De Dictator & ik

Een tijd geleden, in een vorig artikel, heb je kunnen lezen over de ‘De dictator in mijn hoofd’. Hierin beschreef ik mijn dag en de invloed die de Dictator hierover uitoefende. Maar wie is hij nou precies? Hoe ziet hij eruit? Hoe is hij tot stand gekomen? En hoe kom ik in ’s hemelsnaam van hem af? Eerder schreef ik ook een blogartikel over onveilige hechting, genaamd ‘Slecht gehecht?’, waar dit artikel enigszins op aanhaakt. In dit schrijfsel zal ik beschrijven wat emotionele verwaarlozing precies is en zal ik mijn eigen ervaringen omtrent dit thema delen. Ook kun je lezen hoe ik bezig ben om van de gevolgen van emotionele verwaarlozing af te komen. Ik publiceerde dit artikel al eerder, maar heb intussen wat aanpassingen gedaan om het onderwerp voor mijn gevoel zo goed mogelijk te belichten.

Bestand 16-08-17 17 38 19

“Je kunt mij niet eens fatsoenlijk schetsen!” – De Dictator

Persoonsomschrijving
De Dictator is een criticus. Nog erger dan een Volkskrant recensent. Wat je ook doet of zegt, het is eigenlijk nooit goed. Gaat er iets wel een keer goed? Nou, dan wijst hij je er dringend op te her-evalueren, want er is altijd zat om te verbeteren en er zijn altijd gênante, domme fouten die je over het hoofd heb gezien. (Al zijn ze van meer dan 10 jaar geleden.)
Ik maakte laatst deze snelle schets van hem,  met enkele van zijn kenmerkende quotes. Zijn uiterlijk wil nog wel eens veranderen, maar dit is hoe ik hem op het moment voor mij zie.

Onzichtbaar beschadigd
Een thema als emotionele verwaarlozing vind ik lastig om over te schrijven, omdat het voelt als aan aanklacht tegen mijn ouders. Iets wat ik in mijn blogs zoveel mogelijk probeer te vermijden; ik probeer het vooral bij mezelf te houden. In dit artikel zal ik dit wederom nastreven. Helaas is het in dit geval lastiger om het niet over mijn ouders te hebben, gezien dit blogartikel zal gaan over mijn jeugd en opvoeding. Daarom wil ik vooraf gezegd hebben; mijn ouders waren door meerdere factoren simpelweg niet in staat om het anders te doen; er was absoluut geen opzet in het spel! Ze deden hun best en zij hielden van mij op hun eigen manier, daar ben ik van overtuigd. Regelmatig komt er dan ook in mij op: ‘maar zo erg was het bij mij toch allemaal niet?’ Ik had immers een dak boven mijn hoofd, eten, drinken, speelgoed… En ook de gedachte: ‘misschien was ik gewoon een overgevoelig, aanstellerig kind’. Het feit is alleen dat ik nog steeds kamp met psychische klachten, die volgens de theorie tot de gevolgen van emotionele verwaarlozing herleid zouden kunnen worden. Ik ben als kind beschadigd, maar dit is van de buitenkant niet te zien.

Er zijn verschillende vormen van kindermishandeling bekend. Emotionele verwaarlozing is één van deze vormen. Bij kindermishandeling denken we al snel vooral aan slaan en schoppen, toch komt emotionele verwaarlozing het meeste voor in Nederland, blijkt uit de Tweede Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (PDF).
Emotionele verwaarlozing moet niet verward worden met emotionele mishandeling, waar kinderen worden uitgescholden en gekleineerd.
Bij emotionele verwaarlozing gaat het meer om dingen die ouders nalaten: ze geven een kind geen genegenheid, aandacht, emotionele steun en bevestiging. Of ze gedragen zich heel onvoorspelbaar, waardoor een kind geen veiligheid voelt.
Het is vaak heel moeilijk te ontdekken of je emotioneel verwaarloosd bent. Want anders dan bij kindermishandeling of misbruik –waar het gaat om dingen die je aangedaan zijn-, gaat het bij verwaarlozing om wat er NIET was en wat je je NIET herinnert. Emotionele verwaarlozing brengt ongemerkt schade toe aan iemands leven.

Veel ouders bedoelden het goed, maar zijn door verschillende redenen niet in staat adequaat op hun kinderen te reageren. Kenmerkend is dat ouders totaal in beslag worden genomen door eigen problemen. Een aantal risicofactoren voor emotionele verwaarlozing zijn:

  • 087abf93d686a09b1be8461cc637f260Een slechte relatie tussen ouder en kind. De ouders luisteren niet naar het kind, negeren het of ondernemen geen activiteiten met het kind;
  • Weinig zelfreflectie of zelfvertrouwen bij de ouder;
  • Stress of boosheid bij de ouder;
  • Ouders hebben psychische problemen, zijn verslaafd, een licht verstandelijke beperking of hebben agressieproblemen;
  • Een ouder staat er alleen voor, is werkloos of er is sprake van een groot gezin;
  • Het kind heeft een gebrek aan sociale vaardigheden. Het is mogelijk dat het daardoor niet goed zijn behoeften bij zijn ouders kan aangeven. Ook kan het zijn dat het kind door de ouders als moeilijk in de omgang wordt beschouwd.

‘Veel ouders kampen zelf met een jeugdtrauma en hebben daardoor emotionele en/of gedragsproblemen en een negatief zelfbeeld’, zegt klinisch psycholoog Carlijn de Roos, werkzaam bij Psychotraumacentrum GGZ Kinderen en Jeugd Rivierduinen.
‘Gelukkig zijn er effectieve behandelingen om ouders te helpen bij de verwerking van hun trauma. Soms moet de zorg voor het gezin dan tijdelijk worden overgenomen door familie of professionele gezinszorg.’

De gevolgen
Volgens Janine Jansens, psycholoog en coach, groeien kinderen die emotioneel verwaarloosd zijn op met diverse moeilijkheden. Hieronder volgt een opsomming van deze voorkomende moeilijkheden die zij noemt:

  • “Worstelen met gevoelens van leegte. Sommige mensen voelen het als een fysiek gevoel; een leeg gevoel in hun borstkas, anderen ervaren het als emotionele gevoelloosheid.
  • Tegen- afhankelijkheid: een sterke drijfveer om niemand nodig te hebben. Je zou het ook ‘de angst om afhankelijk te zijn’ kunnen noemen. Mensen die tegen – afhankelijk zijn vermijden het zoveel mogelijk om hulp te vragen. Ze willen niet de schijn wekken hulpbehoevend te zijn of zich zo te voelen. Ze doen veel moeite om niet op een ander te hoeven rekenen, zelfs als het ze veel kost.
  • Omdat je weinig feedback krijgt over jezelf tijdens je jeugd weet je eigenlijk niet zo goed wat je kwaliteiten en je zwakten zijn. Dit gaat niet zozeer over een laag zelfbeeld (hoewel dat wel klopt voor de meeste mensen die emotioneel verwaarloosd zijn), maar over het feit dat een onrealistisch zelfbeeld hebt.
  • Weinig compassie voor jezelf, en heel veel voor anderen. Of simpeler gezegd: je bent veel strenger voor jezelf dan je voor anderen bent.
  • Gevoelens van schuld en schaamte en zich afvragen: “Wat is er mis met mij?” Als je leert dat je gevoelens er niet mogen zijn, dan leer je ze te verbergen. Omdat er in je jeugd geen duidelijk nare dingen gebeurd zijn zoals mishandeling of misbruik, herinner je jeugd als in principe in orde, misschien zelfs wel gelukkig. Dus wat is er dan mis met je als je je niet gelukkig voelt?
  • Boos zijn op jezelf komt ook vaak voor. Vaak is die boosheid een uiting van schaamte die nog een stap verder wordt gezet.
  • Een voortdurend onderliggende angst om ‘door de mand te vallen’: “Als ze me werkelijk zouden kennen zouden ze me niet aardig vinden”. Het is je basale fatale overtuiging zoals: “Ik ben niet de moeite waard” of “Ik ben dom”. Het is het ‘antwoord’ dat je zelf gevonden hebt op de vraag wat er mis is met je dat je geen aandacht krijgt.
  • Moeite met emotioneel voor jezelf en anderen te zorgen
  • Slechte zelf-discipline hebben. Junk-food eten, teveel uitgeven.. Moeite met dingen doen die moeten, zoals huistaken of sporten of deadlines halen.
  • Je weinig bewust zijn van je eigen emoties en die van anderen en die ook moeilijk kunnen identificeren of omschrijven.”

Naast deze omschreven moeilijkheden is door recent onderzoek bekend geworden dat emotionele verwaarlozing een specifiek verband heeft met depressies en sociale angst. Hersenscans laten verder zien dat de prefrontale cortex – het hersengebied dat een belangrijke rol speelt in het omgaan met stress – kleiner is bij mensen die in hun jeugd emotioneel zijn verwaarloosd. Hun amygdala – het gebiedt dat reageert op dreiging – lijkt veel scherper afgesteld, waardoor mensen eerder angst ervaren.

Bij het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen wordt ook als één van de kenmerken: traumatische/negatieve emotionele ervaringen in de jeugd genoemd, waaronder o.a. emotionele verwaarlozing. Bij het ontstaan van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis wordt omschreven: “Als je bijvoorbeeld opgroeit in een gezin waar je ouders erg afstandelijk, kritisch en ogenschijnlijk weinig betrokken bij je zijn zal je eerder een negatief idee over jezelf ontwikkelen. Je leert als kind niet dat je oké bent zoals je bent. Indien er een angstige aanleg aanwezig is, kan dit leiden tot terughoudendheid in contacten met anderen. En ondanks dat je daarmee ook positieve ervaringen uit de weg gaat, wordt de vermijding niet doorbroken.”

Het angstige en sombere kind
Als kind was ik erg stil, verlegen en teruggetrokken. Ik was angstig in nieuwe situaties en vooral met nieuwe mensen. Sociaal contact vond ik doodeng. Ik durfde niet eens brood te kopen bij een bakker. Dan kwam ik thuis en deed ik alsof ik het vergeten was. Ik durfde niet te zeggen dat ik niet durfde en mijn ouders namen aan dat ik gewoon geen zin had. Dus ze werden boos.

Ook huilde ik veel als kind terwijl ik niet eens wist waarom. Achteraf denk ik dat het kwam omdat ik mij ongelukkig en somber voelde, maar dat ik maar heel weinig besef had van de verschillende soorten gevoelens en hoe je deze uit. Het leek dus alsof ik huilde zonder reden terwijl ik eigenlijk gewoon niet door had dat ik verdriet en somberheid voelde. Wederom werden mijn ouders boos, want je moet alleen huilen als je een goede reden hebt, anders niet. Toen mijn broer was overleden werd mijn vader ook wel eens boos omdat ik huilde. Mijn huilen leek mijn moeder immers nog verdrietiger te maken. Ik stopte vervolgens alle gevoelens rondom mijn broers overlijden weg, die tijdens mijn pubertijd weer naar de oppervlakte kwamen. Ik kreeg daarom op mijn 14e speltherapie waar ik voor het eerst leerde over het bestaan van de verschillende gevoelens, om uiteindelijk mijn eigen gevoelens van elkaar te kunnen onderscheiden.

Mijn moeder kwam trouwens uit Zuidoost Azië. Daar zijn de ideeën over opvoeding ongetwijfeld anders dan in Nederland. Ik kreeg dan ook wel eens een ‘pedagogische tik’ wanneer ik niet luisterde. Een keer toen mijn Aziatische oma in Nederland was, speelde ik zonder het te vragen (vergeten) bij een buurkindje waardoor mijn moeder en oma mij kwijt waren. Toen ik terecht was kreeg ik zo’n harde tik dat ik blauwe plekken op mijn billen had. Waarschijnlijk zijn ze hier toch wel van geschrokken, want daarna kreeg ik geen tikken meer. Natuurlijk weet ik wel dat dit in Nederland niet oké is en op mijn opleiding leer ik dat dit valt onder de noemer kindermishandeling. Toch vond ik de pijn van de tikken niet erg; wel de gevoelens van angst, onrecht en machteloosheid zijn mij bijgebleven. Toen ik net kon schrijven schreef ik voor moederdag een keer een briefje aan mijn moeder waarin ik vertelde dat ik fijn zou vinden als ze wat liever voor mij zou zijn. Niet echt een leuk moederdagcadeau, dat snap ik, maar toch vind ik dat dit geen tik verdiende. Het was toch maar een vraag? En ik vroeg het achteraf waarschijnlijk niet voor niks… Voortaan hield ik mijn mening en wensen maar voor me.

