet klaar voor was: het ‘uit therapie gaan’. Wel is het nog steeds mijn doel, vandaar ook de naam van mijn website en blog.

under-construction-2Vanaf kleins af aan zijn er dingen in mijn leven gebeurd (in vaktermen: life-events) die een grote impact hadden op mij en mijn directe omgeving. Deze gebeurtenissen hebben mij  gevormd tot wie ik nu ben. Daarbij horen o.a. enkele copingsmechanismen die ik toentertijd nodig had om te overleven, maar mij nu helaas juist belemmeren in mijn leven. Een vraag die ik wel eens voorbij hoor komen: waarom maakt de één nare dingen mee en kan diegene gelukkig verder leven, terwijl de ander psychisch ziek wordt en zich vervolgens door het leven heen moet ploeteren? Door mijn opleiding weet ik dat het te maken kan hebben met erfelijke aanleg of met aangeboren temperament wat je gevoeliger kan maken voor het ontwikkelen van psychische ziekten. Zo heb ik met mijn  persoonlijkheidskenmerk ‘perfectionisme’, statistisch gezien meer kans op het ontwikkelen van een depressie, burn-out en/of misschien wel een eetstoornis. Daarnaast denk ik dat het ook te maken kan hebben met omgevingsfactoren; een warm nest had mij denk ik beter kunnen ondersteunen in zware tijden, dan een afstandelijk nest dat het eigenlijk zelf ook niet zo goed weet door eigen moeilijkheden.
Of iemand anders niet ziek geworden zou zijn door hetzelfde meegemaakt te hebben als ik, is moeilijk te achterhalen. Psychische ziekten komen namelijk in mijn familie vaker voor dan alleen bij mij.

De reden dat ik op het moment nog steeds hulpverlening nodig heb?
Een oud-therapeute legde het als volgt uit: “Je hebt je leven lang jezelf aangeleerd om te dealen met bepaalde situaties; je hebt copingsmechanismen ontwikkeld. Deze mechanismen waren destijds nodig om deze periodes te kunnen ‘overleven’, maar zijn nu juist belemmerend geworden in je leven omdat de situatie van toen inmiddels anders is. Het aanleren van deze mechanismen hebben jaren geduurd, dus je kunt verwachten dat het afleren van deze mechanismen ook flink wat jaren nodig zal hebben.”

Hulpverlener carrière
carl-jung-quoteEind juni dit jaar heb ik – als ik niet nog meer vertraging oploop – mijn derdejaarsstage afgerond en hoef ik alleen nog maar mijn vierdejaarsscriptie te doen. In de zomer van 2018 zal ik dan eindelijk afgestudeerd zijn en mag ik mezelf officieel hulpverlener (SPH’er) noemen.
Nog steeds is mijn identiteit als hulpverlener een zoektocht. Dit hoort natuurlijk bij de opleiding en je beroepsontwikkeling als student. Bij mij heeft het echter ook te maken met het feit dat ik zelf altijd nog in therapie ben geweest tijdens mijn opleiding. Dit maakte dat ik wel eens last had van rol verwarring. Denk aan rollenspellen moeten doen, terwijl je nog een voltijd dagbehandeling volgt en van college naar therapie vliegt en andersom. Om even een beeld te schetsen: 11:00 uur was ik patiënt en groepsgenoot bij de dagopening, om 13:00 uur was ik hulpverlener in een rollenspel bij het vak gespreksvaardigheden, om 15:00 uur weer moeder van een groepsgenoot te spelen bij de therapie psychodrama.
Toen ik mijn eerste derdejaarsstage ging lopen had ik ook last van rol verwarring in contact met mijn therapeute. Op stage kreeg ik steeds leuker contact met collega-hulpverleners en ook buiten werktijden kreeg ik wel eens lift naar het busstation waarbij een behandelaar wat vertelde over haar privéleven. Tijdens mijn therapie zat ik dan weer tegenover een behandelaar, de mijne, die helemaal niets loslaat over haar privéleven en verwacht dat ik vooral over mezelf praat. Hierdoor voelde ik me in een patiënten-/cliënten rol gedrukt, terwijl het op stage steeds meer lukte om mezelf als hulpverlener te gaan zien. Inmiddels heb ik hier in therapie nog maar weinig last van. Het helpt dat mijn psychotherapeute mij naast als cliënt, ook benadert als een mede-hulpverlener; ze vraagt eerst of ik een begrip ken voordat ze een hele uitleg geeft en we kunnen praten in vaktermen. Dit vind ik erg fijn en niet alleen bevorderlijk voor de behandelrelatie, maar ook voor mijn herstel.

Een andere moeilijkheid tijdens mijn studie is altijd geweest: wat vertel ik wel en wat vertel ik niet?
Toen ik net begon met mijn studie voelde ik dat er zo goed als geen ruimte was voor eigen ervaringen. Vaak heb ik in een college gezeten waar ik redelijk wat aan kennis had kunnen aanvullen bij de aangeboden stof vanuit mijn eigen ervaring, maar heb altijd stilzwijgend aangehoord wat ik al wist of waar ik een nuance in aan had kunnen brengen. Dat klinkt misschien arrogant (vooral voor iemand die in therapie werkt aan een beter zelfbeeld), maar ik had me bijvoorbeeld voor mijn studie al veel ingelezen over mijn eigen diagnoses en daarmee al heel wat theoretische kennis opgedaan met betrekking tot psychopathologie. Een ander voorbeeld: meerdere keren heb ik geluisterd naar een ervaringsdeskundige die in de les zijn/haar ervaringsverhaal kwam vertellen, terwijl ik met een soortgelijk ervaringsverhaal zat te luisteren en te acteren alsof horen over bijv. een crisisopname ook voor mij nieuw was. Ik had de angst dat als ik zou vertellen dat ik zelf psychisch ziek ben en redelijk wat ervaring heb met behandelingen in de GGZ, docenten en medestudenten mij als incompetent zouden zien als hulpverlener. Je moet immers zelf helemaal psychisch gezond zijn om hulpverlener te kunnen zijn, heerst het idee.
Gedurende mijn studie heb ik veel last (gehad) van zelfstigma;
ik heb vaak de angst dat ik nooit een goede hulpverlener kan zijn omdat het mij nooit zal lukken volledig te herstellen. Ook vul ik soms in voor anderen (collega’s, medestudenten en directe omgeving), dat zij mij meer zien als cliënt/patiënt dan hulpverlener als ik vertel over mijn ervaring(-skennis).

Wat is zelfstigma?
“Bijna de helft van mensen met een psychische aandoening lijdt onder zelfstigma. Je vindt zelf dat je geen knip voor de neus waard bent vanwege je aandoening. Of je vindt vooroordelen van anderen over jou terecht.

Als je je bewust bent van je eigen stigma’s kun je hieraan werken om dat te verbeteren en er minder last van te hebben. Het kan je zelfbeeld in gunstige zin bevorderen.
Zelfstigma is meestal een proces van jaren. Klachten ontstaan vaak in de prille jeugd in familiekring. Je voelt je bijvoorbeeld thuis of op school afgewezen, wordt niet betrokken bij gesprekken. Dit leidt regelmatig tot angst voor sociale situaties. Ook nog jaren later. Als je psychische aandoening stelselmatig is onderkend, maakt je dat gevoeliger voor zelfstigma”

Bron: Samen sterk zonder stigma

Afgezien van zelfstigma, heb ik ervaren dat er binnen de opleiding ook daadwerkelijk weinig ruimte was voor de eigen ervaring van studenten. Dat terwijl je regelmatig hoort dat een groot aantal studenten SPH gaan studeren omdat zij zelf of in hun omgeving te maken hebben gehad met psychische ziekten. Gelukkig lijkt hier verandering in te komen!

Lyka, hulpverlener en slechts nog een beetje ziek
broken-objectsHet is mijn persoonlijke leerdoel tijdens de resterende tijd van mijn studie om mijn twee identiteiten: hulpverlener en cliënt, niet los van elkaar te zien, maar dat zij samenkomen als geheel. De leerlijn om ervaringskennis te ontwikkelen die mijn opleiding sinds kort aanbiedt, helpt mij daarbij! Als ik afstudeer, ben ik dankzij deze leerlijn niet alleen SPH’er, maar ook ervaringsdeskundige. Het hielp ook ontzettend dat mijn docenten van de vierdejaars minor vorig jaar aan zelfonthulling hebben gedaan: het bleek dat ook zij hulpverlener zijn met eigen ervaring in de GGZ. Het kan en mag dus! Ook ontkracht het mijn angst: deze mensen hebben nog steeds in enige mate last van psychische problematiek, maar zijn toch competent als hulpverlener én docent.
Zo helpt ook het op Twitter volgen van hulpverleners als Menno Oosterhoff, Remke van Staveren en Clara Koek-Michels voor mij om deze angst te ontkrachten. Deze mensen zijn voor mij ook een inspiratie en voorbeeld omdat zij in de (social) media openlijk uitkomen voor hun diagnose, maar daarnaast ook tweeten als enige andere deskundige psychiater. Daarmee dragen zij bij aan het doorbreken van het taboe en het stigma.

