Hoopsensitiviteit

Hi! Het is alweer een tijd geleden sinds mijn laatste blog en inderdaad, zo begin ik vrijwel elke blogpost. Zoals in het kopje ‘over’ in het menu staat, schrijf ik alleen maar wanneer ik wat te vertellen heb en de laatste maanden is dat heel weinig geweest.
Ik ben gaan schrijven omdat het voor mezelf hielp om al ‘struggelend’ met allerlei klachten mijn gedachten te ordenen en verbanden te leggen. Dit ben ik openbaar gaan doen, omdat ik tegelijk anderen wil helpen en ik merkte dat ik in ieder geval voor anderen kon bijdragen in herkenning bieden en uitleg geven over hoe ik de dingen ervaar, wat de theorie daarover zegt en bijvoorbeeld ook wat mij helpt. Vooral in de laatste paar blogs (die na de EMDR-survivalgids), merkte ik dat ik steeds minder te bieden had aan anderen. Ik had namelijk nog niet echt had gevonden wat mij helpt en zat volop in een soort ‘wanhoops-modus’. Dit zorgde ervoor dat ik – en daarmee ook mijn schrijven – nogal in het negatieve bleven hangen en er alleen een soort spuien overbleef. Hier ergerde ik mezelf zo ontzettend aan, dat ik maar ben gestopt met schrijven. Ook op Twitter merkte ik dat ik weinig positiefs te melden had elke keer en ook trok ik me (in stilte) heel erg de narigheid van anderen aan.
De reden dat ik nu toch dit inleidende stukje schrijf, staat eigenlijk al in de titel; ik heb wat hoop hervonden.

Opgroeien met therapie

Als je mij al langer volgt, weet je dat ik al sinds mijn jeugd ‘in therapie’ zit. Niet iets waar ik trots op ben, sterker nog: mijn hele jeugd lang heb ik mij hiervoor geschaamd, maar ik wist ook dat ik het nodig had om ‘beter’ te worden. Ik denk nu ook oprecht dat ik het zonder therapie niet had gered; in therapie kreeg ik als kind/tiener de ondersteuning maar ook een stukje opvoeding dat ik anders nooit had gehad, maar wel hard nodig had.
Als twintiger – en al een stuk sterker in mijn schoenen, maar helaas nog steeds niet ‘beter’ – leerde ik tijdens mijn studie dat je herstelt van psychische klachten. Dit betekent dat je er in de meeste gevallen mee leert leven, in plaats van dat, zoals dat vaak gaat bij lichte fysieke klachten, dat je geneest of beter wordt. Dus bij psychische klachten gaan de klachten niet altijd helemaal weg en in sommige gevallen worden ze ook niet minder, maar je kunt er in veel gevallen wel goed mee leren omgaan zodat je er minder last van gaat ondervinden in het dagelijks leven.
Nu ik trouwens zelf een afgestudeerd (sociaal pedagogisch) hulpverlener ben, merk ik dat ik mij als hulpverlener onbewust ook heb gevormd naar de therapeuten die ik zelf heb gekend tijdens mijn carrière als cliënt. Blijkbaar heb ik mij kunnen vinden in hun werkwijze; soms hoor ik mezelf als hulpverlener dingen zeggen die ik hen tegen mij ook wel eens heb horen zeggen. Los daarvan heb ik als hulpverlener ook regelmatig van cliënten gehoord: ‘Dat zei mijn behandelaar ook al’. Verder kwam ik er tijdens mijn opleiding achter dat ik een sterk analytisch vermogen blijk te hebben en hoor ik vaak van anderen dat ik mijn gedachten en gevoelens goed kan verwoorden en een goed ontwikkeld reflectievermogen heb. Soms denk ik daarom wel eens grappend bij mezelf: misschien ben ik zowel persoonlijk, als beroepsmatig een ‘product’ van de psychotherapie. Ik ben er immers mee opgegroeid.

30 jaar en midden in het leven

Inmiddels ben ik 30 jaar. En helaas nog steeds in therapie.
Wees niet bang, ik zal niet zoals in mijn vorige blog spuien over het mislukte streven om ‘uit therapie’ te gaan of een betaalde baan te hebben voor mijn 30e. Het zit blijkbaar in mijn aard om de lat heel hoog voor mezelf te leggen en zo ook met mijn herstelproces. Blijkbaar laat zoiets zich niet afdwingen. Dus zelfs niet als je heel erg gemotiveerd bent en elke week elke therapie sessie gretig bijwoont om extra hard aan je herstel te werken.

Toen mijn psychotherapeute – voor mij vrij onverwacht – aankondigde dat het goed zou zijn om de (wekelijkse) therapie bij haar te gaan afbouwen, raakte ik in paniek en leerde een harde les: blijkbaar zegt de kwantiteit aan sessies niet veel over de mate of het tempo van het herstel.
Ze legde uit dat haar behandelrepertoire op was geraakt en zijzelf in ieder geval het vertrouwen in mij had dat ik met alle handvatten die ik in de loop der jaren aangereikt had gekregen, zelfstandig verder zou moeten kunnen. Ondanks dat ik best een goede vertrouwensband met mijn therapeute had opgebouwd, lukte het mij maar niet om haar hierin te vertrouwen. Mijn gevoel gaf iets totaal anders aan: natuurlijk had ik ontzettend veel geleerd in therapie en ben ik grotendeels hersteld van diverse klachten (waar ik natuurlijk enorm blij mee ben), maar de afgelopen jaren had ik er ook weer klachten bijgekregen. Zo herstelde ik van meerdere depressies en ben ik inmiddels al een paar jaar depressie-vrij, heb ik mijn trauma’s meer verwerkt, kreeg ik een wat steviger zelfbeeld, maar toen de depressieve gedachten afnamen kreeg ik ineens hele angstige gedachten ervoor in de plaats. De stress, angst en paniek hebben er toen zelfs bijna voor gezorgd dat ik niet kon afstuderen. Op Twitter stelde een psychotherapeute mij een keer gerust, door te laten weten dat het bij haar cliënten vaker voorkomt dat depressieve gedachten vervangen worden door angstige gedachten en je het eigenlijk zou kunnen zien als een onderdeel van het herstelproces. Dus eigenlijk vooruitgang!

Het jammere is alleen dat deze vooruitgang mij bleef belemmeren in mijn leven op de rit krijgen; de angst zorgde voor lichamelijke klachten en andersom zorgden de lichamelijke klachten weer voor angst. Gevolg: ik was op een gegeven moment zo angstig, paniekerig en gestrest dat ik aan huis gekluisterd zat; bang om buitenshuis onwel te worden en diep van binnen ook bang om ondertussen on-gediagnosticeerd ernstig ziek te zijn. Ik bleek last te hebben van SOLK en ontwikkelde een gegeneraliseerde angststoornis.
Je kunt je voorstellen dat de COVID-19 pandemie een jaar later, dan ook niet bepaald meehelpt. Ergens kan ik de angsten wel plaatsen, want mijn beide ouders werden ineens plotseling ernstig ziek (huidkanker en een herseninfarct) en heb de nasleep van hun ziekte van dichtbij meegemaakt. Nadat mijn moeder was overleden, bleek ook dat ik PTSS had ontwikkeld door het meemaken van nare en heftige situaties tijdens haar ziekbed. Dus de angst voor ziekte, pijn en lijden komt ook weer niet helemaal uit de lucht vallen.
De therapie EMDR heeft mij overigens goed geholpen om mijn trauma’s beter te verwerken; ik heb nog nauwelijks herbelevingen, flashbacks of nachtmerries, maar helaas is de angst voor ziekte, pijn en lijden gebleven.
Hoe dan ook; ik merkte dat therapie volgen mij nog hoop gaf. De running-therapeute die mij hielp om door middel van bewegen van mijn psychosomatische klachten/hyperalertheid af te helpen, zei op een gegeven moment: ‘Klinkt alsof je óók gewoon iemand bent die oplossingsgericht is’.
Dit was voor mij echt een hele fijne opmerking gezien anderen met wie ik over mijn moeite om therapie af te bouwen had gepraat, mij ook onbedoeld wel het gevoel gaven dat ik afhankelijk van therapie zou zijn. Dit terwijl ik zelf het gevoel had doelgericht bezig te zijn en gemotiveerd te werken aan mijn herstel. Dat herstel was er nog niet. Lag dat dan aan mij? Ondanks alle inzet en motivatie?