Mijn vader had altijd al een kort lontje; hij kon heel snel erg boos worden. Dit kon door van alles komen. Irritatie wanneer het klussen niet lukte, ruzie met mijn moeder en ook wel wanneer ik iets stoms had gedaan (zoals vergeten mijn fiets op slot te zetten op school waarna deze werd gestolen). Hij kon dan op zijn Amsterdams vloeken en tieren, maar ook hardhandig met spullen en deuren omgaan. Later bleek dat dit o.a. kwam doordat hij diabetes had. Hij zei hier later over dat hij zich nooit kon herinneren wanneer dit gebeurde; hij was het kwijt. Een systeemtherapeute zei hier een keer op: “Ja dat kan wel zo zijn, maar Lyka blijft er mee zitten”. Hij leek zich dit niet te realiseren.

broken cup“Als er iets is kun je altijd naar ons toekomen”, zeiden mijn ouders regelmatig. Toch had ik niet het gevoel dat dit ook daadwerkelijk kon. Ze hadden dit graag gewild, dat geloof ik wel. Toen ik bijvoorbeeld 7 jaar was en mijn ouders een periode veel ruzie hadden, vond ik een keer serviesscherven onder de verwarming. Ik vroeg ongerust aan mijn moeder: ‘gaan jullie scheiden?’ Ze zei: ‘Nee joh! Hoe kom je daar nou bij.’ En we hebben het er nooit meer over gehad, terwijl de ruzies bleven. Mijn ouders zijn dan ook nooit gescheiden, maar er  was nog wel vaak (passieve) boosheid naar elkaar en er werd nauwelijks liefde naar elkaar getoond. Nooit ben ik fysiek pijn gedaan, maar als ik terugkijk was ik als kind vermijdend naar mijn vader toe omdat ik bang was voor hem en zijn boosheid. Ik hoorde vanaf mijn kamer immers een keer hoe hij tijdens een ruzie met mijn moeder een zware eetkamertafel in één beweging omgooide. Vervolgens vroeg mijn moeder mij om hem weer te halen omdat het eten klaar was. Met lood in mijn schoenen liep ik de trap op. Er gebeurde niks, maar ik was doodsbang.

Ik ontwikkelde een angst voor boosheid en onvoorspelbaar gedrag. Een angst waar ik overigens tijdens een opname voor klinische psychotherapie met jongeren (met o.a. borderline problematiek) vaak aan werd blootgesteld. Ook daar vloog er regelmatig iets door de leefgroep.

Het wereldvreemde en sombere kind
Als kinvisibleind dacht ik ook dat ik dom, onhandig en nergens echt goed in was. Ik was zo stil en verlegen, dat ik regelmatig over het hoofd werd gezien. Thuis, maar ook op school. Het leek wel alsof ik mezelf onzichtbaar kon maken. Dat voelde veilig, want dan werd er tenminste niet op mij gelet en viel het niet op als ik iets stoms of fout deed. Ook zonderde ik me af van andere kinderen. Ik leek het fijn te vinden alleen te zijn, bovendien kon ik dan niet gekwetst of verlaten worden. Ik had het idee dat als mensen mij echt leerden kennen, zij mij al snel zat zouden zijn. In mijn eentje had ik ook geen last van onvoorspelbaar gedrag van anderen; ik hoefde niet bang te zijn. Daarnaast was mijn broer van de één op andere dag overleden, dus ik hield er rekening mee dat mensen zomaar uit je leven konden verdwijnen.
Het alleen zijn zorgde ook dat ik mij zelfstandig, onafhankelijk en sterk voelde. Dat dacht ik tenminste. Achteraf gezien hield ik mezelf voor de gek, alleen had ik dat destijds nog niet door. Pas de laatste jaren besefte ik me dat ik mij al die tijd ‘in mijn eentje’ ook eenzaam, somber en verdrietig heb gevoeld. Ik voelde een leegte en voel deze nog steeds. Ik kon echter niet vatten wat dit gevoel precies was en waardoor ik dat gevoel had, waardoor ik mezelf toch blijf afzonderen. Inmiddels was ik het gewend…

Verder was ik ook altijd een nogal gevoelig kind. Als ik had gezongen onder de douche werden er wel eens grappen gemaakt door mijn ouders: ‘Ik hoorde net een valse kat op het dak’. En toen ik een keer blij was met mijn schoolfoto werd er gegrapt: ‘Niet zo’n kapsones hè!’. Het waren schijnbaar onschuldige grappen. Er werd dan ook wel achteraan gezegd; grapje hoor! Maar desondanks ben ik het gaan geloven. Soms waren het ook geen grappen: ik liet bijvoorbeeld vaker trots een tekening zien waar ik een 9 voor had gekregen bij het vak tekenen op de middelbare school, waarop mijn moeder dan zoiets zei als: ‘Je bent zeker het lievelingetje van de leraar, hè?’
Mijn ouders vonden het überhaupt lastig om enthousiast te reageren op iets dat ik vertelde; ik het vaak het gevoel dat zij mij niet hoorden of het hen gewoonweg niet interesseerden. “Oké.” of “Oké, leuk.”, kon er vaak nog vanaf, maar meer ook niet. Soms was de reactie na mijn verhaal: “Oké. Hoe gaat het met je cijfers?” Het leek het enige te zijn wat ze van mij wilden horen.

Ook kon mijn moeder mij vergelijken met mijn overleden broer; ‘Angelo bood wel altijd aan te helpen met de afwas’, ‘Angelo was niet zo rommelig als jij.’ Het voelde voor mij alsof ik nooit goed genoeg was en dat het beter was geweest als ik was doodgegaan in plaats van Angelo. Op mijn 14e geloofde ik hier zo in, dat de neiging om ook zelfmoord te plegen steeds sterker werd. Gelukkig had ik inmiddels therapie en probeerden mijn therapeuten mij ervan te overtuigen dat ik er wel mocht zijn. Ik weet nog dat mijn ouders een keer erg schrokken omdat zij hoorden van mijn mentrix dat ik het idee had dat zij niet van mij hielden. Ze gaven mij een knuffel en een kus op mijn hoofd en zeiden dat ze wel degelijk van mij hielden. Toch kon ik het niet geloven; ik kreeg immers wisselende boodschappen, het verwarde me juist. Waarom dacht en voelde ik dat zij niet van mij hielden als het wel zo was? Lag het allemaal aan mij? Was ik zó raar dat ik dit dacht of verzon?
Uiteindelijk liet mijn moeder mij na een lang ziekbed haar dagboek achter. We wisten op een gegeven moment dat ze zou gaan overlijden en ze wilde mij iets van haarzelf achterlaten. Ze schreef blijkbaar over al haar gevoelens rondom haar ziekbed, want in het dagboek was heel wat kritiek aan mij en mijn vader te lezen. Ik las dat ik lui en onverantwoordelijk was en dat zij zich zorgen maakte hoe ik zou worden als ik eenmaal volwassen was.

Het verwarde kind
Mijn ouders hanteerden de opvoedstijl: volwassenen hebben altijd gelijk. Dit komt denk ik voort uit hun eigen opvoeding/cultuur. Mij werd dan ook niet vaak wat gevraagd; ik moest juist doen wat er van mij gevraagd werd. Als middelbare scholier kwam ik bij het vak Nederlands in de problemen: hoe moest ik immers debatteren als ik geen mening had? Als 19-jarige was ik nog steeds compleet in de war: ik had mij mijn hele jeugd aangepast aan het voldoen aan verwachtingen van anderen en was mezelf ondertussen kwijt geraakt. Op de één of andere manier had ik het idee dat anderen mij wel zouden vertellen hoe ik mijn leven zou moeten leven. Blijkt het dat ik dat zelf moet invullen! Hoe moest ik nu in ’s hemelsnaam een (volwassen) identiteit vormen? Ik raakte in een identiteitscrisis.

Waar ik eigenlijk nog het meeste schaamte- en schuldgevoelens over had, was het fantaseren over leven in een ander gezin, met andere ouders. Ik was bijvoorbeeld erg jaloers op het gezinsleven van vriendinnen als ik bij hen thuis was. Achteraf gezien leek het erop dat ik op zoek was naar een moederfiguur; eerst in mijn juffen op de basisschool en later bij de leraressen van mijn middelbare school. Vooral mijn mentrix van de brugklas. Zij werd als een soort idool voor mij; ik wilde net zo worden als zij. Ook wilde ik vaak bij haar zijn. Iets waar ik me erg schuldig over voelde, gezien mijn eigen moeder ondertussen was gediagnosticeerd met kanker en hier later ook aan overleed. Pas later begreep ik dat ik die vrouwelijke docenten zo opzocht omdat ik van hen de aandacht, steun en zorg kreeg dat ik ook thuis zocht, maar niet vond. Tijdens mijn middelbare schooltijd gaf ik het op en ging ik blijkbaar elders op zoek naar wat ik nodig had.

De behoefte om vrouwelijke voorbeeldfiguren op te zoeken en op hen te leunen, heb ik inmiddels niet meer. Op dit moment worstel ik wel nog steeds met gevoelens van eenzaamheid en het gevoel hebben dat ik ‘alleen op de wereld’ ben. Dit gevoel komt bijvoorbeeld op wanneer ik geconfronteerd wordt met de manier waarop mijn schoonouders met mijn vriend omgaan; hij kan altijd op hen terugvallen en ze zijn geïnteresseerd in wat hij te vertellen heeft. De gedachten; ‘op wie kan ik terugvallen?’ en ‘wie luistert naar mij?’, geven dan veel verdriet.

De geboorte van de Dictator
geboortedictatorDe Dictator vindt zijn oorsprong in mijn jeugd. Toen hij nog niet bestond, was het niet hij die kritisch op mij was, maar mijn ouders. In therapie werd mij voorgelegd dat mijn ouders vroeger te hoge eisen aan mij stelden. Zelf herinner ik me dat ik vooral te horen kreeg wat ik niet goed deed of beter kon doen, dan dat wat ik wel goed deed. Ik kreeg het gevoel dat ik nooit iets goed deed. Er was sprake van voorwaardelijke liefde in plaats van onvoorwaardelijke liefde.

Mijn tienerdagboeken staan vol schaamte en schuldgevoelens. Na twee dagboeken hield ik het maar voor gezien want ik werd alleen maar somber van het schrijven en het doorlezen ervan. Regelmatig schreef ik ‘Ik haat je’,  ‘waarom ben je zo stom?’ en ‘ik snap niet dat mijn vriendinnen mij nog steeds niet zat zijn’.
Toch had ik niet echt door dat ik een laag zelfbeeld had. Ik vond mezelf zelfs regelmatig narcistisch en egoïstisch. Dat ik niet veel waard was, was dan ook voor mij de waarheid en geheel logisch. Op mijn 14e deed ik mezelf voor het eerst pijn om mezelf te straffen en mijn gevoelens te verdoven. Rond mijn 14e kreeg ik ook voor het eerst last van suïcidale gedachten; ‘ik voeg niets toe aan het leven van anderen en ik ben iedereen tot last, dus ik kan er maar beter niet zijn’. Tijdens schematherapie een jaar geleden, moest ik praten tegen degene die zo hard is voor mezelf (Lees: tegen een stoel). Voor het ‘aanspreek-gemak’ gaven we hem een naam: De Dictator. (Mijn interne criticus, niet de stoel.)

Niet alleen qua innerlijk, maar ook qua uiterlijk had ik altijd al weinig zelfwaardering. Ik vond mezelf altijd al klein en mollig. Het klein zijn kan ik nog steeds niets aan doen, maar het mollig zijn wel. Uiteindelijk ontwikkelde ik rond mijn 20e een eetstoornis; De Dictator ging zich ook nog eens met mijn eetpatroon bemoeien. Mijn huidige behandelaar wees mij eens op dit filmpje (gemaakt door Lentis GGZ) over de interne stem bij een eetstoornis. Ze had gelijk; het filmpje beeldt precies uit hoe de Dictator/eetstoornis tegen mij praat. Het werd al snel duidelijk dat de functie van mijn eetstoornis is, dat ik mijn zelfwaardering haal uit afvallen en weinig eten.
De oorzaak van de eetstoornis is ook een manier van (slechte) coping; een manier om controle over een situatie terug te krijgen. Ik begon immers met het rommelen met eten tijdens de opname in de jongerenkliniek, waar ik mij door het onvoorspelbare gedrag van anderen erg onveilig heb gevoeld. Ik wilde mezelf beschermen door voor anderen (dus ook de therapeuten) te verbergen dat ik zo angstig was. Restrictief/weinig eten, zorgde voor een (schijn)controle. Ik kon mij hierdoor gek genoeg toch wat veiliger voelen, want ik had de ‘macht’ over mijn eigen eetpatroon en niemand anders mocht hier aankomen.

De boze volwassene
Het heeft lang geduurd voordat ik boosheid kon ervaren. Tijdens mijn klinische opname op mijn 19e voor klinische psychotherapie, kwam dit dan ook veel aan bod. “Ik ben nooit boos”, hield ik vol. Er werd zo vaak aan mij gevraagd of ik boos was door de therapeuten, dat ik er bijna boos van werd. (Wellicht hun tactiek.)
Tijdens deze opname, leerde ik dat ik wel degelijk boos werd, alleen nooit op anderen. Als ik wel boosheid ervoer, internaliseerde dit zich; ik legde de schuld altijd bij mezelf om vervolgens vreselijk kwaad te worden en mezelf te straffen door middel van zelfbeschadiging. Mijn therapeuten zagen dit regelmatig gebeuren, maar ik had het zelf niet door. Een voorbeeld is toen ik tijdens psychomotorische therapie (PMT) een basketbal tegen mij hoofd kreeg. Na de PMT werd ik door de therapeute gevraagd even te blijven. Ze vroeg: “Ben je niet boos op je groepsgenoot?”. “Nee”, antwoordde ik, verbaasd om haar vraag. “Maar hij zag dat je aan de andere kant van de zaal was en smeet alsnog onbezonnen de bal door de zaal”, opperde ze. “Had ik maar niet in de weg moeten lopen”, zei ik met volle overtuiging.
Doordat ik thuis uit angst voor boosheid van mijn ouders nooit mijn eigen boosheid durfde te uiten, is het naar binnen geslagen. Hier hoort ook bij dat ik andere mensen op een voetstuk plaatste en mezelf daar ver onder. Natuurlijk is het dan mijn schuld en niet dat van mijn groepsgenoot.