Ik moet zeggen, mijn herstel duurt dan wel lang, maar het komt steeds dichterbij: ik heb ontzettend veel stappen gezet sinds mijn eerste behandeling en kan nu al zeggen dat ik van ver ben gekomen. Ook in het ontwikkelen van mijn beroepsidentiteit zit schot: ik weet in ieder geval dat ik mijn eigen ervaring niet meer bij mij wil dragen als geheim, terwijl ik het ook kan inzetten om toekomstige cliënten te helpen. Op mijn (tweede derdejaars) stage ben ik daar al mee begonnen: ik loop op het moment stage in de GGZ jeugdpreventie (van angst en depressie) en werk o.a. met kinderen van ouders met psychische problematiek (KOPP-kinderen genoemd). Tegen mijn collega’s ben ik beetje bij beetje steeds opener over mijn eigen ervaring. Gelukkig zien ook zij het als meerwaarde en stimuleren zij mij juist om mijn ervaring in te zetten tijdens de preventiecursussen. Het bewijs is een super lieve kerstkaart dat ik kreeg met de tekst: “We zijn zo blij dat je bij ons stage bent komen lopen. Door je persoonlijke, verdrietige, verhaal, kun jij onze kinderen juist veel kracht bieden!” Dan heb je toch een top stageplek getroffen?!?!

Zelf merk ik dat ik door mijn ervaring een sterk analytisch vermogen heb; observeren en signaleren zijn sterke kanten van mij. Door de scherp afgestelde antennes die ik vroeger nodig had om de sfeer in huis aan te voelen en me zo nodig terug te trekken, voel ik nu (op stage) sneller aan wie in een groep zich niet goed voelen of zich anders gedragen. Ook trekken de stille- en teruggetrokken kinderen sneller naar mij toe dan naar sommige andere collega’s, omdat zij het waarschijnlijk als prettig ervaren dat ik zelf ook introvert ben en stil/rustig overkom. Zo is het voorgekomen dat kinderen die bijna nooit wat zeggen, wel met mij ineens een gesprek aangaan. Ook zie ik de stille kindjes minder snel over het hoofd dan collega’s; ik was immers zelf ook een stil- en teruggetrokken kind, dus ik herken bijvoorbeeld dat zij zich onzichtbaar kunnen maken in een groep.
Best wel toffe voordelen van zelf een moeilijke thuissituatie te hebben gehad, toch?
Toch zal ik realistisch moeten blijven kijken naar mijn gezondheid en functioneren; ik heb niet voor niets vertraging opgelopen tijdens mijn studie. Het volgen van een opleiding is door het ziek zijn erg zwaar. De mogelijkheid dat ik door mijn gezondheid (nog) niet in staat ben te werken na mijn studie, moet ik helaas in mijn achterhoofd houden…

depressiegala-foto

Morgen is het Depressiegala. Een evenement waar ik vorig jaar aanwezig was terwijl ik mijn diagnose (zware, chronische depressie) met mij meesleepte. Dit jaar ben ik aanwezig zonder zware depressie, dus de enige vorm van slepen dat je morgen zal kunnen zien, zal de sleep zijn van mijn galajurk. Mocht je mij morgen spotten (met mijn vriendlief), kom gerust gedag zeggen! Je kunt mij herkennen aan de glimlach op het gezicht.

depressiegala

The comeback-tour

Na lang niets te hebben geschreven vond ik het wel weer eens tijd worden. Zoals ik heb medegedeeld op Twitter, schrijf ik tijdelijk een stuk minder vanwege het lopen van een fulltime stage in de psychiatrie. Jep, (oud-)cliënt goes hulpverlener. Hier volgt een update-achtig schrijfsel over wat ik tegenwoordig zoal doe. Past ook wel in de trend van het afgelopen jaar evalueren zo tegen oud-en-nieuw aan… Ben ik toch nog hip. Of was het juist cliché? Hoe dan ook, daar gaat ie…

Wat ik tegenwoordig zoal doe?
In ieder geval niet in bed liggen. Tenminste, niet de hele tijd. Afgezien van het hebben van de griep de afgelopen weken, heb ik de laatste helft van 2016 maar weinig tijd in bed doorgebracht. Dat was in het begin van het jaar wel anders. Ik had een zware depressie (niet om te overdrijven, maar zo heet dat klinisch) en lag de hele dag in bed. Lichamelijke inspanning kostte enorm veel moeite en ik voelde me zo diep ongelukkig, dat eten of drinken uit de keuken pakken het eigenlijk ook allemaal niet waard was. Ik ging aan de Venlafaxine (een antidepressivum) in de hoop dat het me er weer bovenop zou helpen, of daarbij in ieder geval een steuntje in de rug kon geven. Helaas namen de suïcidale gedachten alleen maar toe en leek ik me – hoewel ik niet dacht dat het nog mogelijk was – fysiek en mentaal nóg slechter te gaan voelen. In deze periode, rondom mijn verjaardag, schreef ik dan ook over mijn suïcidale gedachten in ‘Lang zal ze leven?‘.

you-got-out-of-bed-when-u-spend-48-hours-2490626Toen ik stopte met de antidepressiva ging het langzaam aan steeds iets beter. De afbouwperiode was erg zwaar en ik ging me nóg slechter voelen, maar toen de lichamelijke klachten afnamen leek het alsof ik mentaal ook weer wat opknapte. Ik kreeg steeds meer energie en kon er dus ook steeds meer op uit. Daar voelde ik dan ook steeds meer voor. Mensen in mijn omgeving lieten weten dat ik er beter uit zag. Tijdens het antidepressiva gebruik vonden zij mij er grauw uitzien en vonden zij mij erg vlak (‘als een zombie’). Ondanks deze zware depressie is het me wel gelukt mijn vierdejaars minor van de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) af te ronden. Daar ben ik dan ook erg trots op! Mijn scriptie en overige vakken heb ik jammer genoeg nog niet kunnen afronden  doordat ik in die periode de energie niet meer had om naar school te gaan…

Tegen de tijd dat ik me beter ging voelen brak de zomervakantie aan. Mijn energie was terug, maar mijn dagbesteding was dus op vakantie. Ter verduidelijking: vanaf mijn 19e ben ik arbeidsongeschikt verklaard en ontvang ik een Wajong uitkering. Werken naast het studeren is voor mij te zwaar, maar werken in de zomervakantie ging ook niet omdat ik uit ervaring weet dat ik dan zoveel op mijn Wajong gekort zou worden, dat ik niet meer rond zou kunnen komen. Toen ik 19 was, wilde ik nog naar de kleinkunstacademie en actrice/zangeres worden. Ik schreef me in bij een castingbureau en heb me eigenlijk nooit uitgeschreven. Zo kwam het dat ik deze zomer een keer reageerde op de oproepen die ik wel eens per mail binnenkreeg en toen zomaar in een film of reclame terecht kwam als figurant. Een leuk bijbaantje én dagbesteding, waarmee ik niet in de problemen kwam met mijn financiën. Ik had trouwens liever vrijwilligerswerk gedaan, maar dit bleek erg lastig te vinden voor alleen een zomermaand en niet te intensief. Het was immers wel de bedoeling dat ik on-uitgeblust weer aan de studie zou gaan.

Stagiaire Lyka
De zomer lang had ik de tijd om na te denken over ‘hoe nu verder’…
Ik besloot dat ik mijn derdejaarsstage (waarvan de vorige één van de oorzaken is geweest van de depressie), wilde gaan inhalen. Hiervoor moest ik het hele derde jaar opnieuw doen volgens de regels van school. Ik wilde immers echt niet mijn stage verlengen bij mijn vorige stageplek; dat ging ook niet eens meer omdat ik er totaal doorheen zat, burn-out-achtige klachten kreeg en voor mijn gezondheid moest kiezen.
Toch vond ik dat ik me goed genoeg voelde om opnieuw de uitdaging aan te gaan en te gaan solliciteren voor een nieuwe derdejaarsstage plek in de psychiatrie. Ik ging een beetje rondneuzen op de vacaturebank van mijn opleiding en vond daar tot mijn verbazing een hele leuke omschrijving van een stage in de GGZ. Dit was in een periode dat de meeste stageplekken al vergeven waren… Ik stuurde whats-meant-to-bediezelfde week nog een sollicitatiebrief en werd kort daarna al op gesprek uitgenodigd. Na het gesprek belde ik mijn vriend om te vertellen hoe het was gegaan, om nadat ik had opgehangen erachter te komen dat ik een gemiste oproep en een voicemail had. Ik natuurlijk ‘als een gek’ terugbellen om te horen dat ik was aangenomen! Mijn enige en eerste keuze voor een stageplek. Ik geloof niet zo in die dingen, maar dit voelde toch wel een beetje meant to be.