MHN

Nu is de term ‘afhankelijk’ voor mij altijd een soort triggerwoord (bijna een scheldwoord) geweest, wat mij slecht ligt gezien ik het grootste gedeelte van mijn leven het gevoel had dat ik anderen (mijn ouders, vrienden, familie, iedereen) tot last was. Afhankelijk van anderen zijn, staat voor mij gelijk aan anderen tot last zijn. Ik streefde er als kind dan ook al naar om zoveel mogelijk onafhankelijk te zijn; ‘verlating/instabiliteit’ en ‘emotionele geremdheid’ in schematherapie termen. Dit betekende zoveel mogelijk alles alleen doen en oplossen, geen hulp vragen, emoties tonen of laten merken dat je ergens moeite mee hebt enz. Normen en waarden die ik ook erg van huis uit heb meegekregen. Afhankelijk zijn is dus ‘verkeerd’ en wanneer iemand mij afhankelijk noemt, hoor ik vooral dat ik het ‘verkeerd’ doe, anderen tot last ben en er beter niet kan zijn.
Ironisch genoeg heb ik in al die jaren therapie o.a. moeten leren dat je wel om hulp moet vragen wanneer het zelf niet lukt en dat emoties uiten gezonder voor je is dan ze op te kroppen.

De waarheid is natuurlijk dat ik inderdaad onbewust afhankelijk van therapie was, want het gaf mij enorme houvast door de (onjuiste) overtuiging: ‘zo lang ik therapie volg, werk ik aan mijn herstel en zal ik dus herstellen’. Het gaf dus een groot gevoel van controle over de situatie, hoe slecht het ook met mij ging. Er is nog hoop dat de situatie zal verbeteren, want ik volg therapie. In dezelfde gedachtegang was er ook de overtuiging: geen therapie = geen herstel. Het ging er bij mij maar niet in dat ik verder zou gaan herstellen zonder behandeling voor bijvoorbeeld de angsten. Ik voelde me steeds meer moedeloos, wanhopig en somber. Het idee van afbouwen was voor mij heel verwarrend. Ook raakte ik dus het (valse) gevoel van controle dat ik had kwijt en namen daardoor de angsten en paniek juist toe: Hoe ga ik het leven met zulke hevige gevoelens van angst en paniek volhouden? En hoe gaat het mij lukken om wel werk te kunnen volhouden en mee te draaien in de maatschappij als dit mij tot nu toe nog steeds elke keer niet lukt? En hoe ga ik ooit mijn kinderwens vervullen, als ik nu al niet eens het dagelijks leven voor elkaar krijg met alleen de verantwoordelijkheid en zorg voor mezelf?
Ik heb juist hulp gevraagd, zodat ik uiteindelijk weer onafhankelijk kan worden en heel basaal gezegd: lekker mijn leven kan gaan leiden. Wat is er mis met mij dat mij dit nog steeds niet lukt ondanks jarenlange therapie?


Aan mezelf werken

Gelukkig was mijn therapeute niet van plan om heel erg snel te gaan afbouwen en gelukkig kon zij mij nog wel hulp bieden in de vorm van online modules voor paniek, angst en psychosomatische/SOLK klachten. Hier ben ik dan ook veel mee bezig gegaan. Dankzij de running therapie leek mijn lichaam weer wat meer hersteld te zijn van de stress (gereset, noemde de running-therapeute het ook wel). Ook had ik weer een wat betere conditie, waardoor ik mij goed genoeg voelde om (vrijwilligers-)werk te gaan zoeken. Omdat ik dit al twee keer eerder zelf had geprobeerd en het telkens stuk liep, besloot ik hulp te zoeken bij het re-integreren. Ik vond hulp in de vorm van een re-integratie traject met een loopbaancoach bij een stichting gespecialiseerd in mensen aan het werk te helpen, bij of na psychische klachten. Dankzij dit traject en deze coach, is het mij gelukt om uit te zoeken wat voor werk bij mij past (op dit moment) en wat ik nodig heb om dit werk te kunnen volhouden. Dit bleek een werkplek te zijn met o.a. gedeelde verantwoordelijkheid, een fijne gelijkwaardige werksfeer en niet te veel werkdruk. Ook heb ik het nodig om heel langzaam te kunnen opbouwen, om zo de stress van weer gaan werken na 2 jaar thuiszitten zoveel mogelijk te kunnen beperken en ook om langzaam weer te wennen aan werkdagen van 8 á 9 uur.

Inmiddels heb ik zo’n werkplek gevonden. Gezien ik er tijdens mijn laatste jaar studeren achter kwam dat ik een jeugdhulpverlener wil worden, besloot ik voor nu te gaan werken in een kinderdagverblijf. Dit omdat een kinderdagverblijf voor mij minder een gevoel van veel verantwoordelijkheid en werkdruk met zich mee brengt, dan het ggz-werkveld. Ook leek de structuur van een KDV mij fijn, om mij goed te kunnen focussen op het opbouwen van werkuren, maar ook om hier alvast wat werkervaring op te doen.
Ondanks corona waren er veel vacatures en ondanks dat ik op dit moment niet heel aantrekkelijk ben als werknemer doordat ik niet volop kan beginnen, was ik toch aantrekkelijk genoeg als werknemer om tussen twee kinderdagverblijven te mogen kiezen. Dit was voor mij wel een troost gezien ik het solliciteren op mijn eerste echte baan toch wat anders voor mij had gezien… Natuurlijk ben ik ook super dankbaar dat ik de kans heb gekregen bij deze werkplek om langzaam te mogen opbouwen! Ik ben nu begonnen met twee keer per week 4 uur te werken en wil dit uitbreiden tot ik twee volle dagen (9 uur) kan werken. Op dat moment zal mijn vrijwilligerscontract omgezet worden in een 0-urencontract.
Twee volle dagen van 9 uur klinkt misschien al wat overmoedig, maar er zijn bij kinderdagverblijven over het algemeen geen halve diensten mogelijk, dus is dit voor nu mijn streven.

Helaas heeft mijn gezondheid zowel fysiek als mentaal al een aantal keer roet in het eten gegooid qua werk. Gezien de coronamaatregelen, psychosomatische klachten én hooikoorts, heb ik mij in de eerste twee maanden werken, al twee keer (verplicht) ziek moeten melden om mij te laten testen door verkoudheidsklachten. Gelukkig waren de testen allebei de keren negatief. Nadat ik pas weer een week aan het werk was, zetten de klachten zich ineens weer door tot een fikse griep (geen corona dus gelukkig) en heb ik ruim twee weken ziek thuis gezeten. Volop in angst ook, want veel alleen thuiszitten met mijn gedachten helpt net zo min om angst te voorkomen als mij fysiek beroerd voelen. Ik kon op een gegeven moment mijn gedachten niet meer relativeren, raakte steeds vaker en sneller in paniek en kwam erachter dat hyperventileren bij ‘volle holtes’ voor extra benauwdheidsklachten zorgt, oftewel ook nóg meer paniek door het gevoel minder goed te kunnen ademen.