Inmiddels gaat het uiten van boosheid beter. Ik mag vaker boos zijn van mezelf en het lukt steeds beter om dit niet te internaliseren. Ik merk dan ook dat ik boosheid ervaar over hoe de dingen vroeger gelopen zijn en daarmee ervaar ik ook boosheid naar mijn ouders toe. Dit laatste vind ik het moeilijkste, want ik wil hen niets kwalijk nemen. Er zijn natuurlijk ook goede herinneringen aan mijn jeugd en aan mijn ouders, alleen is het lastige dat deze herinneringen en gevoelens onderdrukt worden door de nare herinneringen en gevoelens van de trauma’s.

Ondanks de moeilijke band (en ondanks de boosheid die ik tegenwoordig wel voel) probeer ik er te zijn voor mijn vader. Ik ben immers het enige gezinslid dat hij nog heeft. Op zijn manier is hij er ook voor mij en houdt hij van mij. De acceptatie dat ik emotionele steun, genegenheid, aandacht etc. nog steeds elders moet zoeken blijft tot op heden confronterend en verdrietig, maar gelukkig vind ik dit tegenwoordig allemaal wel bij mijn lieve zorgzame vriend en bij mijn lieve gezellige vrienden en vriendinnen. Het is dan ook de kunst om los van mijn vader een leven op te bouwen, maar om toch een manier te vinden om hem (op een voor mij gezonde manier) bij mijn leven te blijven betrekken. Op het moment heb ik veel behoefte aan afstand, om het recente besef en de bijbehorende herinneringen een plek te kunnen geven. Gezien mijn vader ook kampt met lichamelijke klachten, zorgt dit wel eens voor dilemma’s; hoe kan ik er voor hem zijn zonder over mijn grenzen te gaan? Toen hij 5 jaar geleden een herseninfarct kreeg, was ik bijvoorbeeld tijdelijk mantelzorger. Ik zorgde graag voor hem, maar ik had zelf niemand om op terug te vallen. Deze omstandigheden, gecombineerd met een depressie en opbouwen van medicatie, zorgden ervoor dat ik in een flinke crisis terecht kwam en een zelfmoord poging deed die (gelukkig) mislukte.

Mijn littekens
self-hatred-2-2Door mijn studie las ik voor het eerst over emotionele verwaarlozing. Ik wist hiervoor niet dat dit bestond. Ik vertelde in therapie dat ik mezelf hier (gek genoeg) in herkende. Mijn therapeute legde vervolgens uit dat dit kan kloppen. Na het bestuderen van de kenmerken en mogelijke gevolgen van emotionele verwaarlozing aan het begin van dit artikel, herken ik heel wat hiervan bij mezelf en bij mijn ouders. Sindsdien is er wat betreft de problemen die ik nog steeds ervaar een hoop voor mij op zijn plek gevallen.

Wat ik er in het dagelijks leven van merk is dat ik elke dag weer gek wordt van de interne “stem” van De Dictator in mijn hoofd. Vroeger had ik zelfbeschadiging als coping, maar tegenwoordig heb ik als coping om mij te verweren tegen deze constante kritiek; “Hou op” of “Stop” zeg ik dan hardop. Soms lijkt het alsof ik lijd aan een soort gilles de la tourettes, gezien ik ook kan vloeken op de dictator. Helaas vloek ik nog meestal op mezelf. “Stomme trut”, “ik haat je” of erger, floept er regelmatig hardop uit. Het is niet ideaal, maar ik kan me redelijk inhouden in gezelschap en het zorgt in ieder geval niet meer voor blijvende littekens op mijn armen. Ook ga ik er natuurlijk vanuit dat dankzij therapie ik uiteindelijk geen last meer zal hebben van de Dictator, maar vervangen zal worden door een milde, gezonde, kritische stem.

De Dictator zorgt er nog steeds voor dat ik tijdens mijn studie en stages zelfvertrouwen tekort kom, waardoor ik niet optimaal kan functioneren. Ik kan de gedachten soms redelijk opzij zetten en als het goed gaat geeft mijn studie en stage mij juist zelfvertrouwen, maar toch is de terugkerende feedback van docenten en stagebegeleiders nog altijd dat ik té bescheiden ben, soms kwetsbaar overkom en nog meer zelfvertrouwen mag uitstralen. Iets wat ik erg moeilijk vind door de overvloed aan kritische gedachten tijdens mijn bezigheden. Helaas heb ik er ook last van wanneer ik thuis op de bank zit, waardoor kunnen ontspannen en genieten van vrije tijd ook moeizaam gaat. Constant ben ik aan het piekeren en aan het malen om vervolgens mezelf te zitten haten.

Het stomme is dat ik dit zó ontzettend zat ben en rationeel gezien ook wel weet dat De Dictator “gewoon maar” een patroon is dat mij vroeger hielp (te overleven) en mij nu juist belemmert… Toch is hij zo hardnekkig en vastgeroest dat ik nog iedere dag in dit patroon vastloop. In therapie loop ik er tegenaan dat ik het allemaal prima kan rationaliseren en kan verwoorden, maar het lijkt alsof het gevoel achterblijft; het voelt als of de Dictator gelijk heeft, al weet ik beter.

Het is niet uitzichtloos
b2b2803c7f823157b11d6b4ffe8ea012Onlangs namen de eetproblemen weer toe, wat mij óók nog eens leek te gaan belemmeren tijdens mijn stage. Ik nam daarom het verstandige besluit (al zeg ik het zelf) om mij (wederom) aan te melden bij een centrum voor eetstoornissen voor een behandeling. Na wat intakegesprekken kreeg ik te horen dat zij adviseren om eerst een traumabehandeling te doen, omdat de eetstoornis en mijn lage zelfbeeld uit de trauma’s voortkomen. Eerst traumabehandeling zou zorgen voor een stabielere basis om aan de eetstoornis te gaan werken.

Uit ervaring weet ik inmiddels dat traumabehandeling zoals EMDR mij zodoende ontregelt dat ik al helemaal niet goed kan functioneren (zie ook blogartikel ‘De EMDR-sessies (deel 2)’). Als alternatief stelde mijn behandelaar voor om een andere vorm van traumaverwerking te gaan doen: imaginatie rescripting. Dit is een interventie dat onderdeel is van schematherapie, maar zich richt op het anders gaan interpreteren van nare gebeurtenissen in de vroege jeugd. Inmiddels zijn we hiermee gestart. Samen met de therapeut ben ik gaan kijken waar ik de afgelopen week tegenaan ben gelopen. Vervolgens zijn we teruggegaan naar een gebeurtenis in mijn jeugd die mij doet denken aan de gebeurtenis van afgelopen week. Zo barstte ik bijvoorbeeld een keer in tranen uit toen mijn vriend zei: ‘Ja hoor, ga maar lekker op de bank zitten, ik ruim de boodschappen wel op.’ We schrokken allebei van mijn heftige reactie, maar mijn vriend al helemaal omdat hij het als grapje bedoelde; hij wist ook wel dat ik het per ongeluk was vergeten. Ik voelde me ontzettend schuldig en realiseerde me dat het mij deed denken aan de opmerking van mijn ouders vroeger. Wanneer ik bijvoorbeeld vergat de hond uit te laten, werden ze boos en noemden zij mij lui en onverantwoordelijk.
In therapie moest ik dan tot in detail vertellen hoe de situatie vroeger ging. Vervolgens zei mijn behandelaar dat zij in de situatie zou stappen en zij dan bijvoorbeeld tegen mijn ouders van toen: “Het is niet fair om Lyka onverantwoordelijk te noemen. Ze is het vergeten en dat kan gebeuren. Ze is nog maar een kind en zoveel kinderen vergeten een klusje in huis te doen. Door zo streng voor haar te zijn beschadigen jullie haar zelfbeeld. Het mag wel een tandje minder!”
Vervolgens vraagt mijn behandelaar hoe dit voor mij is en of er nog wat moet gebeuren. In andere situaties is het voorgekomen dat wij in de fantasie samen mijn ouders uit huis hebben gezet zodat ik op een veilige manier mijn verdriet kon uiten. Ook heeft mijn behandelaar in zo’n fantasie gewoonweg gevraagd naar wat mij bezighield als kind; ze toonde interesse in mij als kind en gaf hiermee warmte en aandacht. Gek genoeg herinnerde ik mij weer dingen die ik deed als kind (zoals mw. Zuurtje en mw. Pruimpje naspelen van Telekids) en moest er zelfs om lachen.
Het doel van deze therapie is om andere conclusies te gaan trekken uit deze gebeurtenissen. In plaats van: “Ik ben een slecht kind” of “Ik ben niets waard”, zal ik bijvoorbeeld moeten gaan denken: “Mijn ouders stelden te hoge eisen” en “Ik mag er zijn”. Oftewel, in termen van schematherapie; het versterken van de gezonde volwassene. Beetje bij beetje lukt dit steeds meer. We gaan ons nu richten op het versterken van zelfcompassie, gezien ik ergens nog steeds het gevoel heb dat ik een verschrikkelijk kind was dat niet beter verdiende.

Wanneer ik ben afgestudeerd wil ik overigens dan toch een traumabehandeling gaan volgen; ik heb dan immers weer de tijd en het is praktisch en prettig om geen last meer te hebben van de trauma’s wanneer ik een baan ga zoeken en anderen ga begeleiden bij hun herstelproces.
Bij het maken van een nieuw behandelplan, bleek dat ik meer vooruit ben gegaan dan ik dacht. Ik word o.a. minder overspoeld door gevoelens, dissocieer niet meer tijdens therapie en ben mij steeds meer bewust wanneer ik last heb van een bepaald schema, waardoor ik anders kan handelen. De gezonde volwassene staat al veel meer op de voorgrond. Het is dus zeker niet uitzichtloos, al kan het nog vaak zo voelen.

KOPP
Ik schreef al eerder over mijn eigen ervaring omtrent KOPP (kinderen van ouders met psychische problematiek). (Hier te lezen.)
Toch wil ik KOPP nog een keer benoemen omdat ik in therapie een belangrijke ontdekking deed. Het blijft speculeren, maar mijn behandelaar gaf aan dat ik het zo kan zien dat allebei mijn ouders psychisch ziek waren en zijn. Ze waren beide getraumatiseerd en er was waarschijnlijk sprake van depressie en van (borderline) persoonlijkheidsproblematiek. Door deze psychische problematiek waren zij gewoonweg niet in staat om mij de zorg te bieden die ik nodig had. Hoe kun je immers liefde geven, als je zelf nooit liefde hebt gekregen? Mijn moeder verweet mij dat ik afstandelijk en vermijdend naar haar was tijdens haar ziektebed, maar hoe kon ik emotioneel beschikbaar zijn als zij dat niet voor mij was? We leefden in een gezinssysteem waar ieder behoefte had aan emotionele steun, maar geen van ons kon het elkaar geven…

Het vergeten kind
Tijdens het schrijven van dit stuk merk ik dat ik mij schuldig en ondankbaar voel. Ook ben ik bang dat ik mijn ouders hierdoor in een wel heel kwaad daglicht heb gesteld, ook al heb ik geprobeerd het zoveel mogelijk bij mezelf te houden. Nogmaals: mijn ouders valt niets kwalijk te nemen. Zij hebben zelf een zware jeugd en een zwaar leven gehad, dus hoe konden zij ook anders? Toch vind ik het belangrijk over dit thema te schrijven. Emotionele verwaarlozing wordt immers snel over het hoofd gezien en is ook in mijn geval helaas niet op tijd opgemerkt. Dit roept op dit moment dan ook vragen op: waarom werd er niet ingegrepen?

Hoe dan ook, bij tijdige signalering kan een hoop leed, voor zowel ouders als kinderen worden bespaard! Bij de KOPP-groepen waar ik stage liep, zag ik immers hoe ouders en kinderen weer naar elkaar toegroeiden, door de ondersteuning die aan beiden werd aangereikt. Mijn behandelaar beschreef laatst dat een oud-cliënt van haar iets zei over dit thema wat haar is bijgebleven en wat nu ook bij mij is blijven hangen:
“Het kind dat om aandacht schreeuwt en om zich heen slaat en schopt redt zich wel. Let alsjeblieft ook op het kind dat zich ondertussen verstopt achter de gordijnen. Die heeft óók hulp nodig”. Met andere woorden; zie deze stil en teruggetrokken kinderen alsjeblieft niet over het hoofd!

Tot slot nog advies van klinisch psycholoog Carlijn de Roos aan hulpverleners, dat ik zelf als toekomstig hulpverlener ook zeker in acht zal nemen:

“Kaart een vermoeden van emotionele verwaarlozing altijd bij de ouders aan. Vraag hoe het gaat met de opvoeding en of er hulp nodig is. Voor lichte klachten zijn er allerlei preventieve opvoedcursussen. Heeft het kind forse problemen, zoals een depressie, dan komt de ggz in beeld. Bij grote zorgen over de veiligheid van het kind kun je een melding bij het AMK doen.”