Hoe het is om als (oud-)cliënt stage te lopen in de psychiatrie (bij nota bene een instelling waar ik zelf in behandeling was), verdient een geheel eigen blogpost, dus ik zal er nu niet veel op in gaan.
Korte samenvatting: ik loop stage bij een afdeling voor jeugdpreventie van een GGZ instelling. Mijn werkzaamheden zijn om cursussen te geven aan KOPP-kinderen (kinderen van ouders met psychische problemen) en stil- en teruggetrokken kinderen (ter preventie van het ontwikkelen van angst- en/of depressieve stoornissen). Ik behoed kinderen dus voor het ontwikkelen van ernstige psychische problemen, door hen o.a. tools te leren om met een spanningsvolle thuissituatie te kunnen omgaan en bijv. te werken aan een positief zelfbeeld. Wie mijn blog al langer volgt, weet dat ik zelf ook een KOPP-kind ben (zie ‘Slecht gehecht?‘). Ook was ik als kind stil en teruggetrokken zoals je hebt kunnen lezen. Ik zie dan ook vaak kinderen tijdens de cursussen waarin ik mezelf of mijn gedrag als kind ontzettend kan herkennen. Verder is mijn praktijkbegeleider naar de kinderen erg open over zijn eigen ervaring als KOPP-kind. Gezien ik een leerlijn volg waarbij ik mijn ervaringskennis leer inzetten, komt dat ook allemaal wel erg mooi en toevallig uit.

Overige Lyka
workNaast stagelopen, moet ik bekennen dat ik vrij weinig doe. Het is dan ook wel erg intensief: ik maak dagen van half 9 tot 6 en ben dan tussen half 7 en 7 uur ’s avonds pas thuis. Dit 4 dagen in de week, met op de 5e dag van half 9 tot 5 les op de opleiding. De weekenden zijn dus voor… huiswerk, toetsen voorbereiden en werken aan mijn stageportfolio.
Een rijk sociaal leven zit er momenteel dus niet zo in, maar afgezien van het energie- en tijdsgebrek zit dat er bij mij met mijn sociale fobie sowieso niet zo in. Toch doe ik mijn best om zo nu en dan toch nog ’s avonds of in het weekend met vriendinnen af te spreken of erop uit te gaan met mijn vriend. Die verdient ook nog aandacht namelijk. Het bandje staat even helemaal stil; geen tijd en energie voor. Zelfs winkelen kom ik niet meer aan toe. Meer ‘hobby’s/bezigheden’ heb ik dan ook niet…
Oh ja, dit jaar ook nog slecht nieuws gehad: mijn vader blijkt longemfyseem te hebben. Na verder onderzoek is gebleken dat het gelukkig nog niet in een vergevorderd stadium is, maar desondanks wel zorgelijk en het roept redelijk wat herinnering op aan het ziekbed van mijn moeder, al probeer ik het op het moment te zien als een zorg voor later en het te blijven relativeren.

dont-worryMet alles wat speelt, is het dus belangrijk om goed voor mezelf te blijven zorgen. Ik merk namelijk dat ik redelijk wat stress ervaar door stage en de schoolopdrachten, ondanks dat ik ook veel plezier haal uit mijn stage. Het voelt als een zware druk dat er zoveel verwacht wordt qua prestatie aan verslagen e.d., maar ook dat ik beoordeeld word op mijn functioneren als hulpverlener in opleiding in de praktijk. Dit zorgt voor redelijk wat piekeren en een erg aanwezige dictator. Nu ga ik na de kerstvakantie een cursus geven aan jongeren om piekeren tegen te gaan, dus wellicht steek ik er zelf ook nog wat van op. Gelukkig heb ik van stage deze week een weekje vrij gekregen. Even bijkomen en proberen de zorgen los te laten. Dit blijkt toch best lastig.

Tot zover mijn jaar-overzicht-schrijfselding. Aan goede voornemens doe ik niet, dus ik wens bij dezen iedereen een gezond en vooral gelukkig 2017. Ik proost opdat het stigma minder (minder! minder!) mag worden en de openheid groter. Proost.

happy-new-year

De EMDR-sessies (deel 2)

Een paar weken terug zijn we in therapie gestart met Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) om ervoor te zorgen dat ik geen last meer heb van beelden, herbelevingen en heftige schrikreacties. Het zien of horen van ambulances, ziekenhuis- of begrafenis scènes op televisie en lijkwagens, triggeren deze reacties bij mij omdat ik last heb van een posttraumatische stress stoornis (PTSS). In dit vorige artikel kun je lezen hoe de eerste sessie is gegaan. Het artikel dat je nu leest zal gaan over de tweede sessie.

Er zit een flinke tijd tussen het schrijven over de eerste en tweede sessie, terwijl er in werkelijkheid maar een tijdspanne van een week tussen deze sessies zat. Toch wil ik nog schrijven over deze sessie. Hier volgt een update:
(Nog even waarschuwing vooraf: ik beschrijf in dit artikel gedetailleerd een beeld met betrekking tot het overlijden van mijn moeder, gezien dat van mij werd gevraagd tijdens de EMDR sessie. Ik raad aan niet verder te lezen als je zelf ook gevoelig bent voor dit soort beelden.)

Terugkijken
Op de vraag hoe het in de tussentijd is gegaan, antwoordde ik dat ik al wat heftiger leek te reageren op o.a. ambulances. De ‘vier elementen-oefening’ had ik thuis nog één of twee keer gedaan, maar het vaker oefenen hiervan schoot er een beetje bij in. Een verklaring hiervoor had ik niet. Vergeetachtigheid? Uitstellen? Vermijding? Zou allemaal kunnen.
moving forward by looking backWe spraken af dat we voorafgaand aan de EMDR eerst de vier elementen-oefening zouden doen. Verder gaf ze aan dat ze tijdens de EMDR wat anders zou reageren dan ik van haar gewend ben van de reguliere therapie-sessies. Ze vertelde dat ze wat kortaf zou reageren en ook niet veel zou ingaan op wat ik zei, omdat ze mij bij het EMDR-proces niet te veel mag afleiden. Het was fijn dat ze dit aangaf, aangezien ik mezelf (en mijn dictator) er wel voor aan zie om zoiets persoonlijk aan te trekken. Nu was het zaak om de beelden/herinneringen te inventariseren waar ik last van heb en te beoordelen welk beeld we vandaag zouden behandelen. Ik koos voor de herinnering die ik nog regelmatig herbeleef, aangezien die mij nog het heftigste leek en daardoor de meeste noodzaak had om vanaf te komen.

Ik nam plaats op de stoel, terwijl mijn therapeute de iPad klaar voor opname maakte. Deze sessie zou namelijk wel worden opgenomen ten behoeve van supervisie. Toen zij naast mij plaatsnam, gingen van start met het doen van de vier elementen-oefening. Even raakte ik afgeleid door de iPad, maar al heel snel vergat ik het hele ding en het feit dat ik werd opgenomen. Vervolgens gaf ze uitleg over hoe de EMDR in zijn werk zou gaan. De bedoeling was dat ik zou denken aan een beeld terwijl ik haar vingers met mijn ogen zou blijven volgen. Dan zou ze mij vragen wat er bij mij opkomt. Ook zou ze regelmatig vragen hoe sterk het beeld nog is op een schaal van 1 tot 10. Dit zouden we blijven herhalen. Belangrijk om te weten was dat er geen goed of fout bestaat bij wat er bij mij opkomt.

Vingervlug
e2335ccb61b256407c63af32cd9a696cAls eerst moest ik de situatie tot in detail vertellen. Het beeld begint bij het moment dat ik uit de auto van mijn neef stap en het ziekenhuis in ren, door de hal, langs de receptie, naar de lift. Aangekomen op de derde etage begin ik weer te rennen, sla op de rode knop zodat de elektrische deuren openen en ren over de afdeling richting haar kamer. Als de kamer in zicht komt, zie ik de deur op een kier staan. Ik gooi de deur open en zie haar direct liggen in bed in een onnatuurlijk houding. Haar ogen dicht en haar handen op haar buik. Zonder erbij na te denken stort ik me bovenop haar in een omhelzing en begin op haar borstkas ontzettend te huilen. Het deed me niets dat er in de kamer nog andere mensen waren.
“Wat is het heftigste beeld in deze situatie?”, vroeg mijn therapeute.
Ik antwoordde dat het beeld van mijn moeder, levenloos in bed, het meeste met me doet om voor me te zien.
“Wat doet het beeld precies met je?”
“Ik vind het eng mijn moeder zo te zien en ik voel me schuldig dat ik er niet was toen ze overleed.”
“Hoe naar is het beeld om naar te kijken op een schaal van 1 tot 10?”
“Een 9.”,
antwoordde ik.
“Concentreer je op het beeld en de bijbehorende angst en het schuldgevoel, terwijl je mijn vingers volgt.”
Al snel begonnen de tranen over mijn wangen te stromen en ik merkte dat ik sneller ging ademen. Een paar minuten geleden vertelde ik nog redelijk neutraal over de situatie. ‘Helaas’ begon ik nu wel te voelen.
“Wat komt er in je op?”
“Ik voel me angstig. Ik streel over mijn moeders arm en houd haar hand vast. Ze zei de dag ervoor dat ze dat fijn vond. Haar hand begint steeds kouder aan te voelen.”
“Houd dat beeld vast.”
Een nieuwe set van de handbeweging volgde.
“Wat komt er nu in je op?”
“Ik word omhelsd door mijn tante die nu ook de kamer is binnengekomen, maar vind het niet fijn.”
“Richt je op dat beeld.”
Weer de handbeweging.
“En nu?”
“Een arts vraagt of mijn vader met hem mee wil komen. Mijn vader vraagt mijn oom mee en ik zeg dat ik ook mee wil.”
“Hoort dit bij het beeld of is dit een ander beeld?”
“Een ander beeld.”
“Oké, ga nog even terug naar het beeld van je moeder in het ziekenhuis bed. Ben je terug bij dat beeld?”
Ik knikte.
“Hoe naar is het beeld om naar te kijken op een schaal van 1 tot 10?”
“6”
“Oké, gaan we weer.”
Ik volgde weer haar vingers.