Pfff. Ik word al weer moe van mezelf en mijn angsten als ik hierover schrijf. Ook merk ik dat er weer schaamtegevoelens opkomen. Mijn partner is vrijwel altijd heel steunend, maar hij vond het ook wel heel moeilijk om met mijn angsten en paniek om te gaan. Voor mij zijn die gevoelens op het hoogtepunt alles overheersend; ik raak erdoor overspoeld en zo beïnvloed ik onbedoeld ook mijn omgeving. Hij heeft dan ook ineens te dealen met mijn heftige gevoelens van angst en paniek en vindt het lastig als ik op die momenten niet meer kan relativeren. Alles wat hij zegt, hoe goed bedoeld ook, voelt dan alsof hij mij of de situatie niet begrijpt, terwijl ik juist degene ben die alles door een ‘angst-kleurige’ bril zie. (Ben overigens benieuwd hoe zo’n bril eruit zou zien.)
Achteraf, als ik die bril weer af heb kunnen zetten door te kalmeren, zie ik dan ook pas in hoe stom sommige angstgedachten waren. Toch was ik op het moment zelf echt overtuigd!

Dit soort animaties helpen mij weer kalmeren tijdens een paniekaanval of wanneer ik verkeerd ademhaal. Deze komt uit de Calm app; een meditatie app met veel functies waar je een abonnement voor moet afsluiten, maar ook met enige gratis functies zoals deze. Downloaden is gratis.

Het was dan ook heel lastig om na de griep weer te gaan werken, gezien die klachten voor mij directe angsttriggers waren; lichamelijke klachten ervaren geven mij direct gevoelens van angst en/of paniek. De angst had helaas ook heel hoog kunnen oplopen, doordat ik nog niet zo heel goed weet wat ik kan doen als de angst op z’n hoogst is, maar ook door het gebrek aan afleiding bij ziek thuis zitten. Gelukkig is het gelukt om na 2 weken ziek zijn weer mijn angsten te doorbreken (het was zo hoog opgelopen dat ik moeite had om überhaupt naar buiten te gaan) en aan het werk te gaan.
Het ging goed in de zin van dat ik weer afleiding had, het werk kon volhouden en er plezier aan beleefde. Tegelijk – en hier schaam ik me echt heel erg voor – merkte ik op een bepaald moment dat ik angstig werd van een huilend kind wiens snot uit zijn neus liep. Natuurlijk heb ik hem wel getroost, maar probeerde tegelijkertijd wel het snot te vermijden uit angst om weer ziek te worden. Gelukkig is die angst inmiddels weer afgenomen, ondanks dat we inmiddels in de tweede golf zijn aanbeland en ik in de hoofdstad werk. De week daarop heb ik gewoon weer kindjes opgetild ongeacht of er snot uit hun neus liep. Dat is immers mijn werk. Mijn angst lijkt echt afhankelijk van mijn eigen gezondheidsklachten; als ik mij niet fit en verkouden voel (kan ook komen door SOLK klachten), schiet de angst (en de vermijding) pijlsnel omhoog.
Langzaam maar zeker krijg ik gelukkig steeds meer inzicht in mijn angsten, dus hopelijk kom ik er ook steeds meer achter wat mij helpt om er meer grip op te kunnen krijgen, zodat het niet meer zo hoog hoeft op te lopen.



Puzzelstukjes
Inmiddels ben ik mij dus bewust van mijn denkfout/onjuiste overtuiging dat therapie de enige manier is om ooit van mijn klachten te herstellen. Met dat inzicht in mijn achterhoofd, ben ik alsnog hard aan de slag gegaan met de online (zelfhulp-)modules voor angst, paniek en psychosomatische klachten. De gemaakte oefeningen bespreek ik in de inmiddels maandelijkse therapiesessies met mijn therapeute en hoor dan van haar terug dat ik goed bezig ben. Daar probeer ik dan weer op te vertrouwen; dat als ik zo door ga, het beter zou moeten worden. Niet volledig hersteld dus, maar beter dan nu.

Mijn therapeute benoemde een paar maanden geleden toen ik vertelde over een situatie waarin ik een verwarde buurvrouw aantrof, dat ik waarschijnlijk een bepaalde gevoeligheid heb waarmee ik dit soort situaties eerder signaleer dan anderen.
Ik zag een mevrouw op de parkeerplaats die spullen van de grond raapte en ging naar haar toe om te helpen. Ze nam de spullen aan, maar bleef er onhandig mee staan in plaats van ze in haar tas op te bergen en klonk verward. Dus ik probeerde vervolgens te achterhalen of ik familie van haar kon bellen, maar haar mobiel was nergens te vinden en alles wat ze zei was onsamenhangend, behalve: ‘Ik voel me zo raar’. Mijn vriend vond het lang duren, dus kwam ook kijken en signaleerde met zijn ‘medische blik’ vervolgens toen dat zij mogelijk een herseninfarct gehad kon hebben. We besloten een ambulance te bellen, ondanks dat een andere buurvrouw deze mevrouw weer naar haar woning terug wilde brengen om haar daar achter te laten. De ambulance nam haar uiteindelijk ook mee naar het ziekenhuis.
Mijn vriend zei later: ‘Wat goed dat jij toch naar haar toe bent gegaan, want ik wilde in eerste instantie snel naar huis om te studeren voor mijn tentamen en had aan het begin helemaal niet door dat er iets ernstigs aan de hand met haar was.”
Ik zelf ook niet, maar er was wel iets in mij dat mij het gevoel gaf dat ik haar moest helpen, ondanks mijn sociale fobie, ondanks mijn vriend die haast had en ondanks dat ik niet te dichtbij haar wilde komen wegens de corona maatregelen.
Later kregen we een kaartje van de zoon van deze mevrouw om ons te bedanken waarin hij schreef dat het zonder onze hulp heel slecht met haar af had kunnen lopen. Het klonk dus alsof ze er inderdaad slecht aan toe was, maar na de opname in het ziekenhuis het gelukkig weer beter met haar ging en kon gaan revalideren.

Doordat mijn therapeute het met betrekking tot deze situatie had over een bepaalde ‘gevoeligheid’, schoot me te binnen dat toen ik een tiener was, een eerdere therapeut naar aanleiding van de uitslag van een psychologisch onderzoek mij wel eens had voorgelegd of ik mezelf in hoogsensitiviteit/hooggevoeligheid herkende. Ik weet nog dat ik mij toen wel in sommige dingen herkende, maar toen ik er meer over las, er niet zo mee uit de voeten kon. Als ik op internet opzocht wat het nou precies was kwam ik op zulke zweverige websites terecht met vlindertjes, watervallen en andere natuurtaferelen, die mij een erg hoog Yomanda/Hyves-glitterplaatjes-vibe gaven. Je begrijpt: ik ben niet zo comfortabel met spiritualiteit en eigenlijk ook niet met GIF-afbeeldingen met glitters. Op de een of andere manier had ik hoogsensitiviteit in mijn hoofd weggezet als pseudo-psychologie; een mode-term uit een periode waarin iedereen ineens hooggevoelig was en ik echt niet bij wilde horen. Misschien ben ik een psychologie-hipster en voelde ik mij te goed voor zulke populaire psychologie.

Toen ik hier weer aan moest denken, ben ik uit nieuwsgierigheid opnieuw gaan googlen en vond vervolgens dit krantenartikel uit het Parool. De titel luidt: ‘Hoogsensitiviteit? Daar is niets spiritueels aan’. Dat greep natuurlijk direct mijn aandacht. Ik vond dit keer erg veel herkenning in het artikel, met name in het stuk over werk van een man die na een werkdag door alle prikkels al totaal uitgeput raakt. Zou dat ook bij mij de reden kunnen zijn dat ik een burn-out kreeg van niet eens zo overmatig veel werken/studeren? Ook herkende ik het negatieve beeld dat hangt aan iemand die (over-)gevoelig is: ‘janken om alles’. Mijn hele leven lang huil ik al snel; een zielige film, een mooi lied, als iemand lieve dingen over mij zegt, onverwachte kritiek ontvangen, iemand anders die huilt of iets verdrietigs vertelt of wanneer ik in een verhitte discussie met mijn vriend ben geraakt (en mijn argumenten vervolgens niet zo veel indruk meer maken door al het gehuil).