 

Bronnen:
https://www.linkedin.com/pulse/emotionele-verwaarlozing-last-van-wat-er-niet-gebeurd-janine-janssens/
http://www.augeomagazine.nl/nl/magazine/4068/703592/blauwe_plekken_op_de_ziel.html
https://www.depsycholoog.nl/emotionele-verwaarlozing/
https://www.zorgwelzijn.nl/emotionele-verwaarlozing-bron-voor-depressie-en-angst-zwz016157w/
Multidisciplinaire richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen (PDF)
https://www.deviersprong.nl/persoonlijkheidsstoornissen/de-ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/kenmerken/
http://www.schematherapieopleidingen.nl/wp-content/uploads/2016/10/Slides-Fine-Tuning-IR-NL.pdf
Lentis GGZ ‘Door Dik en Dun’ (YouTube)

De EMDR-sessies (deel 2)

Een paar weken terug zijn we in therapie gestart met Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) om ervoor te zorgen dat ik geen last meer heb van beelden, herbelevingen en heftige schrikreacties. Het zien of horen van ambulances, ziekenhuis- of begrafenis scènes op televisie en lijkwagens, triggeren deze reacties bij mij omdat ik last heb van een posttraumatische stress stoornis (PTSS). In dit vorige artikel kun je lezen hoe de eerste sessie is gegaan. Het artikel dat je nu leest zal gaan over de tweede sessie.
(Update: inmiddels is er ook een deel 3)

Er zit een flinke tijd tussen het schrijven over de eerste en tweede sessie, terwijl er in werkelijkheid maar een tijdspanne van een week tussen deze sessies zat. Toch wil ik nog schrijven over deze sessie. Hier volgt een update:
(Nog even waarschuwing vooraf: ik beschrijf in dit artikel gedetailleerd een beeld met betrekking tot het overlijden van mijn moeder, gezien dat van mij werd gevraagd tijdens de EMDR sessie. Ik raad aan niet verder te lezen als je zelf ook gevoelig bent voor dit soort beelden.)

Terugkijken
Op de vraag hoe het in de tussentijd is gegaan, antwoordde ik dat ik al wat heftiger leek te reageren op o.a. ambulances. De ‘vier elementen-oefening’ had ik thuis nog één of twee keer gedaan, maar het vaker oefenen hiervan schoot er een beetje bij in. Een verklaring hiervoor had ik niet. Vergeetachtigheid? Uitstellen? Vermijding? Zou allemaal kunnen.
moving forward by looking backWe spraken af dat we voorafgaand aan de EMDR eerst de vier elementen-oefening zouden doen. Verder gaf ze aan dat ze tijdens de EMDR wat anders zou reageren dan ik van haar gewend ben van de reguliere therapie-sessies. Ze vertelde dat ze wat kortaf zou reageren en ook niet veel zou ingaan op wat ik zei, omdat ze mij bij het EMDR-proces niet te veel mag afleiden. Het was fijn dat ze dit aangaf, aangezien ik mezelf (en mijn dictator) er wel voor aan zie om zoiets persoonlijk aan te trekken. Nu was het zaak om de beelden/herinneringen te inventariseren waar ik last van heb en te beoordelen welk beeld we vandaag zouden behandelen. Ik koos voor de herinnering die ik nog regelmatig herbeleef, aangezien die mij nog het heftigste leek en daardoor de meeste noodzaak had om vanaf te komen.

Ik nam plaats op de stoel, terwijl mijn therapeute de iPad klaar voor opname maakte. Deze sessie zou namelijk wel worden opgenomen ten behoeve van supervisie. Toen zij naast mij plaatsnam, gingen van start met het doen van de vier elementen-oefening. Even raakte ik afgeleid door de iPad, maar al heel snel vergat ik het hele ding en het feit dat ik werd opgenomen. Vervolgens gaf ze uitleg over hoe de EMDR in zijn werk zou gaan. De bedoeling was dat ik zou denken aan een beeld terwijl ik haar vingers met mijn ogen zou blijven volgen. Dan zou ze mij vragen wat er bij mij opkomt. Ook zou ze regelmatig vragen hoe sterk het beeld nog is op een schaal van 1 tot 10. Dit zouden we blijven herhalen. Belangrijk om te weten was dat er geen goed of fout bestaat bij wat er bij mij opkomt.

Vingervlug
e2335ccb61b256407c63af32cd9a696cAls eerst moest ik de situatie tot in detail vertellen. Het beeld begint bij het moment dat ik uit de auto van mijn neef stap en het ziekenhuis in ren, door de hal, langs de receptie, naar de lift. Aangekomen op de derde etage begin ik weer te rennen, sla op de rode knop zodat de elektrische deuren openen en ren over de afdeling richting haar kamer. Als de kamer in zicht komt, zie ik de deur op een kier staan. Ik gooi de deur open en zie haar direct liggen in bed in een onnatuurlijk houding. Haar ogen dicht en haar handen op haar buik. Zonder erbij na te denken stort ik me bovenop haar in een omhelzing en begin op haar borstkas ontzettend te huilen. Het deed me niets dat er in de kamer nog andere mensen waren.
“Wat is het heftigste beeld in deze situatie?”, vroeg mijn therapeute.
Ik antwoordde dat het beeld van mijn moeder, levenloos in bed, het meeste met me doet om voor me te zien.
“Wat doet het beeld precies met je?”
“Ik vind het eng mijn moeder zo te zien en ik voel me schuldig dat ik er niet was toen ze overleed.”
“Hoe naar is het beeld om naar te kijken op een schaal van 1 tot 10?”
“Een 9.”,
antwoordde ik.
“Concentreer je op het beeld en de bijbehorende angst en het schuldgevoel, terwijl je mijn vingers volgt.”
Al snel begonnen de tranen over mijn wangen te stromen en ik merkte dat ik sneller ging ademen. Een paar minuten geleden vertelde ik nog redelijk neutraal over de situatie. ‘Helaas’ begon ik nu wel te voelen.
“Wat komt er in je op?”
“Ik voel me angstig. Ik streel over mijn moeders arm en houd haar hand vast. Ze zei de dag ervoor dat ze dat fijn vond. Haar hand begint steeds kouder aan te voelen.”
“Houd dat beeld vast.”
Een nieuwe set van de handbeweging volgde.
“Wat komt er nu in je op?”
“Ik word omhelsd door mijn tante die nu ook de kamer is binnengekomen, maar vind het niet fijn.”
“Richt je op dat beeld.”
Weer de handbeweging.
“En nu?”
“Een arts vraagt of mijn vader met hem mee wil komen. Mijn vader vraagt mijn oom mee en ik zeg dat ik ook mee wil.”
“Hoort dit bij het beeld of is dit een ander beeld?”
“Een ander beeld.”
“Oké, ga nog even terug naar het beeld van je moeder in het ziekenhuis bed. Ben je terug bij dat beeld?”
Ik knikte.
“Hoe naar is het beeld om naar te kijken op een schaal van 1 tot 10?”
“6”
“Oké, gaan we weer.”
Ik volgde weer haar vingers.

Na een aantal keer bovenstaande te hebben herhaald, vroeg mijn therapeute weer:
“Wat komt er nu in je op?”
Na even nadenken antwoordde ik: “Niets.”
“Hoe naar is het beeld op een schaal van 1 tot 10?”
“1”, antwoordde ik verbaasd.
“Gezien de tijd lijkt dit me een goed moment om zo meteen voor vandaag af te ronden. Neem het beeld nogmaals voor je en houd de gedachte ‘Ik kan het aan’ hierbij vast.”
Het duurde even, maar uiteindelijk voelde de gedachte ‘Ik kan het aan’ bijna reëel. Gelukkig hoefde deze gedachte op een schaal van 1 tot 10 nog geen 10 te zijn voordat we konden stoppen.

Evalueren en sessie #3
1_chairNa deze pittige tweede sessie namen we weer plaats in de ‘reguliere therapie’-stoelen bij het raam. We praatten nog even na over hoe ik het vond en hoe ik me nu voelde. Ik gaf aan dat ik het intensief vond en erg moe was. Ze vroeg naar mijn plannen voor de rest van de dag en ik merkte dat het vertellen hiervan fijne afleiding was. Ik had mijn vriend namelijk gevraagd thuis te blijven en samen met mij afleiding te zoeken. Best een grote stap voor iemand die zelden hulp vraagt.
Toen ik een week later de kamer inliep voor sessie nummer 3, stonden de stoelen en de iPad al klaar. Op de vraag hoe ik erbij zat, antwoordde ik zo gauw als ik kon dat het niet zo goed ging en dat ik twijfelde of ik wel door moest gaan met de EMDR. Ik had die week namelijk veel last gehad van heftige reacties op ambulances en kon nauwelijks tv kijken doordat ik vaak getriggerd werd door bepaalde beelden. Vooral het zien van dode mensen was een grote trigger en zorgde voor een herbeleving en/of huilbui. Ook had ik veel last van angst dat mijn vriend iets zou overkomen. Ik kreeg dan ook steeds vaker dromen waarin familieleden overlijden. Door dit alles en het ontbreken van een dagbesteding (en dus afleiding), vond ik het steeds lastiger alleen thuis te zijn. Deze dagbesteding ontbreekt doordat ik tijdelijk niet heb kunnen studeren vanwege een depressieve periode, de start van de zomervakantie en doordat ik niet kan werken i.v.m. mijn Wajong uitkering. Het vinden van passend vrijwilligerswerk is tot nu toe nog niet gelukt. Afspreken met vrienden was ook lastig omdat zij vaak niet konden vanwege werk en/of andere plannen.
Uiteindelijk begonnen suïcidale gedachten toe te nemen, omdat alle gevoelens steeds minder draaglijk werden. De conclusie was: de EMDR is op deze manier lastig vol te houden door gebrek aan afleiding/dagbesteding en steun van mijn omgeving.

“Weet je nog hoe je het de vorig keer hebt volgehouden?”, vroeg mijn therapeute. Ik dacht diep na. Tegelijkertijd zeiden we: “Nee, toen had ik nog minder steun vanuit mijn omgeving” en “…want volgens mij had je toen nog minder steun vanuit je omgeving dan nu.”
“Inderdaad, geen idee hoe ik dat toen heb volgehouden”
, zei ik.
Mijn therapeute stelde voor om wel EMDR te doen, maar ik weet niet meer precies wat het voorstel was. In ieder geval zouden we niet het beeld van vorige week nemen. Misschien was het weer de veilige plek of het focussen op de gedachte ‘Ik kan het aan’.
Ik stemde hiermee in, maar net toen we zouden opstaan sprongen de tranen in mijn ogen. Zelfs dat durfde ik niet. Het voelde alsof ik mezelf nog net staande kon houden en als we weer EMDR zouden, was ik bang dat ik zou instorten.
We spraken af dat we de EMDR voor vandaag in ieder geval zouden laten zitten. Ik voelde me direct opgelucht. Wel zei ze nog: “Ik heb er trouwens nog over nagedacht en wilde je wat voorleggen. Voor de eventuele volgende keer lijkt het me handig de situatie te behandelen waar de ambulance-trigger door is ontstaan. Wat vind jij daarvan?”
“Dat is inderdaad misschien beter. Dat beeld is volgens mij ook wat minder heftig dan het beeld dat we hiervoor hebben gedaan”, antwoordde ik.

“Waar moet het nu over gaan?”, vroeg ze.
Ik herinnerde me dat ik de vorige sessie al eindigde met “1” met hoe heftig ik het beeld ervoer op een schaal van 1 tot 10. Toch klopte dat niet, omdat ik eenmaal thuis juist erg veel last had van datzelfde beeld. Bij elk lijk dat ik op tv zag, schoot ik bijna weer in een herbeleving. Ik vertelde haar dat ik volgens mij dissocieerde en daardoor even niets meer voelde. Dat ik dus bij die window of tolerance (zie deel 1 voor uitleg) over de ondergrens was geschoten. “Dat zou heel goed kunnen”, zei ze.
(Doordat ik even niet voelde heb ik overigens ook het heftige beeld in deze blog kunnen beschrijven.)
“Aan de ene kant was het fijn, om even niets meer te voelen tijdens de EMDR; een soort pauze. Aan de andere kant heb ik nu zoiets: zo schiet het voor geen meter op. Ik moet juist voelen wil de therapie werken.”, vertelde ik.
Ze glimlachte. “Zo werkt het helaas niet. Als je even niets meer voelt, dan voel je even niets meer. Dat hoort bij het stuk: het maakt niet uit wat er in je opkomt. Er is geen goed of fout. Maar je bent zeker niet de enige die zich daar druk om maakt. Ik heb wel eens gehad dat ik bezig ben met de handbeweging en dat iemand zich naar mij toe buigt en vraagt: ‘Doe ik het zo goed?’.”
Ik zag het voor me en schoot in de lach. Beetje bij beetje voelde ik me wat meer ontspannen.
carry on
Sessie #3 en sessie #4 hebben tot op heden dus nog niet plaatsgevonden. Een week later stond er geen iPad meer op tafel en stonden er geen stoelen klaar. We spraken af dat we ons eerst zouden richten op het vergroten van mijn ‘steunnetwerk’, voordat we de EMDR zouden voortzetten. Bovendien zou mijn therapeute bijna met vakantie gaan. Zelf zou ik dan ook vakantie hebben, dus daar wilde ik van kunnen genieten. Daarbij ga ik in september starten met een voltijd stage van 10 maanden en 4 dagen in de week bij een GGZ instelling. Dan kan ik het me niet veroorloven om nog midden in een EMDR proces te zitten.
Maar ach, de PTSS loopt niet weg. Deed het dat maar, dat zou me wel van pas komen. 🙂

Wordt dus vervolgd…

Echt, HEMA?