Na een aantal keer bovenstaande te hebben herhaald, vroeg mijn therapeute weer:
“Wat komt er nu in je op?”
Na even nadenken antwoordde ik: “Niets.”
“Hoe naar is het beeld op een schaal van 1 tot 10?”
“1”, antwoordde ik verbaasd.
“Gezien de tijd lijkt dit me een goed moment om zo meteen voor vandaag af te ronden. Neem het beeld nogmaals voor je en houd de gedachte ‘Ik kan het aan’ hierbij vast.”
Het duurde even, maar uiteindelijk voelde de gedachte ‘Ik kan het aan’ bijna reëel. Gelukkig hoefde deze gedachte op een schaal van 1 tot 10 nog geen 10 te zijn voordat we konden stoppen.

Evalueren en sessie #3
1_chairNa deze pittige tweede sessie namen we weer plaats in de ‘reguliere therapie’-stoelen bij het raam. We praatten nog even na over hoe ik het vond en hoe ik me nu voelde. Ik gaf aan dat ik het intensief vond en erg moe was. Ze vroeg naar mijn plannen voor de rest van de dag en ik merkte dat het vertellen hiervan fijne afleiding was. Ik had mijn vriend namelijk gevraagd thuis te blijven en samen met mij afleiding te zoeken. Best een grote stap voor iemand die zelden hulp vraagt.
Toen ik een week later de kamer inliep voor sessie nummer 3, stonden de stoelen en de iPad al klaar. Op de vraag hoe ik erbij zat, antwoordde ik zo gauw als ik kon dat het niet zo goed ging en dat ik twijfelde of ik wel door moest gaan met de EMDR. Ik had die week namelijk veel last gehad van heftige reacties op ambulances en kon nauwelijks tv kijken doordat ik vaak getriggerd werd door bepaalde beelden. Vooral het zien van dode mensen was een grote trigger en zorgde voor een herbeleving en/of huilbui. Ook had ik veel last van angst dat mijn vriend iets zou overkomen. Ik kreeg dan ook steeds vaker dromen waarin familieleden overlijden. Door dit alles en het ontbreken van een dagbesteding (en dus afleiding), vond ik het steeds lastiger alleen thuis te zijn. Deze dagbesteding ontbreekt doordat ik tijdelijk niet heb kunnen studeren vanwege een depressieve periode, de start van de zomervakantie en doordat ik niet kan werken i.v.m. mijn Wajong uitkering. Het vinden van passend vrijwilligerswerk is tot nu toe nog niet gelukt. Afspreken met vrienden was ook lastig omdat zij vaak niet konden vanwege werk en/of andere plannen.
Uiteindelijk begonnen suïcidale gedachten toe te nemen, omdat alle gevoelens steeds minder draaglijk werden. De conclusie was: de EMDR is op deze manier lastig vol te houden door gebrek aan afleiding/dagbesteding en steun van mijn omgeving.

“Weet je nog hoe je het de vorig keer hebt volgehouden?”, vroeg mijn therapeute. Ik dacht diep na. Tegelijkertijd zeiden we: “Nee, toen had ik nog minder steun vanuit mijn omgeving” en “…want volgens mij had je toen nog minder steun vanuit je omgeving dan nu.”
“Inderdaad, geen idee hoe ik dat toen heb volgehouden”
, zei ik.
Mijn therapeute stelde voor om wel EMDR te doen, maar ik weet niet meer precies wat het voorstel was. In ieder geval zouden we niet het beeld van vorige week nemen. Misschien was het weer de veilige plek of het focussen op de gedachte ‘Ik kan het aan’.
Ik stemde hiermee in, maar net toen we zouden opstaan sprongen de tranen in mijn ogen. Zelfs dat durfde ik niet. Het voelde alsof ik mezelf nog net staande kon houden en als we weer EMDR zouden, was ik bang dat ik zou instorten.
We spraken af dat we de EMDR voor vandaag in ieder geval zouden laten zitten. Ik voelde me direct opgelucht. Wel zei ze nog: “Ik heb er trouwens nog over nagedacht en wilde je wat voorleggen. Voor de eventuele volgende keer lijkt het me handig de situatie te behandelen waar de ambulance-trigger door is ontstaan. Wat vind jij daarvan?”
“Dat is inderdaad misschien beter. Dat beeld is volgens mij ook wat minder heftig dan het beeld dat we hiervoor hebben gedaan”, antwoordde ik.

“Waar moet het nu over gaan?”, vroeg ze.
Ik herinnerde me dat ik de vorige sessie al eindigde met “1” met hoe heftig ik het beeld ervoer op een schaal van 1 tot 10. Toch klopte dat niet, omdat ik eenmaal thuis juist erg veel last had van datzelfde beeld. Bij elk lijk dat ik op tv zag, schoot ik bijna weer in een herbeleving. Ik vertelde haar dat ik volgens mij dissocieerde en daardoor even niets meer voelde. Dat ik dus bij die window of tolerance (zie deel 1 voor uitleg) over de ondergrens was geschoten. “Dat zou heel goed kunnen”, zei ze.
(Doordat ik even niet voelde heb ik overigens ook het heftige beeld in deze blog kunnen beschrijven.)
“Aan de ene kant was het fijn, om even niets meer te voelen tijdens de EMDR; een soort pauze. Aan de andere kant heb ik nu zoiets: zo schiet het voor geen meter op. Ik moet juist voelen wil de therapie werken.”, vertelde ik.
Ze glimlachte. “Zo werkt het helaas niet. Als je even niets meer voelt, dan voel je even niets meer. Dat hoort bij het stuk: het maakt niet uit wat er in je opkomt. Er is geen goed of fout. Maar je bent zeker niet de enige die zich daar druk om maakt. Ik heb wel eens gehad dat ik bezig ben met de handbeweging en dat iemand zich naar mij toe buigt en vraagt: ‘Doe ik het zo goed?’.”
Ik zag het voor me en schoot in de lach. Beetje bij beetje voelde ik me wat meer ontspannen.
carry on
Sessie #3 en sessie #4 hebben tot op heden dus nog niet plaatsgevonden. Een week later stond er geen iPad meer op tafel en stonden er geen stoelen klaar. We spraken af dat we ons eerst zouden richten op het vergroten van mijn ‘steunnetwerk’, voordat we de EMDR zouden voortzetten. Bovendien zou mijn therapeute bijna met vakantie gaan. Zelf zou ik dan ook vakantie hebben, dus daar wilde ik van kunnen genieten. Daarbij ga ik in september starten met een voltijd stage van 10 maanden en 4 dagen in de week bij een GGZ instelling. Dan kan ik het me niet veroorloven om nog midden in een EMDR proces te zitten.
Maar ach, de PTSS loopt niet weg. Deed het dat maar, dat zou me wel van pas komen. 🙂

Wordt dus vervolgd…

De EMDR-sessies (deel 1)

Vrijdag zijn we in therapie gestart met Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) om ervoor te zorgen dat ik geen last meer heb van beelden, herbelevingen en heftige schrikreacties. Het zien of horen van ambulances, ziekenhuis- of begrafenis scènes op televisie en lijkwagens, triggeren deze reacties bij mij omdat ik last heb van een posttraumatische stress stoornis (PTSS). In dit vorige artikel kun je lezen wat een PTSS precies is en hoe het tot stand kan komen. Het artikel dat je nu leest zal gaan over de EMDR behandeling waarmee ik kort geleden ben begonnen. In dit deel wordt de eerste sessie uiteengezet.

Zenuwen

red carKen je dat fenomeen waar je na het kopen van een rode auto overal rode auto’s op straat tegenkomt? Of dat wanneer je zwanger bent je overal baby’s of andere zwangere vrouwen lijkt te zien?
Sinds mij een paar weken geleden werd voorgesteld om de behandeling EMDR weer te gaan proberen en ik daarover zou nadenken,  leek het wel alsof ik in plaats van rode auto’s alle ambulances van Amsterdam en omstreken ben tegen ben gekomen. Zelfs toen we vorige week de Grote Markt in Antwerpen opliepen om de wedstrijd België – Italië te gaan kijken stond daar pontificaal, onder het grote scherm, jawel: een Belgische ambulance. Helaas leek deze ook nog eens erg op een Nederlandse. Zelfs mijn vriend zei op dat moment: “Ze moeten je wel hebben hè?” (Het gaat er nog niet helemaal in dat ambulances HULPdiensten zijn, gezien mijn lichaam op het zien of horen reageert alsof er gevaar dreigt.)

Toen mijn behandelaar mij afgelopen vrijdagochtend vroeg hoe ik erbij zat, vertelde ik dat ik nog steeds somber ben en slecht slaap de laatste tijd. Ook vertelde ik dat ik meer last lijk te hebben van de PTSS, maar dat het zou kunnen komen vanwege het gaan starten met de EMDR behandeling. Door mezelf nerveus te maken over de EMDR, denk ik automatisch aan de beelden die we zullen gaan behandelen. Ondanks dat mij is uitgelegd dat tijdens de eerste sessie nog geen trauma’s zullen worden behandeld, was ik alsnog misselijk van de zenuwen.
Ze vertelde dat we eerst zouden beginnen met wat uitleg over reacties op stress, om vervolgens een oefening te gaan doen om te kunnen ontspannen, wat tevens zou kunnen helpen wanneer heftige gevoelens opspelen tijdens het denken aan de beelden.