Ik erger mij hier altijd al groen en geel aan, maar het lukt mij maar niet om minder snel te huilen. Soms wilde ik dat ik een soort tuinsproeier was en mezelf op de situatie kon instellen. In het openbaar: stand ‘mist’; er is water maar verdampt al voor het de grond raakt, dus het valt niet zo op. En dan alleen thuis: stand ‘waterval’; let it all out. De optie om de kraan vervolgens weer in een keer dicht te draaien zou dan ook fijn zijn.

Hoe dan ook, ik probeerde vervolgens nog meer op te zoeken over hoogsensitiviteit om o.a. mijn hypothese over mijn burn-out te kunnen bevestigen, maar vond op internet weinig duidelijke websites. (Nog steeds knap ik snel af op natuurplaatjes. Ik vind de natuur mooi hoor! Maar op de een of andere manier word ik blijkbaar heel kritisch/allergisch als het veelvuldig op een website afgebeeld wordt.)

Ter illustratie (sorry).
(bron: gifplaatjes.nl)

Puzzelstukjes

Uiteindelijk besloot ik het boek ‘Hoogsensitiviteit professioneel bekeken’, door Annek Tol te bestellen. Dit boek is geschreven door een hoogsensitieve hulpverlener, voor hulpverleners om inzicht en handvatten te geven over hoe om te gaan met hoogsensitieve cliënten (in de ggz). Gezien ik mogelijk zelf een hoogsensitieve hulpverlener ben, die vaak ook nog eens goed gaat op de duidelijkheid en gestructureerdheid van wetenschappelijk onderbouwde (studie-)boeken, leek dit mij een goede keuze.
In het boek stond ergens dat voor hoogsensitieve mensen die al jaren lang therapie gehad hebben, de realisatie dat zij hoogsensitief zijn voor hen vaak maakt dat de puzzelstukken ineens op de juiste plek vallen. Ik hou er niet van een cliché te zijn, maar dat was precies het gevoel wat ik had na het lezen van dit boek. Niet alleen heeft dit boek voor mij bevestigd dat ik hoogstwaarschijnlijk inderdaad hoogsensitief ben, maar het heeft er ook voor gezorgd dat ik ineens anders naar mezelf kan kijken. Zowel mijn geschiedenis als het heden en mijn mogelijkheden voor de toekomst, als ook mijn klachten/belemmeringen en mijn talenten/kwaliteiten.
Ik voelde mij mijn hele leven al anders dan anderen en ook vaak ook wel een tikkeltje wereldvreemd. Dit heb ik altijd toegeschreven aan de heftige gebeurtenissen zoals het overlijden van mijn broer, het lange ziekbed van mijn moeder en ook vanaf jongs af aan al depressief te zijn geweest. Ik had waarschijnlijk gewoon andere dingen aan mijn hoofd dan anderen. Zou hoogsensitiviteit er dan misschien ook mee te maken kunnen hebben?
Na het boek te hebben gelezen en te hebben laten bezinken, legde ik het voor aan mijn therapeut. Zou ik inderdaad hoogsensitief kunnen zijn? Ze antwoordde: “Ik denk dat daar zeker wat in zit. Vandaar dat toen je over die situatie met jouw buurvrouw vertelde, ik al jouw gevoeligheid benoemde”.

Veel voelend

Bron

Kort samengevat: de term hoogsensitiviteit is in de jaren negentig geïntroduceerd door het Amerikaanse psychologenkoppel Elaine en Art Aron en lijkt te gaan over diepgaande informatieverwerking in de hersenen. Op dit moment gaan onderzoekers ervanuit dat niet-HSP’s (highly sensitive person), een soort filter hebben in het informatieverwerkingssysteem. Deze gefilterde informatie wordt verwerkt in de hersenen, dus de hypothese is dat dit filter bij HSP’s ontbreekt; er komt meer informatie binnen, die allemaal moet worden verwerkt. Wat er hier precies gebeurt moet nog onderzocht worden, maar onderzoek laat al wel zien dat de hersenen van HSP’s informatie grondiger en nauwkeuriger verwerken (Psychologie Magazine, 2020).

Wat het meeste opvalt bij HSP’s, zegt Annek Tol, is de sensitieve waarneming: het vermogen om veel en gedetailleerd waar te nemen, zich te verbinden met de waarneming en dit diepgaand te ervaren en te verwerken (met intense emoties als logisch gevolg). Minder bekende maar eveneens opvallende eigenschappen van HSP zijn volgens haar ook: creatief denken, verbanden zien tussen de vele waarnemingen die men doet, behoefte hebben om de context te blijven begrijpen, samenhang ervaren, extreme rechtvaardigheidsgevoelens, loyaliteit, zorgzaamheid naar andere mensen en verantwoordelijkheid voelen voor de omgeving en de wereld als geheel (Tol, 2014).

Dit zijn eigenschappen die ervaren kunnen worden als positieve principes, maar toch blijken er problemen te ontstaan, juist als gevolg van deze sensitieve aard. Het is daarom lastig om hoogsensitiviteit als fenomeen te plaatsen binnen de hulpverleningspraktijk. Het is een waarde, een aard, een eigenschap, maar geen ziekte en dus geen diagnose. Toch kan het zijn dat mensen er in bepaalde omstandigheden ziek van worden, maar je kunt de gevoelige aard niet genezen (Tol, 2014). Annek Tol heeft dit boek geschreven, om hulpverleners te begeleiden zodat zij uiteindelijk de hulp kunnen bieden die voor hoogsensitieve cliënten van wezenlijk belang is. (Echt een aanrader voor hulpverleners dus! Maar ook als je als HSP interesse hebt in hoe HSP te plaatsen is binnen de GGZ.)

Ook zegt Annek:
Veel mensen die zich niet bewust zijn van hun gevoeligheid, raken snel overprikkeld wat zich na langere tijd uiteindelijk kan uiten in (chronische) vermoeidheid en stressklachten. Ook pik je makkelijk energieën op als je hooggevoelig bent en kun je goed mensen lezen, waardoor je soms wel eens voelt dat er iets met iemand is voordat diegene dat zelf bijvoorbeeld weet. Of iets over iemand weet wat je eigenlijk niet kan weten of het (onbewust) overnemen van de emoties van een ander. Ook is er een andere manier van denken bij hoogsensitieve mensen, namelijk: ‘een holistisch denkbeeld’. Dat betekent dat je denkt vanuit het idee dat alles met elkaar verbonden is of met elkaar te maken heeft, waardoor je snel verbanden kunt leggen. Ongeveer 20% van de samenleving wordt geschat hoogsensitief te zijn (Tol, 2014).

De website Hoogsensitief.NL vat het als volgt samen:

“Kenmerken van hoogsensitieve volwassenen:

– Sfeer in een ruimte aanvoelen
– Begaan met het lot van anderen
– Eigen belang op tweede plek
– Moeite met veranderingen in dagplanning
– Rechtvaardigheid hoog in het vaandel
– Veel piekeren
– Ongewoon zelfkritisch
– Snel geraakt door muziek of kunst

Hoogsensitieve volwassenen raken snel (fysiek of emotioneel) uitgeput bij overprikkelende situaties. Ze kunnen door emoties overvallen worden. Juist het onderdrukken van die gevoelens veroorzaakt weer nieuwe emoties. Een ander punt dat veel hoogsensitieve volwassenen lastig vinden is hun zelfkritiek. Het eindeloze gepieker kost energie en ondermijnt het zelfvertrouwen” (Hoogsensitief.nl, 2020).

Herkennen en accepteren

Bron

Het voelt heel gek om mij nu in zoveel kenmerken van hoogsensitiviteit te herkennen, terwijl ik de term dus al veel eerder had gehoord en mij er toentertijd niet heel erg in herkend heb.
In de laatste zin van het bovenstaande citaat staat bijvoorbeeld mijn ‘Dictator‘ perfect omschreven; mijn irritante zelfcriticus die tijdens therapie een naam kreeg.