“Voor alle soorten moeders, ook moeders die er niet meer zijn: nu 100 kleuren nagellak.” Zo luidt de boodschap uit de laatste moederdag-commercial van de winkelketen HEMA. Ik schoot er in de eerste instantie van in de lach; menen ze dit echt?! Welk briljant persoon heeft deze reclame bedacht? Maar moederdag vieren met een moeder die er niet meer is, op wat voor leeftijd en om wat voor reden dan ook, blijkt een dooie boel en eigenlijk ook niet zo grappig.

Moederdagcadeau tips
Het idee van de HEMA commercial is best mooi; hoewel iedere moeder anders is, ze zijn allemaal op hun eigen manier mooi en verdienen daarom op moederdag een cadeau (van de HEMA). Daarbij lijken ze –  heel tactvol – ook te willen stilstaan bij moeders die overleden zijn. Toch slaan ze vervolgens met de tip: 100 kleuren nagellak, helaas gigantisch de plank mis. De versie op YouTube heeft HEMA inmiddels aangepast. Die op TV ook, hoorde ik zo net van een Twitteraar. Heel netjes van ze, al heeft HEMA niet gereageerd toen ik hen hierover (ook netjes) een vraag stelde op Twitter. Volgens LINDAnieuws was ik niet de enige die hierover struikelde. Desondanks vergeef ik je voor je fout HEMA, écht. De bedoeling was goed.

Toch struikel ik ook over alle andere moederdag reclames. Niet omdat die ook niet kloppen, maar omdat je er mee wordt doodgegooid. Ze confronteren mij overal waar ik ben met het feit dat ik moederdag niet meer met mijn moeder kan vieren. Het lijkt me overal te achtervolgen deze maand: in zowat alle winkels die ik bezoek of passeer, op de radio, op TV en ook terwijl ik bij de halte op de bus sta te wachten. Het lijkt wel steeds meer om commercie te draaien dan het daadwerkelijk in het zonnetje zetten van moeders.
Een winkelmedewerkster hoorde mij van de week met een vriendin over de HEMA reclame praten en zei: “Oh, die reclame vind ik zó mooi gedaan!”. Ik legde haar voor dat ik nagellak in 100 kleuren een beetje een gekke cadeautip vind voor de zogenoemde ‘moeders die er niet meer zijn’. Ze zei dat ze zich dit niet had gerealiseerd en vertelde vervolgens dat zij het in haar winkel lastig vindt om mensen te benaderen voor hun eigen moederdag-actie: “Ik weet dat niet iedereen nog een moeder heeft en ik dus niet zomaar op hen kan afstappen, maar ik moet tóch verkopen.”

PTSS triggers
It's mayNaast dat moederdag moeilijk is vanwege het missen van een moeder om deze voor haar bestemde dag mee te vieren, vindt het ook nog eens plaats vlak voor de sterfdag van mijn moeder. Bijna 10 jaar geleden kocht ik een moedercadeau voor mijn moeder. Ze overleed echter zonder het te hebben ontvangen of gezien te hebben.
Zo zijn moederdag en de sterfdag van mijn moeder door deze associatie nóg meer onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt. Ondanks dat ik erg van de lente houd, is de maand mei dus niet bepaald mijn favoriete maand van het jaar… Rond deze periode ben ik namelijk lichtgeraakt, snel emotioneel, krijg ik sneller een flashback dan gewoonlijk en raak ik sneller in een herbeleving. Dit komt omdat ik na het overlijden van mijn moeder last kreeg van een post traumatische stress stoornis (PTSS). Kenmerken van deze psychische aandoening zijn onder andere het ervaren van flashbacks en herbelevingen van de traumatische gebeurtenis. Later zal ik in een ander artikel (zie: ‘Op het netvlies gebrand‘) nog wat uitgebreider ingaan op wat PTSS precies inhoudt en hoe dat bij mijzelf tot uiting komt.

Moederdag survival tips
Om toch op een fijne manier moederdag door te komen, heb ik een aantal tips op een rijtje gezet die ik zelf door de jaren heen heb gehoord of zelf heb bedacht/uitgeprobeerd. Voor ‘sterfdagen’ (bij gebrek aan een beter woord), zou je deze tips ook kunnen gebruiken.

  • Herdenk je moeder (met of zonder iemand) door middel van het bezoeken van het graf of een andere symbolische plek en/of brandt een kaarsje voor haar.
  • Koop alsnog een bos bloemen of iets anders waar zij van hield en plaats het evt. naast een foto van haar in huis.
  • Haal herinneringen op met je gezin of andere mensen die jouw moeder hebben gekend.
  • Schrijf een brief aan je moeder en vertel daarin wat je aan haar kwijt zou willen. Het kan zijn dat je wilt zeggen hoeveel je haar mist, maar ook onuitgesproken boosheid kan op deze manier wellicht een plek krijgen. Je hoeft het niet persé aan een vlieger vast te maken, mag wel. (Sorry, flauw…)
  • Koop een moederdagcadeau voor iemand anders en vier moederdag met bijvoorbeeld je oma, stief-/schoonmoeder of een andere zorgzame vrouw in je leven.
  • Zoek afleiding en ga iets doen wat je leuk vindt om niet te veel stil te hoeven staan bij moederdag. Vraag eventueel een vriend of vriendin mee.

Ik rouw van jou
Een psychotherapeute deelde tijdens therapie eens dat zij haar moeder zelf ook op jonge leeftijd had verloren. Dit vond ik zó steunend! Daarnaast gaf zij aan dat ‘familiedagen’ als moederdag en kerst altijd wel moeilijk zullen blijven, maar ook belangrijke life-events zoals een eventuele bruiloft of het moment dat je zelf moeder wordt zullen pittig blijven. Toch denk ik dat ik na de geboorte van mijn eerste kind moederdag in ieder geval eindelijk weer wat leuker zou gaan vinden.

Bij dezen wil ik in ieder geval iedereen – in wat voor gezinssamenstelling dan ook of het om wat voor reden dan ook moeilijk heeft – veel sterkte en desondanks een fijne dag toewensen. Dit geldt voor aanstaande moederdag, maar ook elke andere (ook niet-commerciële) dag waarop het gemis van een dierbare extra voelbaar is.

Tot slot nog een tip van een mijns inziens wijze en inspirerende vrouw:JK tweet

Lang zal ze leven?

Waarschuwing vooraf: denk goed na of je dit artikel wilt lezen. Ik wil het taboe op zelfmoord doorbreken door er over te schrijven, wetende dat het onderwerp ook triggerend kan zijn wanneer je al kampt met gedachten aan de dood.
Herken je deze gedachten: praten kan helpen… echt. www.113online.nl

 


De laatste tijd lijkt er in de media veel te doen omtrent het onderwerp euthanasie/zelfmoord. Zo raakte de Levenseindekliniek in opspraak door de gelijknamige documentaire, stonden de kranten vol met het bericht dat BN’er Wim Brands zichzelf van het leven heeft beroofd en hoorde ik afgelopen week het bizarre nieuws dat in een Canadees dorpje op één dag 11 mensen een zelfmoordpoging deden. Daarnaast was het afgelopen week in Amerika ‘Depression Awareness week’. In other news: ik ben vandaag jarig. Dit leek me een uitstekende gelegenheid om dit onderwerp te bespreken en daarmee te proberen het taboe te doorbreken.

Cijfers
Veel mensen in Nederland krijgen in hun omgeving ooit met suïcide of een poging daartoe te maken. Gemiddeld maken jaarlijks zo’n 1500 mensen in Nederland een einde aan hun leven. Het aantal mensen dat erover denkt, ligt veel hoger: boven de 400.000. Van deze mensen doet bijna een kwart een suïcidepoging. Bij 14.000 mensen zijn de gevolgen hiervan zo serieus dat ziekenhuisopname nodig is.
Vrouwen overwegen vaker dan mannen om hun leven te beëindigen en doen ook meer pogingen. Twee keer zoveel mannen maken daadwerkelijk een einde aan hun leven. Jongeren in de puberteit en ouderen zijn een extra kwetsbare groep. Eén op de zes jongeren denkt wel eens aan suïcide. Die gedachten kunnen uitmonden in zelfverwonding of pogingen tot suïcide. In driekwart van de gevallen gebeurt dat impulsief en/of onder invloed van alcohol of drugs. Ouderen maken verhoudingsgewijs vaak een einde aan hun leven. Verklaringen hiervoor zijn met name depressie, eenzaamheid, verlies, conflicten in de familie en lichamelijke aandoeningen.
Bron: Fonds Psychische Gezondheid

Hoe komt het?
Volgens Alen Frances in het boek ‘Stemming en Stoornis‘ komen gedachten omtrent zelfdoding voort uit de door de depressie veroorzaakte sterke vervormingen van het cognitief denken. Iemand met suïcidale gedachten is er van overtuigd geraakt dat het leven met zijn/haar hele toekomst niets meer zal worden of minstens even ellendig zal zijn als het heden. Hij of zij verliest het feit uit het oog, of kan niet geloven, dat bijna iedereen met een depressie er weer bovenop kan komen en dan zowel het verleden als de toekomst er heel anders (realistischer) uit zal zien (Frances & First, 1999).
Met andere woorden: suïcidale gedachten zijn een verstoring in het denken.

e67bab2b9e81539a794beb1d38ffe7f2In het boek ‘Piekeren over zelfdoding‘ staat dat gedachten aan zelfdoding vaak ontstaan in reactie op problemen die groot en onoplosbaar lijken. Denken aan zelfdoding kan dan ook een vorm van zelfbescherming(/copingsstrategie) zijn: je beschermt jezelf hiermee tegen een nog groter onheil, door te moeten leven met een uitzichtloos toekomstperspectief, door te moeten leven met ondraaglijke gevoelens van eenzaamheid, of door te moeten leven en te voelen dat je helemaal geen gevoel meer hebt zoals voorkomt bij een depressieve aandoening. Sommige mensen geven bijvoorbeeld aan dat zij euthanasie zouden willen plegen wanneer zij dement zouden worden of na een ongeluk zouden moeten leven als ‘kasplantje’. Ook hierbij is de gedachte aan zelfdoding een geruststellende en/of beschermende gedachte. Het wordt pas problematisch, wanneer je geen controle meer hebt over gedachten aan zelfdoding en je blijft hangen in eindeloze piekergedachten. In het Frans wordt piekeren dan ook treffend torturer l’esprit genoemd: het martelen van de geest (Kerkhof & van Spijker, 2012).

Het Fonds Psychische Gezondheid stelt in hun brochure over suïcide dat mensen die een einde aan hun leven maken, op het moment dat ze dat doen bijna altijd depressief zijn. Toch is een depressie zelden de enige oorzaak van een suïcide. De meeste mensen met een depressie maken geen einde aan hun leven, maar de kans dat ze dat doen is wel groter dan bij mensen die geen depressie hebben. Extra risico lopen mensen die net met antidepressiva zijn begonnen. Het duurt enkele weken voordat deze medicijnen tot verbetering van de stemming leiden. In die periode is de kans op suïcide verhoogd. Het is niet duidelijk waarom dat zo is. Het is wel een reden om dan extra alert te zijn.
Alen Frances noemt in zijn boek een andere situatie waarin men extra alert moet zijn, namelijk; wanneer iemand met een zware depressie wat meer energie lijkt te krijgen. Dit komt doordat wanneer er sprake is van een ernstige depressie, mensen vaak niet de fut of besluitvaardigheid hebben om de gedachten over zelfdoding om te zetten in acties. Het kan zo maar zijn dat wanneer iemand weer opkrabbelt, wel weer voldoende fit is om een actie als zelfdoding inderdaad uit te voeren, maar nog niet om van tevoren met rationele gedachten de consequenties van deze actie te overzien.

Risicofactoren
In het vorige kopje werd duidelijk dat niet alleen het hebben van een depressie een oorzaak hoeft te zijn voor het hebben van suïcidale gedachten. Uit onderzoek is bekend dat suïcide vaker voorkomt bij mensen die al eerder een poging hebben gedaan.  Hier volgt een opsomming van een aantal risicofactoren van suïcide:Hold on pain ends lyka

  •  Psychische problemen. Mensen met een depressie of depressieve klachten, schizofrenie, een psychose, persoonlijkheidsstoornissen of een alcohol- of drugsverslaving vormen een belangrijke risicogroep.
  • Traumatische of schokkende ervaringen. Nare gebeurtenissen uit het verre of recente verleden zijn een risicofactor. Zoals de dood van een dierbare, seksueel misbruik, lichamelijke of emotionele mishandeling of marteling, dreigende pijnlijke onthullingen en abrupt verlies van vrijheid of sociale status.
  • Eerdere ervaringen met suïcide (in de omgeving). De helft van de mensen die een einde aan hun leven maken, heeft dat eerder geprobeerd. Suïcide komt ook vaker voor bij mensen die dit in hun omgeving hebben meegemaakt. Deze mensen kunnen suïcide als een mogelijke oplossing van problemen gaan romantiseren of raken ‘aangestoken’ door de voorbeelden. Suïcide komt ook in bepaalde families en regio’s meer voor dan in andere.
  • Iemands persoonlijkheid. Een verhoogd risico lopen mensen die impulsief of agressief op problemen reageren, erg onzeker zijn over zichzelf, moeilijk problemen kunnen oplossen, erg streng voor zichzelf zijn en erg zwart-wit denken, makkelijk in de war of teleurgesteld raken of snel wanhopig zijn.
  • Sociale kenmerken. Van mensen in moeilijke sociale of economische situaties is bekend dat zij een groter risico lopen. Voorbeelden zijn mensen die erg eenzaam zijn, mensen met een ernstige lichamelijke aandoening of dodelijke ziekte, asielzoekers en vluchtelingen die een marginaal bestaan leiden. Ook ouderen boven tachtig jaar en jongeren in de puberteit lopen een groter risico.Bron: Fonds Psychische Gezondheid

muchpainNaast bovenstaande risicofactoren, spelen factoren als draagkracht en draaglast ook een rol. De draaglast (belasting) wordt gevormd door factoren en eisen uit je omgeving die spanning veroorzaken. De draagkracht (belastbaarheid) wordt bepaald door jouw mogelijkheden om stress te voorkomen en er mee om te gaan. Wanneer de draaglast zwaarder weegt dan de draagkracht, is het risico op suïcide groter.