EMDR

Wat EMDR precies is en hoe het werkt hebben we deze eerste sessie overgeslagen. Ik heb immers al eerder een EMDR behandeling gehad. Hieronder volgt een beknopte samenvatting:

“EMDR werd meer dan 25 jaar geleden voor het eerst beschreven door de Amerikaanse psychologe Francine Shapiro. Vervolgens werd deze procedure verder uitgewerkt en ontwikkeld tot een volwaardige en effectieve therapeutische methode voor mensen die last blijven houden van de gevolgen van een schokkende ervaring.

Hoe ziet EMDR eruit?
De therapeut zal vragen aan de gebeurtenis terug te denken, inclusief de bijbehorende beelden, gedachten en gevoelens. Eerst gebeurt dit om meer informatie over de traumatische beleving te verzamelen. Daarna wordt het verwerkings-proces opgestart. De therapeut zal vragen de gebeurtenis opnieuw voor de geest te halen. Maar nu gebeurt dit in combinatie met een afleidende stimulus. In veel gevallen is dat de hand van de therapeut (zie bovenste afbeelding). Er wordt gevraagd het hoofd stil te houden en alleen met de ogen de vingers van de therapeut te volgen. Het is ook mogelijk te werken met geluiden die door middel van een koptelefoon afwisselend links en rechts worden aangeboden (zoals ik dat bij de vorige keer EMDR kreeg), maar uit onderzoek is inmiddels gebleken dat het aanbieden visuele stimuli effectiever zou zijn.
Er wordt gewerkt met ‘sets’ (= series) stimuli. Na elke set wordt er even rust genomen. De therapeut zal de cliënt vragen wat er in gedachten naar boven komt. De EMDRprocedure brengt doorgaans een stroom van gedachten en beelden op gang, maar soms ook gevoelens en lichamelijke sensaties. Vaak verandert er wat. De cliënt wordt na elke set gevraagd zich te concentreren op de meest opvallende verandering, waarna er een nieuwe set volgt.

Hoe werkt het?
Een verklaring voor de werkzaamheid van EMDR is dat het terugdenken aan een nare herinnering in combinatie met het maken van oogbewegingen ervoor zorgt dat het natuurlijk verwerkingssysteem wordt gestimuleerd. Omdat een traumatische herinnering wanneer deze in gedachten wordt genomen zowel levendig als intens is, kost dit betrekkelijk veel geheugencapaciteit. Maar het zo snel mogelijk volgen van de vingers van de therapeut, zoals dat bij EMDR gebeurt, kost ook geheugencapaciteit. Door deze concurrentie van werkgeheugentaken is er weinig plaats voor de levendigheid en de naarheid van de herinnering. Dit biedt de patiënt de mogelijkheid om een andere betekenis aan de gebeurtenis te geven.”

Bron: Vereniging EMDR Nederland


Window of tolerance

Het volgende figuur werd op de flap-over getekend:

window of tolerance

Mijn behandelaar legde uit de window of tolerance wordt gebruikt om de werking van stress uit te leggen. Binnen de ‘window’ in het middelste gedeelte, de optimale arousal zone, zit iemand in wanneer het goed lukt om na te denken en bewust te handelen ondanks stressvolle situaties. Dit is de zone waarin EMDR effectief is; er is dan mogelijkheid tot ‘zelfgenezend vermogen’.
Wanneer iemand uit het kader naar boven schiet, komt diegene in de overlevingsstand, de hyperarousal zone, terecht. Vanuit de evolutie zijn er net als bij dieren, drie instinctieve reacties die mensen laten zien wanneer er gevaar dreigt; vechten, vluchten of bevriezen. (Ook wel bekend als de fight, flight en freeze responses.) Bij deze reacties wordt er niet bewust gehandeld; het lichaam reageert instinctief.
In het bovenste gedeelte, in de hyperarousal zone, bestaan de instinctieve reacties vooral uit vechten of vluchten. Bevriezen, dissociëren of flauwvallen, vindt plaats bij de ondergrens, oftewel de hypoarousal zone. In dat geval zakt iemand snel van de bovengrens naar de ondergrens en is het alsof diegene even op stand-by staat. Ook hier is er tijdelijk geen cognitief vermogen en ook dit is vanuit de evolutie een effectieve manier om te overleven. Denk aan ‘dood spelen’ om zo roofdieren te misleiden om op het juiste moment alsnog te kunnen vluchten.

Iemand die getraumatiseerd is, heeft een kleinere window of tolerance; de bovengrens en ondergrens liggen dichter bij elkaar waardoor er minder ruimte is voor de optimale arousal zone. Door middel van EMDR is het de bedoeling de window of tolerance te vergroten, want het is voor mensen veel effectiever om eerst na te denken en daarna te reageren. Zo voorkom je in de overlevingsstand te schieten, terwijl er geen reële dreiging is van gevaar.

Doordat ik 8 jaar geleden al eens EMDR heb gehad, is mijn window of tolerance al wat groter geworden. Wanneer ik in een herbeleving zit of beelden voor me zie, kan ik namelijk bedenken dat het niet echt plaatsvindt en dat ik dingen zie van vroeger.
Voorheen was het erg moeilijk om uit een herbeleving te komen, of om door het zien van beelden niet in een herbeleving te schieten. Al is het in mindere mate, nog steeds heb ik regelmatig last van beelden en herbelevingen. Hierbij heb ik ook vaak lichamelijke reacties zoals verstijven en trillen. Na een herbeleving volgt bij mij vaak een huilbui. Soms kan ik ook last hebben van dissociëren. In therapie heb ik wel eens dat wanneer ik aan het vertellen ben of nadat mij een vraag is gesteld, het ineens blanco wordt in mijn hoofd. Het lukt dan niet meer goed om na te denken, waardoor het moeilijk is het gesprek te vervolgen. Ik weet niet meer wat ik wilde vertellen en het lukt niet om antwoord te geven op vragen. Ook lijk ik dan geen emotie te voelen. Inmiddels kan ik er wel woorden aan geven wanneer dit gebeurt door te zeggen dat het niet lukt om na te denken, maar vroeger was ik alleen maar stil en voor me uit aan het staren, zoekend naar woorden. Iets wat erg het geduld van mijn groepsgenoten in groepstherapie op de proef stelde en ook erg lastig moet zijn geweest voor behandelaren.
Hopelijk lukt het ook nu door middel van EMDR om mijn huidige klachten te verminderen.

Ontspanning

namas'tay in bedVroeger had ik veel moeite met ontspanningsoefeningen. Ik vond het maar zweverig en het lukte ook nooit zo goed. Dit heeft denk ik enerzijds te maken met dat ik tijdens de oefeningen te zelfbewust ben en vooral bezig ben met; ‘wat ben ik in ’s hemelsnaam voor iets geks aan het doen. Het ziet er vast heel raar uit.’ Ook ben ik nou eenmaal altijd al een hardnekkige piekeraar geweest, waardoor mijn hoofd leeg maken een hele grote uitdaging is.
Ook ben ik wat nuchter. Als iets in mijn ogen ‘vaag’ of ‘zweverig’ wordt, voel ik veel weerstand opkomen. Mindfulness schijnt juist erg goed te zijn tegen piekeren en kan helpen om depressies te voorkomen, maar ondanks dat ik van zowel piekeren als depressies last heb, is mindfulness mij nog steeds te zweverig en iets waar ik nog weinig mee uit de voeten kan. Op het Depressiegala van 2015 zag ik trouwens een sketch van Marjolein van Kooten over mindfulness (met een rozijn), waar ik mezelf ontzettend in herkende.

Toch probeer ik er altijd wel voor open te staan. Zo heb ik mij moeten overgeven aan ontspanningsoefeningen bij mensendieck toen ik psychosomatische klachten kreeg ter gevolge van stress en chronische hyperventilatie. Het hielp! Blijkbaar had ik het nodig. Verder heeft het erg geholpen dat ik sinds mijn 18e een zangdocente heb die yoga-elementen in haar zanglessen integreert. Gezien mijn neiging tot piekeren en verkeerd ademen, doen we nog steeds standaard voor het inzingen een ontspanningsoefening waarbij ik soms zelfs op een matje op de grond moet gaan liggen. Wat ook scheelt is dat ik mij meer over mijn schaamte heen moet zetten bij de zangoefeningen dan bij de ontspanningsoefeningen. (Denk aan het nadoen van een brommer of een Teletubbie…)

Zo stond ik ook open om de vier elementen oefening te proberen. De oefening maakt gebruik van de vier elementen: aarde, lucht, water en vuur. Mijn therapeute vertelde dat ik deze oefening kan gebruiken om terug te keren in het hier-en-nu, maar ook om mij in stressvolle situaties te kunnen ontspannen.
We zouden één voor één de elementen afgaan:

Aarde
Neem even de tijd om te ‘aarden’ en terug te komen in het hier-en-nu. Plaats je voeten plat op de grond (of zorg ervoor dat in ieder geval je tenen de grond raken zoals in mijn geval), laat de stoel je gewicht dragen en kijk om je heen. Merk vervolgens in je omgeving 3 nieuwe dingen op die je nog niet eerder hebt gezien. Hoor je ook nog geluiden?