In het boek van Annek Tol schrijft zij:
“Ik maak vaak mee dat HSP in hun jeugd of erg lastig zijn (boos, driftig, heftig) of al jong hun mond zijn gaan houden. Er is geen of weinig eigenwaarde op dit sensitieve gebied, dus is het onzichtbaar. Mensen laten hun eigen ideeën en gevoelens helemaal niet meer zien. Als mensen eenmaal bezig gaan met thema hoogsensitiviteit, merken ze pas hoe verweven dit ‘verstoppen’ vaak is met hun hele leven en hoeveel invloed dit eigenlijk heeft. Pas dan beseffen mensen hoezeer ze in alles gericht zijn geraakt op aanpassen. De eerste reactie is niet: ‘Hoe komt dit op mij over, wat wil ik, wat vind ik daarvan?’, daar staan mensen al helemaal niet meer bij stil. Ze zijn hun gave om goed te kunnen luisteren in gaan zetten om te begrijpen hoe de buitenwereld het ziet. Ze verzamelen standpunten van iedereen en stellen hun eigen standpunt uit. Het eerste wat in ze opkomt, is dus niet meer hun eigen reactie van binnenuit, maar: ‘Wat is de bedoeling, wat willen ze van me, als ik het zo doe, komt het dan goed over, hoe hoor ik me te gedragen?’, enzovoort” (Tol, 2014).

Zelf val ik onder de categorie: ‘heel jong hun mond gaan houden’. In eerdere blogs heb ik vaker geschreven over dat ik mij als kind al heb aangeleerd om mij aan anderen aan te passen om aan andermans verwachtingen te kunnen voldoen. En ook dat ik moeite had om een eigen mening te vormen als tiener, omdat ik altijd eerst afwachtte wat een ander ergens van vond, om mij vervolgens hier bij aan te kunnen sluiten.
Nu pas realiseer ik me dat hoogsensitief zijn (en ouders die een gevoelig kind probeerden hard te maken voor de grote boze buitenwereld) waarschijnlijk een grote rol hebben gespeeld in het ontwikkelen van een laag zelfbeeld en het hebben van identiteitsproblemen.

Ik leerde dat gevoelig zijn niet goed is en dat veel mensen zich hieraan irriteren, waaronder mijn ouders zelf. Waarschijnlijk hebben mijn ouders helemaal niet door gehad dat ik gevoelig ben en/of dat mijn gevoeligheid aangeboren is en dus niet echt afgeleerd kan worden. Dus opmerkingen als: “Joh, maak je niet druk” of “Doe niet zo moeilijk” of “Niet zo janken”, hebben mij vooral geleerd dat ik mij anders moest voordoen. Stoerder, dapperder en nuchterder dan ik daadwerkelijk ben. Dit probeerde ik dan ook, soms succesvol, vaak niet. Dan werd ik boos op mezelf en voelde ik me een mislukkeling.
(Zie ook dit Engelstalige blog over emotionele verwaarlozing bij HSP kinderen of mijn eigen blogpost over emotionele verwaarlozing)
Nog steeds heb ik moeite mijn gevoeligheid te accepteren en schaam ik mij snel, zoals dus bijvoorbeeld voor snel huilen in situaties. Toch heb ik mij gerealiseerd dat mijn gevoeligheid altijd een punt van irritatie zal blijven voor sommige mensen. Net zoals mensen die snel een oordeel, mening of ongevraagde feedback klaar hebben, altijd in mijn allergie zullen blijven. Zij voelen voor mij namelijk onveilig en geven mij het gevoel dat ik niet ‘oké’ ben zoals ik ben. Daarom is het belangrijk dat ik in ieder geval zelf het gevoelig-zijn accepteer, want er zullen toch altijd mensen zijn die altijd hun mening klaar hebben en je het gevoel geven dat je niet oké bent, wanneer je gewoonweg anders in elkaar zit dan zij zelf. Het heeft dus geen zin om mij hier nog iets van aan te trekken en mij te proberen aan te passen, want het is nooit goed genoeg en ik heb tevergeefs mijn hele leven lang geprobeerd te veranderen en mij aan te passen, maar daar werd ik alleen maar gefrustreerd en ongelukkig van.

Bron

Kwaliteiten versus klachten

Wat ook een groot onderdeel van het acceptatie proces schijnt te zijn, vooral als je in de ggz bent behandeld voor klachten, is het gaan erkennen van de kwaliteiten/talenten die je als HSP hebt.
Hoogsensitiviteit kan benaderd worden vanuit de visie dat het een gave is: HSP kunnen de meest complexe situaties snel doorhebben, goed aanvoelen wat er nodig is, nuances aanbrengen, creatief denken, en vaak zijn de meest uitzonderlijke talenten afkomstig van de HSP. Toch gebeurt het wel dat zowel HSP zelf als de hulpverlening het benaderen vanuit het gevoel iets te mankeren: men meent dat HSP een gebrek hebben aan een ‘normaal’ aanpassingsvermogen, stressgevoelig zijn, snel vermoeid, zich niet kunnen afsluiten, alles te serieus nemen, overal problemen zien en altijd andere behoeften hebben. Hoogsensitiviteit wordt dus nogal eens vanuit de problemen aangevlogen. Veel mensen denken dan ook dat ze van die gevoeligheid af moeten. Of ze krijgen te horen dat ze die hoeveelheden aan informatie moeten negeren, omdat ze er anders ziek van worden. Het klinkt zo logisch, dat je ook als hulpverlener in eerste instantie denkt vanuit dit principe (Tol, 2014).

Annek Tol heeft in haar boek een aantal kwaliteiten en klachten die bij HSP veel voorkomen op een rijtje gezet. De klachten komen voort uit de hulpvragen en oplossingen die HSP zochten, die haar coachpraktijk bezochten of deelnamen aan haar trainingen.

Kwaliteiten van de HSP

– Sterk empathisch vermogen
– Creativiteit in het breedste zin van het woord. HSP zijn mindmappers en snelle creatieve denkers. Ze denken out of the box.
– Snel overzicht hebben en ‘zien’ wat er nodig is in bedrijven en processen.
– Sterke intuïtie, invoelingsvermogen, alles overal en tegelijkertijd aanvoelen. Eerder patronen/trends waarnemen. Eerder voorvoelen of iets goed gaat of niet,. Bedachtzaamheid.
– Inzicht en overzicht in vaak complexe systemen. Zien hoe alles met alles samenhangt. Door getailleerde en intense waarnemingen kunnen putten uit een groot raamwerk van verbanden.
– Houden van intellectuele uitdagingen, creatieve uitdagingen, vernieuwingskracht. Nemen vaak geen genoegen met een gemiddeld resultaat.
– Een hoge mate van bewustzijn en authenticiteit.
– Liefdevol, consciëntieus, rechtvaardig en loyaal.

Waar lopen HSP tegenaan?

– Ernstige vermoeidheid, soms zonder dat ze het zelf doorhebben.
– Terugkerende patronen van stress, ziekte en uitval.
– Hoofdpijnen, prikkelbare darm, allergieën, prikkelbaarheid, stress, burn-out (heel vaak), CVS (chronischevermoeidheidssyndroom), MCS (Multiple Chemical Sensitivity).
– Steeds tegen de eigen grenzen oplopen.
– Het gevoel niet te voldoen in de wereld, tekortschieten, zich ‘gek’ voelen.
– Frustratie omdat ze niet gezien worden.
– Zichzelf kwijt zijn, geen herkenning vinden, zich niet thuis voelen, zich onbegrepen voelen of de wereld niet begrijpen.
– Perfectionisme.
– Vaak meer inzicht hebben en creatiever zijn dan de omgeving (en de meerderen), die dit vervolgens niet wil inzien.
– Overaanpassing, onzekerheid, sterke overlevingsmechanismen.
– Zich vaak ‘leeggezogen’ of ‘overspoeld’ voelen.
– Last ervaren van buren, geluiden, collega’s, geuren, drukte, geweld (en de oordelen daarover, overtuigingen van zichzelf of de ander).
– Relatieproblemen, gezinsproblemen als gevolg van vermoeidheid en overaanpassing.
– Kinderen: vaak AD(H)D-achtig gedrag (in tegenstelling tot ADHD lost dit zich op door de omgeving aan te passen)
– Angststoornissen, controleverlies of extreme controle (willen) houden.
– De pijn van de wereld voelen, in de knoei komen met de eigen principes van harmonie en verbinding.
– Niet tegen oneerlijkheid, machtsspelletjes, oneigenlijke hiërarchie en onrechtvaardigheid kunnen” (Tol, 2014).