Hoe voelt suïcidaliteit?

“Neem het refrein van Heb je even van mij van Frans Bauer. Je hebt het in je hoofd en het gaat er niet meer uit. Je hoort het tijdens het koffie zetten, onder de douche, in de auto naar je werk. Je hoort het als je in bed ligt. Het houdt niet op, wat je ook probeert. Je kunt er zelfs niet meer van slapen, zelfs niet na drank of pillen. Na een week heb je, uitgeput, nog maar één wens: dat het stopt.
Zo voelen mensen zich die aan zelfmoord denken, zegt hoogleraar suïcidepreventie Ad Kerkhof. Ze willen ontsnappen aan zich herhalende kwellende gedachten. Ze willen niet dood, ze willen dat het ophoudt. Het piekeren, de chaos in hun hoofd.”

Bron: http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/02/10/in-sommige-talen-is-er-geen-woord-voor-depressie-1589204

Voor mij voelt suïcidaliteit o.a. hoe deze hoogleraar – met een onfortuinlijke naam wat betreft zijn specialisme – dit hierboven beschrijft; op een gegeven moment overheersen de gedachten niet alleen mijn denken, maar ook mijn gevoel, mijn hele dag en mijn leven. Alles in mij lijkt er mee bezig te zijn. Bomen zijn dan niet meer zomaar bomen, maar zijn wel/niet te beklimmen en wel/niet afgelegen genoeg. Medicijnen zijn niet meer om beter van te worden, maar een middel van vergiftiging. Elke viaduct die ik zie is geen overbrugging van een weg, maar doet mij denken aan de zelfmoord van mijn broer.

Ik weet dan heus wel dat het geen oplossing is voor de problemen die ik ervaar, maar ik voel mij dan zo wanhopig dat het wel de enige oplossing lijkt om heftige gevoelens zoals intens verdriet, schaamte en minderwaardigheid niet meer te hoeven voelen. Te ontsnappen aan gevoelens van ondraaglijk lijden. Ook ben ik heus wel bezig met wat het met mijn omgeving zou doen: voor mijn vader zou het bijvoorbeeld betekenen dat het laatste overgebleven lid van zijn gezin ook overlijdt. Dat doet echt nog wel wat met me, maar tóch blijft de mogelijkheid van dood gaan verleidelijk. Ik weet immers geen andere manier meer om er mee om te gaan. Daarbij zie ik geen toekomst meer; alles lijkt uitzichtloos.

Mijn ervaringen
Zoals je in vorige artikelen op mijn blog hebt kunnen lezen en zoals het staat geschreven in mijn GGZ dossier, heeft mijn broer zichzelf gesuïcideerd toen ik 6 jaar oud was. Ik kreeg dus op jonge leeftijd niet alleen al te maken met het thema ‘dood’, maar ook thema’s als  rouw en suïcide.

Op latere leeftijd begon ik zelf Storms don't last foreversuïcidaliteit te ervaren; toen ik 14 jaar was werd ik niet alleen gediagnosticeerd met een depressie, maar raakte ik er van overtuigd dat ík had moeten sterven in plaats van mijn broer. Dit had o.a. te maken met schuldgevoelens over mijn broers dood en een laag zelfbeeld. Door middel van therapie raakte ik de overtuiging dat ik maar beter dood kon zijn wat meer kwijt.
Toch bleef ik last houden van suïcidale gedachten naast het hebben van een depressie. Op 17-jarige leeftijd kwamen de suïcidale gedachten voort uit het hebben van een moeilijke thuissituatie; een moeder die terminaal ziek was en daarnaast een slechte band hebben met beide ouders. Ik voelde me moedeloos en machteloos over de situatie en had het gevoel dat ik de situatie en het leven niet meer aan kon. Uiteindelijk gingen de zelfmoordgedachten over in het maken van plannen en leidde dit tot een crisisopname.
Ook na het overlijden van mijn moeder hield ik dit gevoel én de suïcidale gedachten. Toen mijn vader 3 jaar geleden een herseninfarct kreeg en het daardoor even onzeker was of hij het zou overleven, had ik wederom een depressie en was ik ook net bezig met het opbouwen van antidepressiva. De suïcidale gedachten begonnen toe te nemen toen mijn vader al een aantal weken bezig was met revalideren en ik in de tussentijd twee maanden alleen in mijn ouderlijk huis zat. Deze gedachten (en wellicht ook het medicijnengebruik) leidden op mijn 23e uiteindelijk tot een eerste zelfmoordpoging; in vaktermen een tentamen suïcide, waarvoor ik (gelukkig) niet ben geslaagd.

Voor mijn gevoel heeft het thema ‘suïcide’ altijd al een rol in mijn leven gespeeld. Het is voor mij zelfs iets geworden wat normaal is. Dit komt denk ik o.a. doordat ik vrede heb met de zelfmoord van mijn broer; ik neem het hem niet kwalijk en denk ongeveer te begrijpen waarom hij het heeft gedaan, maar mis hem wel ontzettend.
Het zou kunnen dat ik onbewust gedurende mijn leven gek genoeg suïcide ben gaan romantiseren. Dit terwijl ik dus zelf heb ervaren wat het teweeg kan brengen bij de directe omgeving…
De manier waarop mijn moeder over mijn broer sprak na zijn overlijden hielp denk ik ook bij het romantiseren. Ik werd na zijn dood regelmatig met hem vergeleken; “Angelo ruimde wel altijd zijn kamer op” of “Angelo bood wel altijd uit zichzelf aan te helpen met de afwas”.
Daarnaast wist ik dus al vroeg van het bestaan van zelfdoding af. Het zou kunnen zijn dat als ik in mijn jeugd niet was geconfronteerd met een suïcide, dat ik zelf minder snel aan suïcide zou hebben gedacht als optie. Uit onderzoek is immers gebleken dat een suïcide in het gezin een risicofactor kan zijn. Daarnaast leed ook mijn (half-)broer aan een depressie, net als de moeder van mijn vader, de broer van mijn moeder en inmiddels mijn vader zelf. Er zou dus ook van een erfelijke factor sprake kunnen zijn, van beide kanten van mijn familie.

‘Lang zal ik leven’ als doel
Zoals ik eerder al benoemde, ben ik vandaag jarig. Zesentwintig jaar ben ik geworden. Een hele prestatie vind ik zelf gezien mijn wensen en poging om een einde te maken aan mijn bestaan. Het vieren van mijn verjaardag voelt dan ook dubieus; op dit moment heb ik namelijk ook last van suïcidale gedachten, al kan ik ze inmiddels veel beter relativeren dan vroeger. Toch zijn ze er wel en zorgt dat ervoor dat ik moeite heb met het vieren van mijn 26-jarig bestaan, omdat ik soms nog steeds liever had gewild dat ik er al niet meer was geweest. Hoe het komt dat ik er nog steeds ben?

ad kerkhofIk denk omdat het nu vaker lukt om andere keuzes te maken. Dit is gelukt dankzij therapie. Na de mislukte poging stemde ik bijvoorbeeld in om met mijn behandelaar door middel van het boek ‘Piekeren over zelfdoding‘ te werken aan het tegengaan van de overheersende gedachten aan zelfmoord. Door de oefeningen die gebaseerd zijn op cognitieve gedragstherapie, leerde ik de gedachten accepteren; het is niet erg dat ze er zijn en je kunt ze zelfs leren controleren. Dat kan door o.a. gedachten uit te dagen en jezelf alternatieve gedachten eigen te maken. Dankzij dit boek ben ik minder angstig voor mijn gedachten aan zelfdoding en lukt het beter om gedachten als ‘ik kan het niet meer aan’ of ‘het zal nooit beter worden’ te relativeren.

Dat de neiging om een zelfmoordpoging te doen minder is geworden komt vooral doordat ik mij minder eenzaam voel. Ondanks het hebben van lieve, steunende vrienden heb ik vaak ervaren dat ik er in moeilijke tijden alleen voor stond. Dit heeft voornamelijk te maken met mijn hechtingsproblemen. Sinds ik twee jaar geleden een relatie kreeg, is het gevoel van eenzaamheid aanzienlijk afgenomen. Er is nu iemand waar ik mee samen woon die erg veel van mij houdt en zelfs een leven met mij zou willen opbouwen. kinderen
Zelf wil ik – ondanks mijn suïcidale gedachten – ook oud worden met mijn vriend. Een mooi toekomstperspectief en een krachtige motivatie om toch maar te blijven leven.
Verder heb ik mezelf in suïcidale periodes vaak afgevraagd: wat zou ik nog willen behalen in het leven? Het antwoord is altijd geweest: moeder worden. Mijn kinderwens is voor mij altijd een sterk motief geweest om het leven toch nog wat langer vol te houden.

Hoe anderen mij hebben geholpen in periodes van suïcidaliteit is vooral door te zeggen: “Ik kan/wil je niet missen” of “Ik wil je zo graag nog langer kennen”. Zelfs mijn behandelaar zei eens iets als: “Ik zou het vreselijk vinden als je dood zou gaan”. Al vond ik het op het moment zelf – pardon – ontzettend klote om aan te moeten horen, het kwam wel keihard binnen. Na een enorm schuldgevoel was er dan af en toe ook ruimte om te voelen en te realiseren dat zij dit oprecht menen. Deze uitspraken hebben veel impact gehad; ze zijn me immers nog altijd bijgebleven.

Suïcidepreventie
Ironisch genoeg, werd niet lang na mijn eigen zelfmoordpoging via mijn tweedejaarsstage (bij een maatjesproject) een suïcidepreventie cursus aangeboden. Na het behalen van dat certificaat mag ik mezelf officiëel ‘Gatekeeper in suïcidepreventie‘ noemen.

“De gatekeeperstraining heeft tot doel zelfmoord tijdens je werk bespreekbaar te durven maken en wanhoop en gedachten aan zelfmoord beter te leren herkennen. Door in gesprek te gaan, zelfmoord te durven benoemen, aandachtig te luisteren en iemand de weg naar hulp te wijzen, zal deze persoon meer geneigd zijn deze hulp aan te nemen.
In de gatekeeperstraining krijg je praktische tips en handvatten om met zelfmoord in je werk om te gaan. Je oefent gespreksvoering en durven benoemen van zelfmoord (gedachten).”

Een dergelijke cursus zou ik iedereen aanraden die in zijn/haar werk te maken kan krijgen met suïcidaliteit, zoals docenten en hulpverleners. Stichting 113online biedt ook een  gatekeeperstraining aan. Als hulpverlener i.o. tijdens mijn stage in de psychiatrie, heb ik namelijk naast aan mijn eigen ervaring erg veel gehad aan de handvatten die de gatekeeperstraining mij geboden heeft.

Wil je meer weten over suïcide? Bezoek dan 113online.nl of bekijk documentaires als ‘Strohalm en ‘To my loved ones. Beide documentaires geven een goed beeld van hoe het is om last te hebben van zelfmoordgedachten, maar ‘To my loved ones’ gaat voornamelijk over jongeren en laat ook zien wat suïcidaliteit met de omgeving doet.
Bekijk ook deze pagina over heersende misverstanden over suïcide en test of jij gelooft in mythes of feiten.

Mocht je op andere manieren in aanraking komen met suïcidaliteit zoals in je vriendenkring en/of social media? Op deze site vind je enkele tips hoe je diegene kunt steunen en hoe je hier  mee om kunt gaan. Facebook doet sinds kort ook aan zelfmoordpreventie. Zo hebben zij nu een knop waarmee je een status kunt rapporteren van iemand waarvan je vermoedt dat hij/zij kampt met suïcidale gedachten.af09dd7c-847e-4102-8978-e8d6b01d92f6-1020x612

Nogmaals; heb je zelf last van suïcidale gedachten? Schroom niet om hulp te vragen.
Hoe moeilijk het ook kan zijn om te geloven:  je bent niet alleen en je bent het waard.
Zelf heb ik in tijden van crisis wel eens de site van 113online bezocht en gebruik gemaakt van de chat of het crisistelefoonnummer 0900-0113.
feeling suicidal noteEen groot artikel voor een groot onderwerp.
Een heftig onderwerp ook, waarbij het extra moeilijk was om er luchtigheid en humor in te houden. Een onderwerp waar nog steeds een taboe op rust. Zowel in de samenleving als in de hulpverlening. Belangrijk dus dat dit onderwerp wel besproken wordt.
Help je mee?

Nog even alle links op een rij:

 

Bronnen:
Frances, A., & First, M. B. (1999). Stemming en Stoornis. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Kerkhof, A., & van Spijker, B. (2012). Piekeren over zelfdoding. Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Fonds Psychische Gezondheid. (sd). Suïcide. Opgehaald van Fonds Psychische Gezondheid: http://www.psychischegezondheid.nl/suicidebrochure
http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/02/10/in-sommige-talen-is-er-geen-woord-voor-depressie-1589204

Slecht gehecht?