Lucht
Concentreer je op je ademhaling door je favoriete ademhalingsoefening te doen. Die van mij gaat als volgt: 

Mijn zangdocente noemt het: ‘Het Vierkant van Vertrouwen’. Deze oefening vind ik fijn, omdat het visualiseren van een vierkant ervoor zorgt dat ik mijn gedachten ergens op moet richten. Dit zorgt ervoor dat ik mijn concentratie niet verlies en daardoor minder de kans krijg om te piekeren.

Het vierkant ziet er als volgt uit:
vierkanteadem7Je kunt deze oefening met je ogen open of je ogen dicht doen.
Bij het inademen visualiseer je dat er zich een lijn vormt van links naar rechts. Het helpt om deze lijn met je ogen te volgen (lijkt trouwens al bijna op EMDR).
Zodra je klaar bent met inademen, vormt zich terwijl je je adem even vasthoudt zich een lijn naar beneden. Bij het uitademen loopt de lijn van rechts naar links, om bij het even in houden van de adem zich aan te sluiten bij de bovenste lijn.
Wees je ervan bewust dat ademhaling een natuurlijk proces is en vanzelf gaat. Wanneer je je adem vasthoudt, voel je vanzelf de aandrang om weer in- of uit te ademen. Door toe te geven aan deze aandrang, kun je je adem als het goed is steeds iets langer vasthouden. Wanneer je gespannen bent heb je de neiging om hoog en snel te ademen. Deze oefening kan helpen je ademhaling weer terug te brengen naar een rustiger tempo.

Water
Bij angst of stress krijg je meestal een droge mond. Dit komt doordat je lichaam bij gevaar reageert door je spijsverteringssysteem af te sluiten. Door bewust speeksel aan te maken, kun je er zelf voor zorgen dat je spijsverteringssysteem weer wordt geactiveerd. Hiermee trigger je ook het gevoel van ontspanning dat hiermee in verbinding staat.
Dit zou een reden kunnen zijn waarom mensen na een spanningsvolle ervaring een kop thee of een glas water wordt aangeboden.

Vuur
Denk hierbij aan een fijne herinnering of visualiseer je een plek waar je je veilig voelt. Wat voel je en waar voel je het in je lijf wanneer je hieraan denkt? (Shapiro, 2013)

Mijn veilige plek

De herinnering of ‘veilige plek’ die ik had uitgekozen past ook bij het element vuur, want het is ook letterlijk een plek van warmte. Kenmerkend voor mij is ook dat ik er ontzettend veel tijd in heb gestoken om er zo één te bedenken; de herinnering/visualisatie moet immers van goede huize komen om tegen de heftige beelden op te kunnen. Ook wist ik uit eerdere ervaring dat het mij veel tijd en moeite kost om een prettige herinnering te kunnen bedenken. Iets wat wellicht te maken heeft met de depressie die sterk is afgenomen, maar nog niet helemaal weg is.

Uit de vorige keren EMDR weet ik nog dat mijn behandelaar van toen benoemde dat het haar opviel dat ik het zo alleen heb moeten doen in alle situaties/beelden die we tijdens de EMDR behandelden. Inmiddels besef ik me dat dát inderdaad het gevoel van onveiligheid en paniek oproept. De gedachte: ik sta er alleen voor en weet niet wat ik moet doen, hoort bij vrijwel alle trauma’s.
in your arms chef specialSinds ik een relatie kreeg met mijn huidige vriend, begon ik te ervaren dat ik er minder alleen voor sta. Wanneer er zich heftige situaties voordeden heb ik ervaren een bondgenoot te hebben. Ook hebben wij elkaar kunnen steunen. Het enige wat ik dan ook kon bedenken bij mij veilig voelen is wanneer hij zijn armen om mij heen heeft. De avond voor de eerste EMDR sessie lag ik in zijn armen tv te kijken en had dan ook een soort eureka-moment; Verrek, ik voel me nu veilig!

Installeren
Aangekomen bij het element vuur moest ik dus aan dit moment terugdenken. Mijn therapeute vroeg of ik het moment voor me zag. Toen ik knikte zei ze dat ze de handbeweging zou gaan doen en dat ik met mijn ogen haar vingers mocht volgen.
Van de vorige keer EMDR wist ik dat ik moeite had met de handbeweging en dat de koptelefoon met klikjes mij gemakkelijker afging. Bij het luisteren kon ik namelijk mijn ogen dichtdoen en bij de handbeweging zat ik op een gegeven moment de hele tijd naar de leuke oorbellen van mijn vorige therapeute te kijken. Gelukkig zat mijn therapeute nu niet tegenover me zoals op de animatie bovenaan dit artikel, maar zaten we in een andere opstelling. De stoelen stonden naast elkaar, maar de één keek uit op het raam en de ander keek uit op de deur, dus keken we beiden een andere kant uit. Doordat ze naast me zat, kon mijn therapeut gemakkelijk de handbeweging van dichtbij uitvoeren, terwijl ik verder niet door haar afgeleid werd.
De veilige plek werd op deze manier bij mij geïnstalleerd.

Vervolgens moest ik aan een situatie denken waar ik mee wil leren omgaan. Het leek me het makkelijkst om te starten met het zien van een ambulance, omdat mij dat dagelijks vaak overkomt wonend in Amsterdam.
“Wat heb je nodig om die situatie te kunnen doorstaan?”, was de vraag.
“Wilskracht en moed”, antwoordde ik.
“Denk aan een situatie waarin je het meeste moed en wilskracht heb getoond.”
Hier ging het al mis, want ik kwam direct terecht bij een situatie dat te maken had met het overlijden van mijn moeder en voelde de tranen al in mijn ogen branden. Ik twijfelde of deze situatie dan ook voldeed, dus probeerde ik op aanraden van mijn behandelaar een andere, meer recente situatie te bedenken.
“Denk aan iets wat je recent bent aangegaan en waar je moed voor nodig had”.
Aan het begin van de sessie vertelde ik nog over het sollicitatiegesprek voor mijn stage en dat ik tot mijn verbazing was aangenomen.
“Dan denk ik aan het sollicitatiegesprek. Ik was hierbij ook misselijk van de zenuwen, maar ik ben toch gegaan wat goed heeft uitgepakt.”, zei ik. 

“Mooi, haal deze situatie voor je en vertel wat je om je heen ziet en hoort.”

Ik beschreef de kamer.
“Waar voel je in je lijf de wilskracht en moed?”, was de volgende vraag.
Na lang nadenken antwoordde ik voorzichtig: “in mijn armen?”  Ik had namelijk de neiging om mijn vuisten te ballen en vond dit wel een beeld dat zou kunnen horen bij vastberadenheid.
“Denk nu aan deze situatie en voel de wilskracht in je armen.”
Ze deed weer de handbeweging.
“Wat gebeurt er nu?”, vroeg ze toen ze klaar was.
Ik merkte op dat ik me wat zelfverzekerder voelde.

“Wat voor kwaliteit moet je in huis hebben om het beeld van de ambulance te kunnen doorstaan?”
Ik dacht na, maar er kwam niets anders in mijn hoofd op dan ‘gezond zijn’. Ietwat te rationeel misschien, maar de meeste mensen hebben gewoonweg weinig last van iets bij het zien of horen van een ambulance. Zij zijn gezond want zij hebben geen PTSS. 
“Oké, houd dat zelfverzekerde gevoel vast en zie de ambulance voor je. Je bent een gezond mens en kan het beeld van een ambulance aan.”
De handbeweging volgde weer en we herhaalden dit twee keer.

Ik merkte op dat ik me al iets beter voelde, maar dat het wel moeilijk bleef.
Bij de herhaling veranderde er weinig.

the past 2Afsluiting

We evalueerden kort de sessie. Mijn behandelaar vatte samen dat ik het zien van een ambulance iets beter  kon doorstaan, maar dat het nog niet is wat het zijn moet. Ik vertelde dat het mij vooral opviel dat ik het nog steeds erg moeilijk vond om te bepalen waar ik in mijn lijf bepaalde emoties voel. Verder vond ik de ‘elementenoefening’ de moeite waard om inderdaad vaker te doen, omdat ik het stukje ‘aarde’ eigenlijk al toepas wanneer ik in een herbeleving zit om weer in het hier-en-nu te komen. Ik kijk dan om me heen en zoek aangrijpingspunten in voorwerpen waarvan ik weet dat ze in de realiteit bevinden en niet in de situatie van toen. Dit heb ik geleerd toen ik tijdens een groepstherapie in een herbeleving schoot en de therapeute mij vroeg dit te doen. Hierdoor lukte het mezelf uit de situatie van toen te trekken en dat lukt nu nog steeds vaak. Die andere elementen helpen hier misschien ook bij bedacht ik me.
Mijn therapeute stelde daarom voor om de elementen oefening voorafgaand aan de EMDR sessies te blijven doen. Ook adviseerde ze om dit ook thuis te oefenen.