Toen Annek Tol trainingen gaf bij steunpunten in de ggz, merkte ze dat bij cliënten die zowel binnen klinieken als ambulant behandeld werden, hoogsensitiviteit als verklaringsmodel voor klachten, een ander licht wierp op hun ziektegeschiedenis en -ervaringen. Mensen bleken, na meer geleerd te hebben over hun hoogsensitiviteit, anders aan te kijken tegen hun hun psychiatrische geschiedenis en de opbouw en (herkomst) van hun klachten. Psycho-educatie gaf meer begrip/logica voor zichzelf en het ontstaan van hun klachten. Het gaf hen passendere handvatten om actie te ondernemen en verandering in hun situatie te bewerkstelligen. En het belangrijkste: het zorgde voor een positiever zelfbeeld (Tol, 2014).

Niet meer ziek of niet ziek geweest?

Bij mezelf merk ik ook dat ik een aantal diagnoses die ik in mijn lange carrière als cliënt gehad heb, nu in een ander daglicht zie.

Een voorbeeld van zo’n diagnose: in de kliniek voor klinische psychotherapie waar ik in mijn tienerjaren 6 maanden lang was opgenomen, werd een persoonlijkheidsstoornis NAO bij mij vastgesteld met o.a. borderline trekken. Nu ik weet dat ik hoogsensitief ben, denk ik oprecht dat het heftige gevoelsleven die zij omschreven, eerder te wijten valt aan HSP zijn, dan een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) Ook het zwart-wit denken waar ik mij in herkende bij de BPS, zou ik nu veel sneller schalen onder HSP omdat dit vooral gaat over denken in goed en fout; vanuit een sterk gevoel van rechtvaardigheid of moraal.
De persoonlijkheidsstoornis is overigens al een paar jaar in remissie (dat betekent vermindering of verdwijning van ziekteverschijnselen) volgens mijn therapeut, maar nog steeds ervaar ik emoties heel heftig en ben ik nog steeds redelijk moralistisch. Het zijn blijkbaar aspecten die bij mijn persoonlijkheid horen, niet verstoord/gek/verkeerd zijn en ook niet weg zullen gaan. Wél heb ik dankzij therapie bijvoorbeeld al veel beter leren omgaan met de heftige emoties; wanneer ik een heftige emotie ervaar word ik er niet meer zo door overspoeld en ben ik mij er meer bewust van, waardoor ik beter rationeel kan blijven handelen in situaties zonder dat de emotie het overneemt. Ik ervaar de heftige emoties dus nog wel, maar het belemmert mij niet meer zo als vroeger. Toentertijd sloeg ik helemaal dicht en dissocieerde ik zelfs bij heftige emoties, hier heb ik dus wel terecht hulp voor nodig gehad gezien het zorgde voor psychische problemen.
Het omgaan met emoties is overigens ook vaak onderdeel van trainingen voor omgaan met hoogsensitiviteit.

Nu ik dus met een andere blik kijk naar mijn geschiedenis in de ggz met verschillende ziektebeelden die mij zijn toegeschreven, snap ik ook ineens waarom ik na jaren lange therapie nog steeds het gevoel dat ik niet kan meekomen in deze maatschappij: ik ben blijkbaar vooral anders en niet (meer) ziek. Ik heb dus geen therapie meer nodig (behalve voor de angststoornis), maar vooral een aangepaste levensstijl.
Het beeld dat ik in mijn vorige blog ‘De december dingen’ schetste: een verre reis maken, een muziekfestival bezoeken, het liefste een voltijd baan…, zijn waarschijnlijk dingen die niet zo snel voor mij zijn weggelegd doordat het gewoonweg niet zo in mij zit. Hoe graag ik dat misschien ook zou willen.

Een festival bezoeken, heel af en toe een avondje stappen of een verre reis zal ik heus nog wel een paar keer kunnen doen in de toekomst, maar ik zal er geen gewoonte van kunnen maken omdat het mij te veel kost, in vergelijking met wat het mij uiteindelijk oplevert. Gelukkig heb ik een partner die ook niet zo veel waarde hecht aan dit soort dingen. Soms ben ik wel eens bang dat ik hem tot last ben of hem tegenhoud omdat de dingen mij soms zo moeilijk afgaan. Ik leg het hem wel eens voor en dan blijkt maar weer dat we goed bij elkaar passen, want dat gevoel heeft hij helemaal niet. Samen een verre reis maken heeft geen haast en van dat geld kun je immers zat leuke dingen doen dichter bij huis, zoals: dagjes/weekendjes weg of ons appartement opknappen. Heerlijk praktisch, mijn vriend.


Annek zegt verder:

“Niet iedereen slaagt erin een evenwicht te vinden tussen de verwachtingen van de maatschappij en de eigen behoeften. Veel mensen hebben zich te lang en te veel aangepast aan wat zij denken dat de wereld van hen vraagt. Zij putten zich uit in een poging het leven net zo te leven als iedereen, maar brengen zichzelf daarmee in feite in een langdurig overspannen situatie. Veel hoogsensitieven raken daarom steeds verder ‘overprikkeld’ en ontwikkelen lichamelijke, psychische of psychosomatische klachten als ze daar geen rem op zetten. Klachten van hoogsensitieven hebben vaak te maken met een uit balans geraakt stresssysteem. Belangrijke is dan ook om de eigen aard meer te onderkennen, om ‘weer gevoelig te worden’ voor de eigen (hoog)gevoeligheid, zichzelf opnieuw te leren waarderen, bewuster om te gaan met de energie en een levensstijl te creëren die bij mensen past. Veel HSP zijn vergevorderd op de Cirkel van Overprikkeling. Terugkerend onderdeel van de training is daarom inzicht te verkrijgen in ieders patroon van overprikkeling en stressopbouw” (Tol, 2014).

Klik hier om meer te weten te komen over de Cirkel van Overprikkeling (document nu nog in de maak)

Als ik dat beeld dus los laat en mezelf ga zien als een persoon dat net wat anders in elkaar steekt dan anderen (en waar niets mis mee mis), dan voelt dat gelijk heel anders. Wanneer ik mijn omgeving zo kan inrichten dat het bij mij past, in plaats van mezelf proberen aan te passen in een omgeving dat niet op mij afgestemd is, kan ik daar waarschijnlijk prima in functioneren. Dus waarom probeer ik dan mezelf nog steeds in een positie te forceren waarin ik telkens vastloop? Ik zie hierbij ook een beeld voor me van een kindje dat volhardend een vierkant blokje in een driehoekig gat probeert te rammen. Blijkbaar is er 30 jaar voor nodig geweest om voor mij te beseffen dat een vierkant nooit ineens een driehoek zal worden (en dat je dat ook niet van het vierkant mag verwachten, want dan zal het vierkant altijd het gevoel blijven houden te falen). En elke vorm is oké zoals het is. #bodypositivity #mindpositivity #hadikalverteldoverholistischdenken?

Bron

Kwaliteiten

Toen ik zo net wat oude blogs doorlas op mijn site, is het bijna alsof ik het boek van Annek Tol er naast kan houden; veel onderwerpen waar ik over heb geschreven, blijken achteraf wel een link te hebben met HSP.