Als mijn ouders vertelden over mij als kind, hoorde ik vaak terug dat ik zo goed zelfstandig kon spelen. Tijdens een verjaardag zat ik uren onder tafel in mijn eentje te spelen. Als baby scheen het zelfs zo te zijn dat mijn ouders alleen maar uit bed hoefden te gaan om mij een flesje te geven en dan weer in bed konden gaan liggen. Zodra ik klaar was bleek ik het lege flesje namelijk vanuit de wieg tegen de muur of op de grond te gooien. Mijn oma vertelde vorig jaar nog dat als zij mij een snoepje aanbood, ik elke keer “nee, dat hoeft niet” zei, terwijl ze aan mij zag dat ik het graag wilde. Ik werd vaak beschreven als een verlegen, maar makkelijk en zelfstandig kind. Maar was dat ook zo? Of was er (ook) iets anders aan de hand?

Hechting in de kindertijd
In mijn boek voor het vak Orthopedagogiek staat het volgende uitgelegd over hechting:

De Engelse psychiater John Bowlby (1907-1990) was de grondlegger van de hechtingstheorie. Gehechtheid is de ‘selectieve en duurzame affectieve band tussen het jonge kind en de primaire verzorger’. Het ontwikkelt zich vanaf de geboorte, maar uit zich pas wanneer het kind ong. 6 maanden is in de vorm van separatieangst. Kinderen begin dan onderscheid te maken tussen bekenden en onbekenden.

baby spoon.gif

Bij eten kan een baby de hulp van een verzorger ook goed gebruiken.

Ook het veilig voelen in de nabijheid van de verzorger is een belangrijk kenmerk van gehechtheid. De gehechtheid van baby’s heeft een overlevingsfunctie; het nog kwetsbare kind is aangewezen op de bescherming van de volwassene zodra er gevaar dreigt. Het ervaren van de beschikbaarheid van die volwassene is dus fundamenteel voor het ontwikkelen van vertrouwen. Niet alleen door fysieke aanwezigheid, maar ook vooral door het vermogen van de volwassene om sensitief en responsief op de signalen en behoeften van het kind te reageren.
Het basisvertrouwen dat het kind ontwikkelt in interactie met de volwassene, vormt de basis om te kunnen exploreren, de wereld te verkennen en van daaruit opnieuw de nabijheid van de primaire verzorger te kunnen opzoeken wanneer dat nodig is (van Hoof & de Vries, 2013).

Wanneer een kind erin slaagt om zich op een goede manier te hechten aan een volwassene, wordt dit veilige gehechtheid genoemd.
Voor meer informatie over de verschillende hechtingsstijlen bij kinderen, klik hier.
Voor een (Engelstalig) filmpje over de vreemde-situatietest, klik hier.

Onveilige gehechtheid of een hechtingsstoornis
Het verschil tussen onveilige gehechtheid/hechtingsproblematiek en een hechtingsstoornis, is o.a. dat problemen die leiden tot onveilige gehechtheid uiteindelijk wel kunnen leiden tot een hechtingsstoornis. Kinderen met onveilige hechting zijn over het algemeen goed te behandelen. Kinderen met een hechtingsstoornis zijn niet gehecht. Dit is vaak een stuk moeilijker te behandelen, omdat de stoornis diep verankerd zit. Het kind heeft dan vaak vanaf de geboorte geen ervaring gehad met een hechtingsrelatie, doordat het kind bijvoorbeeld wisselende opvoeders heeft gehad en daardoor geen vertrouwensband heeft kunnen opbouwen.

Bij een kind met hechtingsproblematiek is er wel een periode geweest waaraan het zich heeft kunnen hechten aan een volwassene, maar is deze relatie na verloop van tijd verbroken waardoor het kind een traumatische hechtingservaring heeft opgedaan. Dit komt doordat de biologische ouders (tijdelijk) niet beschikbaar zijn geweest. Dit kan in veel verschillende situaties voorkomen. De bekendste situaties zijn bij adoptie en plaatsing in een pleeggezin, maar hechtingsproblematiek kan ook ontstaan als een kind bij zijn biologische ouders opgroeit. Andere redenen kunnen zijn dat een kind in zijn eerste levensjaren veel ziekenhuis opnames heeft gehad, is verwaarloosd en/of de gevoeligheid van een kind (het temperament). Het ene kind heeft soms eenmaal meer steun en aanmoediging nodig dan het andere.

Er zijn veel meer mensen onveilig gehecht, dan dat er mensen zijn met een hechtingsstoornis. Ongeveer 25-30% van de bevolking heeft last van hechtingsproblematiek, terwijl ongeveer 1% van de bevolking last heeft van een hechtingsstoornis.

KOPP-kind & brus
ec7485dca647c0960906c798aa2764cdGelukkig is er bij mij sprake van hechtingsproblematiek. Hiermee bedoel ik ‘gelukkig’ in de zin van: het is doorgaans beter te behandelen. In het kopje hierboven werd al genoemd dat hechtingsproblematiek ook kan ontstaan wanneer een kind opgroeit bij zijn/haar biologische ouders. Wanneer ouders zelf lichamelijk of psychisch ziek zijn, kunnen zij minder beschikbaar zijn en geen nabijheid geven. Ouders met een onveilige hechting vallen ook onder de categorie ouders met psychische problemen. Onveilige gehechtheid kan namelijk ook van generatie op generatie worden doorgegeven. Ouders met hechtingsproblematiek kunnen door hun eigen problemen minder goed in staat zijn om sensitief te reageren op de uitingen van het kind, waardoor het kind zelf ook hechtingsproblemen kan gaan ontwikkelen. Dat laatste is hoogstwaarschijnlijk de oorzaak van mijn hechtingsproblematiek. Allebei mijn ouders hebben namelijk ervaren dat zij een moeilijke jeugd hebben gehad. Je zou dus kunnen stellen dat ik de hechtingsproblemen geërfd heb.

Een kind wiens ouder(s) psychisch ziek is/zijn, wordt ook wel een KOPP-kind genoemd; Kinderen van Ouders met Pyschische Problemen. KOPP kinderen kunnen overbelast raken door praktische (huishoudelijke) taken voor hun ouder(s) te moeten overnemen, maar dit kan ook zijn wanneer ouders het kind belasten door hun eigen zorgen met het kind te bespreken. Wanneer in het gezin niet de ouders ziek zijn maar een broer of zus, dan wordt het kind ook wel een brus genoemd (samenvoeging van de woorden broer en zus). In een gezin waar een kind ziek of gehandicapt is, gaat er begrijpelijk veel aandacht naar dit zieke of gehandicapte kind. Maar wanneer er in het gezin nog andere kinderen aanwezig zijn kunnen zij in een moeilijke positie komen te zitten.

92c5f3aed6f563adff62cb8ebb2a09cc

Zie brussenboek.nl voor info over dit boek met ervaringsverhalen en tips voor brussen.

Zelf kan ik stellen dat ik behalve een KOPP-kind, ook een brus ben. Doordat mijn broer ziek was, ging er veel aandacht naar hem uit. Niet alleen was hij voor 80% doof, maar hij raakte als tiener ook nog eens depressief. Zelf was ik als 6-jarige te jong om te begrijpen wat er met mijn broer aan de hand was. Ook hebben mijn ouders nooit verteld over zijn depressiviteit. Ik kreeg last van gevoelens van jaloezie: waarom kreeg mijn broer meer aandacht dan ik?
Nadat mijn broer op zijn 19e suïcide pleegde, had ik vooral veel last van schuldgevoelens. Niet alleen omdat ik mij verantwoordelijk voelde voor de dood van mijn broer (zie interview in Folia voor meer hierover), maar ook zag ik hoe moeilijk mijn ouders het ermee hadden.

Ik dacht vanwege mijn kinderlijke logica dat ik een moordenaar was en dus een slecht mens. Ik wilde de perfecte dochter voor mijn ouders zijn om dat gevoel te compenseren. Al gauw merkte ik dat het hen hielp als ik zoveel mogelijk deed alsof ik er niet was. Mijn ouders hadden hun handen vol aan zichzelf en hadden daardoor weinig geduld. Ze snauwden of mopperden dan wel eens op me. Heel begrijpelijk na zo’n ingrijpend verlies. Ik kreeg het gevoel dat ik veel vaker iets niet goed deed, dan wel goed. Ook ontstond bij mij de overtuiging dat mijn ouders niet van mij hielden. Door er zoveel mogelijk ‘niet te zijn’ was ik hen het minste tot last ondervond ik. Dat leek het beste voor ons allemaal. Wat ik nog niet wist, is dat ik hierdoor een laag zelfbeeld en een patroon zou ontwikkelen waarin ik mezelf constant zou wegcijferen. Ook praatte ik niet over mijn gevoel. Dat hoorde zo dacht ik, want dat deden mijn ouders ook niet. Daarnaast was ik bang dat ik naar de gevangenis zou moeten wanneer ik zou opbiechten dat ik mij schuldig voelde over de zelfmoord van mijn broer. Zowel mijn ouders als ik, hadden last van onverwerkte/gecompliceerde rouw. Ondanks dit alles zag het er van de buitenkant waarschijnlijk anders uit; mijn ouders kregen vaak complimenten te horen van andere ouders: “Wat een rustig en makkelijk kind!”.

Sociale vaardigheden
Spelkamer2Ik kan me herinneren dat ik een hele tijd in mijn eentje wilde spelen op de basisschool. De juf probeerde tevergeefs klasgenootjes op mij af te sturen om mee te doen, maar ik bleef stoïcijns in mijn eentje kleine wigwams bouwen van takjes. Dit is één van de redenen geweest dat ik naar een kinderpsychiater moest.
Niet vanwege de wigwams, maar vanwege het afzonderen van mezelf. Bij de psychiater werd tijdens het gesprek voor mijn neus een prachtig  poppenhuis neergezet, waar ik vervolgens niet mee durfde te spelen. “Hoeft niet.”
Uiteindelijk kreeg ik één ‘hartsvriendin’ in de klas waarmee ik een aantal jaar samen heb gespeeld, zelfs buiten schooltijd! Helaas wilde zij in groep 8 geen vriendinnen meer zijn. Vrienden maken is niet het enige wat ik vermeed als kind. Mijn ouders stuurden mij na school namelijk vaak langs de bakker om brood te halen, maar wisten niet dat ik dit doodeng vond. Ik stond dan zwetend en met buikpijn in de bakkerswinkel, bang dat ik iets fout zou doen. Wanneer het niet lukte en ik thuis kwam zonder brood, zei ik dat ik het was vergeten. Dit was nog altijd minder eng en gênant om te vertellen dan dat ik bang was om een brood te kopen. Mijn ouders werden vervolgens boos op me. Ze dachten dat ik lui was.

Als kind werd ik altijd al gezien als een stil en verlegen meisje, maar nu ik ouder werd kwam ik daar niet meer mee weg. In de brugklas had ik het nog voor elkaar gekregen om deel uit te maken van een leuke vriendinnengroep. In de derde klas van de middelbare school groeiden we helaas al uit elkaar en was ik veel op mezelf. Dat vond ik wel prima zo, maar mijn mentor was het daar niet mee eens en meldde mij aan voor de sociale vaardigheidscursus op school. Doodeng en super gênant vond ik al die oefeningen, maar ik merk nu nog steeds dat ik baat heb bij de handvatten die ik meekreeg. Bijvoorbeeld eerst vragen: “Mag ik u wat vragen?”, als ik een vreemde moet benaderen om iets te vragen. Hoewel ik een vreemde aanspreken niet meer zo eng vond als toen, zeg ik dat nog steeds steevast voordat ik mijn daadwerkelijke vraag stel.
In de vierde klas maakte ik echter vrienden en vriendinnen, waar ik zelfs nu nog veel contact mee heb.

Parentificatie
In het kopje over KOPP-kinderen en ‘brussen’ benoemde ik al kort dat wanneer een ouder of broer/zus in het gezin (fysiek of psychisch) ziek  is, kinderen al jong in een zorgende rol terecht kunnen komen. Het kind wordt in zo’n geval in de rol van ouder gedrukt met alle verantwoordelijkheden en verplichtingen die daarbij horen. Het kind zorgt dan bijv. voor de ouder, de jonge(re) kinderen en draait op voor het huishouden. Dit wordt ook wel parentificatie genoemd.

Toen ik ongeveer 12 jaar was, kreeg mijn moeder te horen dat zij een agressieve vorm van huidkanker had. Mijn moeder, en met haar ook mijn vader en ik, kwamen in een lang traject terecht van ziekenhuis onderzoeken, operaties,  controles, chemokuren, bestralingen, tot uiteindelijk bleek dat het niet mocht baten.
Op kerstavond in 2006 kregen we te horen dat ze was uitbehandeld en vanwege uitzaaiingen in haar lymfeklieren nog maar een jaar te leven zou hebben. Tijdens dit traject, hebben mijn vader en ik naast zorg voor mijn moeder, vanzelfsprekend ook veel huishoudelijke klussen op ons moeten nemen. Zo kookte ik wanneer mijn vader moest werken, haalde een stofzuiger door het huis, deed de was, hielp mijn moeder naar het toilet en leerde hoe ik mijn moeders open wonden moest verschonen. In de tussentijd was er een depressie bij mij vastgesteld en de beladen sfeer thuis zorgde ervoor dat ik mijn uitvlucht zocht op school. Ik bleef steeds langer hangen na schooltijd en vond een uitlaatklep in het acteren bij het schooltoneel. Heerlijk vond ik het om even iemand anders te kunnen zijn. Tegelijkertijd leerde ik bij het schooltoneel mezelf ook wat meer te laten zien en uit mijn schulp te kruipen.