Toen ik na deze sessie op straat liep, voelde ik me gek genoeg vrij angstig. Dit terwijl we deze sessie juist vooral prettige beelden hebben behandeld. Morgen heb ik mijn tweede EMDR sessie. Tussen de sessies door heb ik gemerkt dat ik sneller emotioneel ben en een korter lontje heb. Ook heb ik al meer last gehad van beelden dan gewoonlijk en reageer ik heftiger op sirenes. Verder lijk ik al wat minder zenuwachtig dan de vorige keer. Waarschijnlijk omdat nu ik al wat meer weet wat ik kan verwachten.

Ik ga het meemaken morgen (en doorstaan). 🙂


Bronnen:
Vereniging EMDR Nederland
Shapiro, F. (2013). Je verleden voorbij. Je leven opnieuw in handen met de zelfhulptechnieken uit de EMDR-therapie. Apeldoorn: Maklu.

 

Op het netvlies gebrand

In mijn vorige artikel: ‘Echt, Hema?’, waarin ik beschreef hoe moederdag en de sterfdag van mijn moeder mijn posttraumatische stress stoornis (PTSS) triggeren, kondigde ik al aan dat ik later in een ander artikel wat dieper in zou gaan op deze angststoornis. Het is nu later en dit is dat artikel. Een andere reden dat ik hier nu over schrijf, is dat ik vandaag zal starten met een behandeling dat gericht is op het behandelen van PTSS, genaamd: ‘EMDR’. Dit omdat beelden van gebeurtenissen die jaren geleden plaatsvonden, nog steeds ‘op mijn netvlies staan gebrand’ en ik soms weer opnieuw beleef.

Beschadigd

‘Traũma’ is van oorsprong een Oudgrieks woord en betekent: verwonding. Ooit werden hier alleen lichamelijke verwondingen mee bedoeld, maar inmiddels is bekend dat er ook psychische verwondingen bestaan; psychotraumata.

invisible woundsEen psychotrauma kan ontstaan na het ervaren van een schokkende gebeurtenis. In veel gevallen zijn dit zeer ingrijpende, bedreigende en schokkende gebeurtenissen, die zorgden voor een gevoel van onveiligheid. Men schat dat ongeveer 80% van alle mensen gebeurtenissen meemaakt die als buitengewoon naar en heftig ervaren kunnen worden (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

De dagen en weken na een psychotrauma ontwikkelt bijna iedereen symptomen van stress. Gedurende de daarop volgende maanden verminderen bij de meeste mensen de symptomen totdat ze verdwenen zijn (Fonds Psychische Gezondheid, 2016). Zoals de naam dus eigenlijk al zegt, is een posttraumatische stress stoornis (PTSS) een stoornis waarbij na geruime tijd van het ervaren van een trauma, de stress-symptomen niet uit vanzelf weer verdwijnen, maar aanwezig blijven. Volgens de DSM IV moeten de symptomen minimaal langer dan een maand duren en de stoornis leiden tot beperkt functioneren (in beroep of relatie) om een posttraumatische stress stoornis te kunnen vaststellen. Ongeveer 5 tot 10% van de mensen die een psychotrauma hebben doorgemaakt, krijgen last van een PTSS (van Hinsberg, 2008).

Complexe PTSS

Door clinici wordt ook gesproken van een specifieke vorm van PTSS, namelijk ‘complexe PTSS‘. Ondanks dat de term regelmatig gebruikt wordt, is niet helemaal duidelijk wat er precies complex is. Met complexe PTSS wordt bedoeld: de aanwezigheid van een brede variëteit aan symptomen van stoornissen op zowel as I* als as II* die in verband worden gebracht met herhaalde en langdurige interpersoonlijke traumatisering in de vroege jeugd, te weten voor het 14de jaar. Dit noemt men ook wel complex trauma (Bicanic, de Jongh, & ten Broeke, 2015).

Het komt erop neer dat deze vorm van PTSS zich kenmerkt, doordat er naast de kenmerken van PTSS er nog symptomen van andere psychische stoornissen aanwezig zijn bij de persoon. Vaak door langdurige trauma’s in de jeugd.

* Assen die gebruikt worden bij het stellen van diagnoses door middel van de DSM-IV. Klik hier voor meer uitleg over de DSM-IV.

Er zijn verschillende behandelingen mogelijk voor PTSS, zoals o.a. traumagerichte cognitieve gedragstherapie, Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) en Narratieve Exposure Therapie (NET). De eerste twee behandelingen zijn volgens onderzoek het meest effectief gebleken (van Hinsberg, 2008). Soms wordt ook medicatie ingezet als onderdeel van traumaverwerking. Gezien ik zelf alleen ervaring heb met de behandeling EMDR, zal ik in dit artikel alleen op deze behandeling verder in gaan.

Symptomen

De klachten die voorkomen bij een PTSS zijn onder te verdelen in de volgende 3 clusters:

Herbelevingen:

  • dreamcatcher lightsBij een herbeleving lijkt het alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw meegemaakt wordt. Iemand ziet, ruikt, hoort, proeft en voelt alles weer zoals het moment waarop het gebeurde.
  • Regelmatig nachtmerries hebben en onrustig slapen.
  • Herinneringen hebben aan de gebeurtenis die steeds weer terugkomen.
  • Wanneer aan de gebeurtenis wordt gedacht, krijgt iemand last van hartkloppingen, trillen, zweten en kan iemand niet goed meer ademhalen. Een gevoel van verlamd van angst zijn.

Vermijding:

  • Bij vermijding gaat iemand alles uit de weg wat aan de traumatische gebeurtenis doet denken. Zo beschermt iemand zichzelf tegen de heftige emoties. De hele gebeurtenis of bepaalde momenten eruit worden ‘vergeten’. Dit wordt verdringing genoemd.
  • Soms voelt iemand helemaal niets meer en wordt alles op de automatische piloot gedaan.
  • Er wordt ontkend wat er is gebeurd en ervoor weggevlucht door bijvoorbeeld keihard te werken of overmatig te drinken.
  • Weigeren om te praten over wat er is gebeurd en zich afsluiten voor de mensen om in zijn/haar omgeving.

Gedrag en gevoelens:

  • Voortdurend gespannen en ‘opgefokt’ voelen.
  • Snel het geduld verliezen en snel boos worden.
  • Last hebben van plotselinge huilbuien.
  • Snel schrikken en overgevoelig zijn voor elke onverwachte situatie of gebeurtenis.
  • Gevaarlijke situaties opzoeken; bijvoorbeeld veel te hard rijden.
  • Verdovende middelen gebruiken zoals drugs en alcohol.
  • Somber zijn, en niets leuk of interessant vinden.
  • Snel schuldig voelen aan het gebeurde en zichzelf verwijten maken: ‘Had ik maar (niet)…’
  • Zich minderwaardig voelen.
  • Slecht kunnen concentreren.
  • Doodmoe zijn, maar kunt toch moeilijk kunnen inslapen of doorslapen.
    (Fonds Psychische Gezondheid, 2016)

In deze animatie door een Australisch behandelcentrum, wordt weergegeven hoe PTSS zich bij iemand kan uiten.

Oorzaak en gevolg

Of er na een schokkende gebeurtenis een PTSS wordt ontwikkeld hangt van 4 verschillende factoren af .

Wat voor gebeurtenis was het?
Of iemand een PTSS krijgt, hangt af van de soort gebeurtenis, hoe erg het was en hoe lang het duurde. Ook hoe machteloos en bang iemand zich voelde. Schokkende ervaringen die alleen meegemaakt worden, zoals een verkrachting of overval, blijken moeilijker te verwerken dan een gebeurtenis waar meerdere mensen bij betrokken waren, zoals een vliegramp. Belangrijk is ook of de schokkende gebeurtenis één keer of vaker is voorgekomen. Schokkende gebeurtenissen die lang duren of die steeds opnieuw voorkomen, blijken moeilijker te verwerken. Voorbeelden van eenmalige trauma’s zijn: een auto-ongeluk, een inbraak of de plotselinge dood van een geliefde. Schokkende ervaringen die vaker voorkomen zijn onder meer: incest, mishandeling en oorlogservaringen (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

Hoe was de opvang?
De opvang na de schokkende gebeurtenis is erg belangrijk; het krijgen van steun uit de omgeving, voldoende gelegenheid om over de ervaring te vertellen, het gevoel begrepen te worden en terecht kunnen bij een vertrouwd persoon. Hoe beter de opvang is, des te beter de verwerking (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).your story is defined

Hoe is de persoonlijkheid?
Elk mens zit anders in elkaar. Dat maakt ook verschil voor de verwerking van het trauma. Mensen die goed over hun gevoelens kunnen praten, lopen minder kans op een PTSS dan mensen die gesloten en verlegen zijn. Mensen die door het leven wandelen verwerken een schokkende gebeurtenis ook makkelijker dan mensen die het leven als zwaar ervaren. Dat geldt ook voor mensen die gemakkelijk steun kunnen accepteren. Het helpt wanneer iemand accepteert dat na een schokkende gebeurtenis iemand zich een paar weken angstig en somber zal voelen (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

Hoe wordt er op de gebeurtenis teruggekeken?
De betekenis die de gebeurtenis heeft, is van invloed op het verwerkingsproces. Sommige mensen gaan hun leven door de schokkende gebeurtenis extra waardevol vinden. Pluk de dag! Of ze bedenken hoeveel geluk ze nog hebben gehad in vergelijking met andere mensen. Zulke gedachten maken de verwerking van de gebeurtenis gemakkelijker. Omgekeerd kunnen bepaalde ideeën de verwerking moeilijker maken. Een voorbeeld is als iemand ervan overtuigd is dat het ongeluk altijd juist hem of haar treft (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

Neurologisch
Uit onderzoek is gebleken dat een PTSS zichtbaar is in de hersenen. Ondanks dat er nog niet veel bekend is over angst en de hersenen, is wel duidelijk geworden dat verschillende stoffen, de zogenaamde boodschapperstoffen (ook wel neurotransmitters genoemd) brain-with-ptsdin de hersenen een rol spelen bij het overbrengen van informatie. De balans en de beschikbaarheid van deze boodschapperstoffen is bij een PTSS verstoord geraakt, waardoor sommige delen van de hersenen te actief en andere juist te weinig actief zijn. Bij een geslaagde behandeling blijkt deze balans zich weer te herstellen (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016) .