Zo schreef ik bijvoorbeeld wel eerder dat ik merkte dat ik tijdens mijn opname in de eerder genoemde kliniek, een scherp afgestelde antenne had voor bepaalde dingen. Op de een of andere manier wist ik bijvoorbeeld dingen van groepsgenoten, die mij niet verteld waren. Zonder dat ik het zelf door had, benoemde ik in mijn eerste week bijvoorbeeld de reden dat een groepsgenoot niet bij een therapie programma was, terwijl ik hem nog nauwelijks kende of had gesproken. Toen diegene er op aangesproken was en in de groep vertelde waarom hij er niet bij was, zei hij precies wat ik eerder al had genoemd als reden. Hij was dan ook heel verbaasd toen anderen zeiden dat ik dat al had gezegd. Zelf wist ik toen ook niet uit te leggen hoe ik dit wist.
Verder had ik af en toe het idee dat de sociotherapeuten boos op mij waren. Wanneer ik heel soms vroeg of dit klopte (in therapie leerde ik dit soort gedachten te checken bij anderen), bleek dat dit niet het geval was. Uiteindelijk bleken de betreffende sociotherapeuten niet goed in hun vel te zitten door persoonlijke omstandigheden, zoals een verbouwing of een recent verlies van een familielid. Ik voelde dus wel goed aan dat er iets speelde bij anderen, maar interpreteerde het heel vaak verkeerd door het persoonlijk op te vatten vanuit mijn angst voor boosheid/afwijzing van anderen.
Later in mijn behandeling tijdens een nazorg groepstherapie, vertelde een groepsgenoot over haar weekend. Ze benoemde alle activiteiten die zij had gedaan. Groepsgenoten en de psychiater reageerden met: “Klinkt als een leuk weekend.” Ze wilden toen al naar de volgende gaan. Ik voelde mij boos worden dat zij niets door hadden en vroeg bijna op sarcastische toon: “maar was het ook een leuk weekend?”, waarop zij in huilen uitbarstte en heel suïcidaal bleek te zijn. Ook hier wist ik dat dit speelde, zonder dat ik het echt kon weten.

Ook handelde ik wel eens vanuit een soort instinct wanneer er iets gebeurde, zonder dat ik er eerdere ervaring mee had. Bijvoorbeeld wanneer er iemand flauwviel mij over diegene ontfermen en hulp halen of bij iemand gaan zitten die in een herbeleving/dissociatie zat en vervolgens rustig en geruststellend blijven praten tot diegene weer in het hier-en-nu was.
Er was ook een situatie waarin ik toevallig op de juiste tijd op de juiste plek was binnen de kliniek en zonder er bij na te denken een mogelijke suïcidepoging van een groepsgenoot stopte.
Deze ervaringen hebben uiteindelijk ervoor gezorgd dat ik besloot hulpverlener te worden; het zorgen/hulpverlenen leek van nature in mij te zitten. Ook gaf het mij een groot gevoel van nut of waarde; hoe slecht het ook met mij zelf ging, ik kon er in ieder geval nog voor anderen zijn. (Hoewel je echt eerst zelf verder in je eigen herstelproces moet zijn voordat je optimaal kunt hulpverlenen, is mijn ervaring.)

Bron


Verder herken ik mij erg in het holistisch denken en snel verbanden kunnen leggen. In gesprek merk ik wel vaker dat mensen mijn gedachtegang niet kunnen volgen, terwijl er voor mij dan wel degelijk logica in zit. Ik kan voor hen rare sprongen maken, terwijl de onderwerpen voor mij dan echt met elkaar te maken hebben. Los daarvan merk ik ook dat ik tijdens mijn studie snel verbanden kon leggen tussen theorie en praktijk, waardoor ik mij prima voor kon stellen hoe een interventie of methodiek ingezet wordt, zonder hier al te veel voorbeelden voor nodig te hebben. Ik haalde vrijwel altijd goede cijfers met verslagen schrijven, omdat ik hierin vaak theorie moest koppelen aan mijn stage praktijk. Zo ook met reflectieverslagen. Misschien is het schrijven hiervan ook wel gemakkelijker wanneer je gevoelig bent en dicht bij je emoties staat en van nature heel veel nadenkt over van alles (en dus ook over jezelf en je handelen).
Waarschijnlijk is zo ook mijn blog tot stand gekomen door deze manier van denken; verbanden leggen tussen theorie over de psyche/psychiatrie en mijn eigen ervaringen/waarnemingen.

Wat betreft verantwoordelijk voelen voor de omgeving en de wereld als geheel;
ik kan mij heel erg gebeurtenissen in de wereld aantrekken, dus kijk ik over het algemeen nooit naar het journaal en scan ik altijd eerst krantenkoppen voor ik besluit een artikel te lezen om zo toch nog een beetje bij te kunnen blijven. In de huidige Coronatijd vermijd ik in z’n algeheel nieuwsberichten en sommige sociale media, om niet al te veel geconfronteerd te worden met al het leed in de wereld en het leed van anderen, gezien ik dan ontzettend verdrietig, somber of angstig kan raken. Het duurt dan ook vaak even voordat ik dat gevoel weer kwijt raak.

Altijd maar moe

Bron

Op dit moment ben ik elke dag moe. Een week geleden moest ik zelfs voor het eerst eerder naar huis van werk, omdat ik bewegende vlekken voor mijn ogen zag en duizelig werd. De vlekken trokken even later weer weg, maar het duizelig zijn en het wazig zien niet waardoor ik mij letterlijk en figuurlijk niet meer kon focussen op de kinderen. Ik kon dus niet anders dan eerder stoppen, want zo had niemand wat aan mij.
Eenmaal thuis werd het niet veel beter dus heb ik vooral op bed gelegen. Ook de dagen daarna bleef ik moe, dus nam ik contact op met mijn loopbaancoach die vervolgens aan gaf dat dit normaal is voor mijn situatie. “Soms begin je met re-integreren en ben je de eerste weken heel erg moe en soms gaat het de eerste weken juist heel goed en komt de vermoeidheid er later pas uit wanneer het zich heeft opgestapeld. Bij jou lijkt het tweede aan de hand te zijn”, legde ze uit. Ik had net een week een uur langer gewerkt, dus zelfstandig besloten om al met een uur op te bouwen, maar mijn loopbaancoach adviseerde na deze klachten toch sterk om weer terug te gaan naar het oude aantal uur.

En ik maar denken dat ik de eerste weken ook al best heel moe was, maar niet zo moe als nu inderdaad. Oké, dan is dat niet anders en moet ik hier gewoon doorheen, denk ik. Tegelijk zal ik in mijn achterhoofd moeten houden dat wanneer de vermoeidheid met een aantal weken nog steeds niet weg gaat, ik misschien moet overwegen om de lat nóg lager te leggen en voorlopig toch halve dagen te blijven werken. Helaas is dat op mijn huidige werkplek niet mogelijk, dus zal ik helaas weer wat anders moeten gaan zoeken. Voor nu in ieder geval dus nog de moeite waard om te blijven proberen!

Gezien ik in het boek van Annek Tol ook redelijk wat had gelezen over HSP en werk, vroeg ik mijn loopbaancoach of zij hier misschien ook een en ander vanaf weet. Ze gaf aan dat ze wel wat weet, maar niet zo veel en daarom ook erg geïnteresseerd is in het boek dat ik heb gelezen. Wel kon ze mij eventueel in contact brengen met een collega die zich heeft gespecialiseerd in neurodiversiteit bij werk. Ze gaf aan dat HSP bij hen onder neurodiversiteit valt en deze collega mij dus vast meer kan vertellen. Inmiddels heb ik voor volgende week een beeldbelafspraak staan bij deze collega en ben erg benieuwd of zij mij bijvoorbeeld handvatten of tips kan bieden, mocht de vermoeidheid ook veroorzaakt worden door het HSP zijn. (In dat geval zal ik dit blog zeker aanvullen!)
Veel HSP lijken namelijk moeite te hebben met energie verdelen. Hier zegt Annek Tol over:

Veel HSP worstelen met vermoeidheidsklachten. Sommigen voelen zich uitgeput. Relatief veel HSP die de training volgen zijn burn-out geweest en anderen beschermen zichzelf dusdanig dat ze nog maar een heel beperkt leven hebben.
Dilemma’s zorgen er vaak voor dat mensen niet luisteren naar zichzelf of de signalen die hun lichaam hun geeft. Voortdurend zijn er redenen waarom mensen uiteindelijk niet doen wat ze eigenlijk wensen of wat goed zou zijn voor ze.