Helaas nam mijn moeder mij kwalijk dat ik i.p.v. de tijd op school niet zoveel tijd met haar doorbracht en vond dat ik niet genoeg deed in het huishouden. Ze begreep niet dat ik het schooltoneel nodig had als ontspanning, dat ik door de depressie zelf ook ziek was en dat het mij eigenlijk allemaal te veel werd. Uiteindelijk werd ik kort opgenomen bij een crisisopname door toenemende suïcidale gedachten. Het advies van de psychiater was dan ook om regelmatig ergens anders te logeren.
Later leerde ik in therapie dat er bij mij sprake was van parentificatie en dat het niet gek is dat het me allemaal te veel werd; er werd ook veel van mij verwacht als kind.
Mijn moeder overleed uiteindelijk in het voorjaar, vlak na mijn 17e verjaardag.herinner mij

Volwassen relaties
Zoals eerder gezegd heeft de hechting in je jeugd invloed op de manier waarop je later in je leven relaties aan gaat. Bij mij heeft de onveilige hechting en het zijn van een KOPP-kind en brus ervoor gezorgd dat ik als jongvolwassene het nog steeds moeilijk vind om vriendschappen aan te gaan of te onderhouden. Ook intieme relaties ging ik altijd uit de weg; ik werd dan ook bijna nooit verliefd. Drie jaar geleden zei ik nog tegen mijn therapeut: ik blijf mijn hele leven wel alleen, want zo’n relatie zie ik echt niet gebeuren. Door therapie leerde ik dat ik mezelf had aangepraat dat ik liever alleen was en geen andere mensen nodig had. Hiermee hield ik mensen op afstand, want als mensen dan weg zouden gaan, voelde het tenminste minder erg. Pas een aantal jaar geleden kwam ik erachter dat het ‘rotte’ gevoel dat ik als kind en tiener vaak had maar nooit kon plaatsen, het gevoel van eenzaamheid was.
Nadat ik dat inzicht met behulp van een aantal huilbuien en therapiesessies verwerkt had, besloot ik er ook wat aan te gaan doen. Eindelijk erkende ik dat ik daadwerkelijk mensen in mijn leven nodig had en dat ik moest leren om mensen dichtbij te laten.
Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk. Ik oefende door vaker uit eigen initiatief met vriendinnen af te spreken en werd ook ineens halsoverkop verliefd op een klasgenoot van een vriendin.

mark darcyInmiddels ben ik al 2 jaar samen met mijn eerste en huidige vriend. Dit jaar wonen we zelfs al een jaar samen. Dankzij deze relatie heb ik voor het eerst ervaren hoe het is om écht van iemand te houden. Door de ingewikkelde relatie en onveilige hechting met allebei mijn ouders, heb ik mij nooit zo open durven stellen en dat gevoel  zo sterk kunnen ervaren. Mijn vriend accepteert mij zoals ik ben, inclusief al mijn vervelende eigenschappen en gebreken. Ik heb trouwens ook nog leuke kanten (en die accepteert hij ook). Andersom accepteer ik hem ook ‘just as he is’. Onvoorwaardelijke liefde heet dat volgens de theorie. Klef hè?

Ik heb desondanks nog steeds het één en ander te leren in het hechten, maar ach. We zijn nou eenmaal mensen en mensen zijn geen snelhechters. (Feit!)

snelhechter

Bronnen:

Links:

  • Info voor KOPP-kinderen/volwassenen
  • Info voor brussen

 

“Vrolijk” kerstfeest

Als kind waren de kerstdagen mijn favoriete feestdagen. Samen met mijn moeder het huis versieren en een kerstontbijt maken, kaarsjes aan, buiten overal prachtige verlichting, cadeaus kopen voor elkaar… Nu zijn het voor mij de moeilijkste feestdagen. Onder andere omdat mijn moeder – die kerst net zo leuk vond als ik – er niet meer is. Dit jaar gaat mijn vader op vakantie en heeft mijn vriend nachtdienst met de kerst. Tsja. Wordt het een eenzame kerst?

Kindertijd
Kerst was voor mij als kind inderdaad een feest. Natuurlijk vanwege het uitwisselen van cadeaus, maar ook omdat ik de versiering en lichtjes zo sprookjesachtig en knus vond. Een nadeel was wel dat er rond kerst ook wel irritaties waren tussen mijn ouders. Mijn vader had namelijk niet zo heel veel met de kerst en zat liever thuis dan zich in een pak te hijsen en op bezoek bij familie te moeten gaan. Al helemaal als mijn moeder niet op tijd klaar was met zich klaarmaken.
Wat mijn moeder en ik minder gemeen met elkaar hadden was het Rooms Katholieke geloof. Zij ging op kerstavond en/of kerstochtend graag naar de kerk voor een kerstviering. Ik vond het samen liedjes zingen in de kerk nog wel leuk, maar werd als kind angstig en verdrietig door de gruwelijke schilderijen en beelden van een bloedende Christus waardoor ik toch liever niet ging.
Desondanks heb ik fijne herinneringen aan de kerstdagen van vroeger met het gezin en met de rest van de familie.

Pubertijd
Als tiener vond ik het nog steeds leuk om het huis te versieren. Nu meer naar eigen smaak. Nog steeds kon ik genieten van de kerstlichtjes, maar kreeg wel meer last van de irritaties en grimmige sfeer in het gezin. Ik had immers al last van depressiviteit.
Kerst werd pas echt moeilijk toen mijn moeder ziek werd. Ze ontdekte dat ze een agressieve vorm van huidkanker had dat erg moeilijk te behandelen zou zijn. Sindsdien voelde kerst vieren al gek. We wisten niet hoeveel kerstdagen we nog zouden vieren als ‘incompleet compleet gezin’ (mijn broer was al overleden).
Op de dag van kerstavond 2006 (ik was toen 16 jaar), gisteren bijna 10 jaar geleden besef ik me nu, kregen we te horen dat mijn moeder niet langer dan een jaar te leven zou hebben. De kanker was uitgezaaid in vitale organen… De volgende dag vierden we dus bewust haar laatste kerst en onze laatste kerst samen. Bizar. En het gaf een bepaalde druk; alsof alles leuk en gezellig moest zijn, want een andere kans om kerst te vieren met mijn moeder zouden we niet meer krijgen. Helaas dreef de ziekte van mijn moeder ons nog meer uit elkaar. Mijn moeder leed in haar eentje, terwijl ze mij en mijn vader beschuldigde dat wij te weinig voor haar deden en er te weinig voor haar waren. Tegelijkertijd leed mijn vader in zijn eentje onder de druk van voor zijn vrouw zorgen en voltijd wisseldiensten draaien op zijn werk, terwijl ik in mijn eentje leed onder de druk van mijn moeder helpen, de havo doen en last hebben van een depressie. Wel haalde mijn moeder veel kracht en steun uit haar geloof.

Later
Toen mijn moeder een half jaar later net overleden was, probeerden mijn vader en ik onze band te verbeteren en er de volgende kerst toch samen wat van te maken. Ik weet nog dat we in een restaurant zaten met z’n tweeën op 1e kerstdag en dat mijn vader erg stil was. “Gaat het wel, pap?”
Toen hij opzij keek zag ik tranen in zijn ogen. “Wat is er?”, zei ik geschrokken. “Niets.” Even later in de auto, nog steeds wat van slag vertelde mijn vader het moeilijk te vinden al die gezinnen in het restaurant te zien. “Wij zijn geen gezin meer.”
“We vormen nu met z’n tweeën een gezin toch?”, vroeg ik voorzichtig. “Ja, dat klopt inderdaad. Maar we waren met meer”, zei hij verdrietig. Zo kende ik mijn vader niet. Hij sprak nooit z’n gevoel uit, laat staan dat hij het liet zien. Hij moest het echt moeilijk hebben. Ook hij kon niet meer genieten van kerst.
De jaren daarna bleef het moeilijk. We bleven op zoek gaan naar een  manier om kerst te kunnen vieren zonder al te verdrietig en somber te zijn. Ook mijn vader was inmiddels gediagnosticeerd met een depressie.
We gingen nog wel eens op bezoek naar overige familie, maar merkten dat de druk van ‘gezellig moeten doen’ ook niet hielp. We konden daar moeilijk depressief gaan zitten zijn, toch?

Naarmate de tijd verstreek werd kerst langzaam aan steeds wat draaglijker als ik voor mezelf spreek. Al bleef het wel belangrijk wat te plannen met de feestdagen. Zo heb ik ooit een hele pakjesavond huilend doorgebracht in mijn studentenkamer, in een stad waar ik niemand in de buurt kende. Ik voelde me eenzaam realiseerde ik me toen. Het hielp ook niet dat ik faalangst heb op sociaal gebied en daardoor sociaal contact vermijd, terwijl ik het tegelijkertijd eigenlijk graag zou willen. Ik ben wat ingewikkeld op die manier…
Hoe dan ook, de feestdagen zijn ook altijd wel onderwerp van gesprek geweest in therapie. Ik was niet de enige volgens mijn therapeut. “Er worden niet voor niets zoveel films gemaakt over de feestdagen”, zei ze dan.
“Ze staan bekend om dagen van stress en ruzie met familieleden. Ook heerst er dan een soort druk dat het allemaal maar ‘gezellig’ moet zijn. Voor mensen die dierbaren verloren hebben zijn het al helemaal geen feestdagen. Het is op zich normaal dat men dan wat somberder is omdat er dierbaren worden gemist, maar dit kan ook te maken hebben met een depressie. Probeer in ieder geval toch wat te plannen.”
Soms werd ik met de kerstdagen uitgenodigd om bij vriendinnen en hun familie kerst te vieren. Ontzettend lief vond ik dat, maar heb dit nooit gedaan omdat ik van tevoren al verdrietig werd van het idee om kerst te vieren met een gezin dat niet de mijne is, waar ik eigenlijk niet bij hoor.

Vorig jaar was mijn minst eenzame kerst sinds tijden. Ik vierde voor het eerst kerst met mijn vriend waarmee ik toen al bijna een jaar een relatie had, zijn zusjes en zijn (stief-)ouders. Dit was erg nieuw en spannend voor me, aangezien ik voor mijn 23e nog nooit een relatie had gehad. We hadden cadeaus voor elkaar gekocht die we uitwisselden en hadden uiteindelijk een lekker kerstdiner en een gezellige avond!
Ondanks dat eten tijdens de feestdagen voor mij trouwens ook een issue is vanwege de eetstoornis, kon ik er van genieten (en later die week al niet te veel compenseren). Ook ontroerde het me. Ik werd aan tafel emotioneel omdat ik zo voelde wat ik gemist had al die jaren. Ook zag ik hoe een hecht gezin eruit zag en met elkaar om ging en zei mijn schoonmoeder nota bene letterlijk dat zij mij al als één van de kinderen beschouwt. Gelukkig merkte niemand de tranen in mijn ogen, behalve mijn vriend die mij een knipoog en een liefdevol kneepje in mijn arm gaf. Ik kon me weer vermannen en vooral proberen te genieten.

Vandaag
Vandaag is het eerste kerstdag 2015. Terwijl ik dit typ al 11 minuten lang.
Hoe ik dit jaar mijn kerst vier? Deels alleen. Typend. Aan toetsingsverslag en onderzoek van mijn minor. Blogs. DVD’s kijken. Netflix. Twitter. Facebook. Hoezo sociale media maakt eenzaam?

Mijn vriend moet als leerling psychiatrisch verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis vanaf vannacht 5 nachtdiensten draaien. Dat betekent dat ik hem in de ochtend kort zie als hij thuis komt en ik wakker word, en rond etenstijd wanneer hij weer wakker wordt. We leven tijdens zijn nachtdiensten letterlijk en figuurlijk langs elkaar heen.
Daarom heb ik in ieder geval geregeld dat we de kerst kunnen doorbrengen in mijn vaders huis die met de kerstdagen op vakantie is (doet hij goed!). Dan hoef ik in ieder geval niet in de kleine studentenkamer stilletjes in het donker te zitten met kerst, maar kan ik in de woonkamer vrij bewegen terwijl hij een verdieping hoger in mijn oude slaapkamer rustig kan slapen. Ook hebben we samen eten in huis gehaald voor een mini kerstdiner, voordat hij weer naar zijn werk vertrekt.
Als alles goed loopt, redden we het ook nog om de Doctor Who Christmas Special samen te kijken. (Dokter Wie? Een bekende Britse sci-fi serie. Ja sorry, ik ben een nerd. En hij gelukkig ook.)

Het is niet ideaal, maar het moet te doen zijn deze dagen. Ik probeer er in ieder geval nog wat van te maken en niet al te veel na te denken. Bovendien kan het natuurlijk altijd erger (ik denk o.a. aan arme vluchtelingen) en heb het zelf immers ook erger dan nu gehad rond de kerst. Ik mag zeker niet klagen, maar kerst met een depressie en het gemis van dierbaren blijft lastig. Ik ben gisteren overigens begonnen met antidepressiva en hoop daardoor binnenkort de depressieve gevoelens wat beter te kunnen handelen dan nu…

Hoe vieren jullie de feestdagen? En waar lopen jullie tegenaan met de feestdagen? Of juist niet?