Ook hebben sommige mensen met PTSS een kleinere hippocampus. Dat is het deel van de hersenen waar onder andere het geheugen zit. Geheugenproblemen bij mensen met PTSS zouden hierdoor verklaard kunnen worden. Een hypothese is dat door een hoog cortisol-gehalte (hormoon dat vrijkomt bij stress), celsterfte in de hippocampus wordt veroorzaakt. Na geslaagde traumabehandelingen is vastgesteld dat bij sommige mensen het volume van de hippocampus weer is toegenomen (van Hinsberg, 2008). Nogmaals: er zijn redelijk wat hypotheses over wat PTSS met de hersenen zou doen, maar er is nog weinig écht bekend.

Levendige herinneringen

Zoals te lezen is in het interview in Folia, kan ik me de avond waarop mijn broer zelfmoord pleegde en de daaropvolgende ochtend nog goed herinneren. Zo goed zelfs, dat wanneer ik er aan terugdenk, ik gevoelens die ik op dat moment had soms opnieuw ervaar.
In de brugklas deelde mijn docente Nederlands een stencil met het alfabet in gebarentaal uit. Ik begon plotseling te huilen en kon niet meer stoppen. Door klasgenootjes werd ik begeleid naar een leeg klaslokaal, terwijl de docente mijn mentrix opzocht. Tijdens het gesprek met mijn mentrix besefte ik me dat het stencil mij erg aan mijn broer deed denken omdat hij alleen in gebarentaal kon communiceren. Waarom ik daar zo intens verdrietig van werd,  snapte ik nog niet; mijn broer was destijds al 8 jaar overleden. Ik schaamde me rot. Wel was duidelijk dat dit ene stencil een hoop bij mij had losgemaakt gezien de vele huilbuien, schuldgevoelens en gevoelens van zelfhaat die nog maanden na deze middag volgden… Het gesprek dat ik met mijn mentrix had, was de eerste keer dat ik met iemand inhoudelijk sprak over mijn broers overlijden. Doordat ik door deze zelfde mentrix werd doorverwezen naar een GGZ instelling (ze was tevens vertrouwenspersoon), lukte het steeds beter om er over te praten.

Ook gebeurtenissen omtrent het ziekbed en overlijden van mijn moeder, staan mij nog helder bij. Nadat mijn moeder was overleden kreeg ik last van slecht slapen, nachtmerries, schuldgevoelens en de geur van ziekenhuis. Moeilijk te omschrijven, maar onmiskenbaar als je het ruikt. Alleen rook ik de geur op een gegeven moment in een schoenenwinkel of al wandelend in het bos. Later begon ik ook op mijn school ineens vanuit mijn klaslokaal een ziekenhuis gang te zien in plaats van de gang van mijn school en beleefde ik soms dat ik door deze ziekenhuisgang rende zoals ik dat ook had gedaan op de dag van haar overlijden. Ik wist dat ik op school zat, dus dat het niet klopte. Desondanks werd ik zo overspoeld door schrik, angst en verdriet, dat het lastig was te kunnen nadenken. Ik denk dat een herbeleving een beetje vergeleken kan worden met het dragen van de Oculus Rift, zo’n nieuwe virtual reality bril; je weet ergens wel dat het niet echt gebeurt,

dwdd

Klik hier om het fragment te bekijken.

maar desondanks valt Mathijs van Nieuwkerk bij DWDD wel bijna van zijn stoel bij het zien dat hij in een achtbaan zit en op het punt staat om steil naar beneden te storten. Het is dan ook geen surreële gebeurtenis; het kan echt plaatsvinden. Sterker nog; het heeft als het gaat om een herbeleving al eerder plaatsgevonden.

 

Het zien van ambulances en/of het horen van sirenes en het tegenkomen van rouwauto’s zijn bij mij nog steeds triggers voor het zien van beelden en het ervaren van herbelevingen van nare gebeurtenissen die ik tijdens de ziekteperiode en het overlijden van mijn moeder had meegemaakt. Het overheersen van deze heftige gebeurtenissen heeft als gevolg dat ik nog steeds weinig fijne herinneringen aan mijn moeder kan terughalen.

De diagnose

Het krijgen van de diagnose PTSS vond ik verwarrend. Dat is toch iets dat soldaten hebben nadat ze hebben gevochten in de oorlog? Ik googelde naar PTSS en las voornamelijk over oorlog, aanslagen, natuurrampen, auto-ongelukken, overvallen, misbruik en mishandeling als oorzaken van PTSS. Hoe kan ik de diagnose hebben zonder dat ik (gelukkig!) al deze dingen niet heb meegemaakt? Mijn therapeute legde uit dat er bij mij toch sprake zijn van trauma’s, doordat ik in de situaties rondom het overlijden van mijn broer en moeder onder veel stress heb gestaan en mij vooral erg alleen heb gevoeld. Ik had niemand die er voor mij was (opvang) en mij kon steunen bij deze heftige gebeurtenissen. Bovendien herkende ik wel veel symptomen van PTSS, waardoor met behulp van een vragenlijst de diagnose vastgesteld kon worden.

EMDR in het hier en nu

Sinds mijn 18e tot en met de dag van vandaag heb ik de diagnose PTSS. Op mijn 18e kreeg ik voor het eerst EMDR therapie.  Er zijn inmiddels nieuwe ontwikkelingen, waardoor EMDR tegenwoordig wellicht wat anders wordt toegepast dan toen.
Toen mijn behandelaar opperde om opnieuw EMDR te proberen, had ik mijn twijfels. Het zou toch niet werken omdat de PTSS te complex was? Daarom werd de EMDR toentertijd immers gestopt. Ook besefte ik me dat ik de klachten onterecht had geaccepteerd als iets wat vervelend is, maar nou eenmaal bij mij hoort en waar ik niet meer vanaf ga komen. Daarnaast heb ik net een vrij zware periode van een aantal maanden achter de rug. Wil ik echt nu de depressie minder is geworden zo’n intensieve behandeling aangaan? Het is immers bekend dat het eerst slechter zal gaan, voordat het beter zal worden.
Ze begreep mijn twijfels en stelde voor om te overleggen met een collega die EMDR supervisor is. Na het overleg liet ze weten dat door nieuwe ontwikkelingen duidelijk is geworden, dat er niet altijd ‘gestabiliseerd’ hoeft te worden. Dit komt omdat er nu oefeningen en hulpmiddelen zijn die ervoor zorgen dat de EMDR minder heftig hoeft te zijn dan vroeger. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat het niet uit maakt of er gestabiliseerd is voor de EMDR of niet; het resultaat is hetzelfde (Bicanic, de Jongh, & ten Broeke, 2015).

Grappig feitje tussendoor: de EMDR supervisor waarmee mijn behandelaar overlegd heeft, is dezelfde therapeute die mij behandeld heeft met EMDR toen ik 18 was en toen nog in de leer was. Ze blijkt toevallig in hetzelfde gebouw als mijn huidige behandelaar te werken en als ik het goed heb begrepen leidt zij nu zelfs mijn huidige behandelaar op. Ook nu zullen de EMDRsessies dus met mijn toestemming worden opgenomen. Bizarre samenloop van omstandigheden, maar wel grappig.

Wat ik heb besloten?
Ik ga de EMDR aan en laat het op me afkomen.
Wordt herh…, ik bedoel: vervolgd…

Lees ook: ‘De EMDR-sessies (deel 1)‘ en ‘De EMDR-sessies (deel 2)‘ om te lezen hoe de EMDR mij vergaan is.

img2-dont-let-the-past-steal-your-future-wall-sticker-adesivo-da-muro

Bronnen:

Bicanic, I., de Jongh, A., & ten Broeke, E. (2015). Stabilisatie in traumabehandeling bij complexe PTSS: noodzaak of mythe? Tijdschrift voor psychiatrie, 332-339.

Fonds Psychische Gezondheid. (2016). PTSS. Opgeroepen op juni 17, 2016, van Psychische Gezondheid: https://www.psychischegezondheid.nl/ptss?tab=1

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (2016). Posttraumatische Stress Stoornis. Opgeroepen op juni 17, 2016, van Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie: http://www.nvvp.net/cms/showpage.aspx?id=1514

van Hinsberg, J. (2008). Veranderingen in de hersenen voor en na behandeling van een Posttraumatische Stress Stoornis. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.