Voorbeelden:
Ze zijn moe, maar gaan niet slapen; ze willen even niets, maar moeten nog zo veel; eigenlijk wil men minder uren werken, maar dat betekent dat er minder te besteden is; ze zitten eigenlijk vol, maar de ander wil zijn verhaal nog kwijt…


HSP lijken sneller over hun persoonlijke grenzen heen te gaan dan anderen en hebben zelfs vaak geen idee waar die grenzen liggen. Ze schamen zich veel eerder om nee te zeggen en houden dit heel lang vol, tot ze klachten krijgen waar ze niet meer omheen kunnen.
Iedereen heeft ‘favoriete’ dilemma’s die maken dat ze stelselmatig over hun grenzen gaan. Ze hangen samen met praktische zaken, loyaliteit, normen over zichzelf of overtuigingen over de wereld. Deze komen in de training allemaal aan bod. Elk dilemma is namelijk ook een aanknopingspunt waarop verandering kan volgen (Tol, 2014).”

Voor mij voelde het altijd erg als falen dat ik een burn-out kreeg, omdat het zo lastig te plaatsen was. Bij veel mensen hoor je dat zij langdurige conflicten op het werk hadden of stelselmatig overwerkten of te veel aan taken op zich namen. Klinkt dan best logisch, toch?
Bij mij was dit echter allemaal niet aan de hand; ik had een fijne stageplek waar ik zelfs mocht blijven werken als vrijwilliger (met een vergoeding) tot ik mijn diploma zou behalen, waarna ik bevoegd zou zijn en daarom waarschijnlijk een contract zou krijgen. Tijdens het afstuderen werd het vrijwilligerswerk echter te zwaar dus stopte ik hier tijdelijk mee (was de bedoeling), maar na het afstuderen werden mijn klachten eigenlijk alleen maar erger en lukte – wat voor vrijwilligerswerk dan ook – ineens niet meer.
‘Je grenzen aanvoelen’ is zo’n abstract iets. Bij mij lijken ze altijd al veel dichterbij te liggen dan bij anderen, wat mij óók heel vaak een gevoel van falen geeft. In het verleden heb ik mijn grenzen ook best wel kunnen verleggen, maar in het verleden heb ik dan ook altijd wel psychische klachten gehad. Na, of tijdens een voltijd stage heb ik ook vaker een depressie gekregen. Achteraf gezien had zo’n depressie ook wel veel overlap met burn-out verschijnselen…
Zou het kunnen dat ik al die tijd al over mijn grenzen ben gegaan en veel last had van de ‘overprikkeling’ waar ze het bij HSP vaak over hebben?
Wellicht kom ik hier na volgende week achter of misschien wel helemaal niet en blijft het bij speculeren…


Hoopvolle toekomst

Het belangrijkste wat het lezen over HSP mij gaf, is hoop voor de toekomst. De mededeling dat therapie afgebouwd zou worden, zorgde ervoor dat ik die hoop (onterecht) verloor. Nu ik kan plaatsen wat maakt dat ik nog niet optimaal kan functioneren in mijn dagelijks leven, maar ook wat ik daar aan zou kunnen doen, heb ik die hoop weer teruggevonden. Er zijn blijkbaar meer mensen die nog tegen dezelfde dingen aanlopen als ik in hun leven en veel van deze mensen hebben uiteindelijk een manier gevonden om hier zo mee om te gaan, dat zij prima kunnen functioneren.
Dat ik nu mezelf als HSP beschouw betekent niet dat ik ineens een ander persoon ben. Het betekent dat ik nog altijd dezelfde persoon ben, maar die onlangs een mogelijke verklaring heeft gevonden waarom ze zich altijd anders voelde de anderen en met sommige dingen niet zo makkelijk mee kon komen met anderen. Het zorgt er ook voor dat ik nu eindelijk kan accepteren dat ik nooit zo zal worden als anderen en dat dat oké is. Doordat ik nu weet wat mij precies anders maakt en dat daar niets mis mee is, kan ik mezelf veel meer accepteren voor wie ik ben. Lezen over HSP heeft mij doen inzien dat het nutteloos is om mij te blijven meten aan anderen, want ik steek blijkbaar anders in elkaar dus moet sommige dingen ook anders doen dan anderen. In plaats van dat ik mezelf probeer te passen in deze maatschappij, ga ik het anders aanpakken; ik zoek of creëer een plek in de maatschappij die juist bij mij past.
Als ik mij namelijk niet vergelijk met anderen of heersende normen/verwachtingen vanuit deze prestatiegerichte maatschappij, blijkt dat ik namelijk al best een ‘rijk’ leven leid.

Als ik kijk naar zingeving en daarbij: een succesvolle carrière, veel sociale activiteiten met grote vriendengroepen en verre reizen weglaat, blijkt dat ik ondertussen ook best wel veel voldoening haal uit het fijne, rustige leven met mijn partner samen. Voor anderen van mijn leeftijd misschien saai of ‘burgerlijk’, maar voor ons al een aantal jaar een fijn, liefdevol leven, wat goed bij ons past. Afgezien van mijn studentenwoning heb ik weinig meegekregen van het ‘studentenleven’; ik ging vrijwel nooit naar feestjes, ging heel zelden uit in een club of naar een kleinschalig festival. Ik hield niet persé van drinken, had niet veel interesse in experimenteren met drugs en ook daten vond ik maar gedoe. Als ik er over nadenk ben ik dan ook blij dat ik desondanks mijn huidige vriend heb ontmoet en ik inmiddels ook in een levensfase zit dat ik met dat alles niets meer hoef. Op de een of andere manier had ik in mijn twintiger jaren het gevoel dat ik afwijkend was, omdat ik met dat soort dingen niet zo veel had. Eens in de zoveel tijd een avondje uit met vrienden vind ik overigens nog best leuk, maar ik trek het gewoonweg niet om dit vaker te doen.
Veel van mijn vrienden zijn inmiddels ook gesetteld en sommigen van hen hebben inmiddels zelfs al kinderen. Ik vind qua leefstijl nu ook veel meer aansluiting bij hen.
Sommige mensen vinden het vrijgezellenbestaan of het studentenleven nog steeds fantastisch en dat is ook helemaal prima. Live and let live! Ik ben alleen blij dat ik nu het gevoel niet meer heb dat er iets mis met mij is en het leven dat ik nu leid eindelijk ‘passend’ lijkt bij mijn leeftijdsfase, wat dat ook wil zeggen…

Overigens zijn mijn vriend en ik dol op honden en eigenlijk kwamen we er door de eerste corona lockdown gek genoeg achter, dat we normaliter al vaker thuis zijn dan wij in eerste instantie dachten. Dus na veel onderzoek, goed nadenken, lang wikken en wegen hebben we uiteindelijk de beslissing genomen om ons in te schrijven op een wachtlijst voor een puppy! Ze wordt komend voorjaar verwacht en zal een welkome toevoeging aan ons gezin en leven zijn. Het lijkt mij zo fijn om voor een hond te kunnen zorgen en fijn gezelschap in huis te hebben.


Wat mij ook een voldoend gevoel geeft, is nieuwe dingen creëren, zoals decoratie voor in huis haken/macrameeën/borduren, fotograferen, gitaar spelen, zingen, (liedjes) schrijven of tekenen en schilderen. Ik heb gemerkt dat het belangrijk voor mij is dat ik mijn creativiteit kwijt kan en hier ook een ander blij mee te maken, door bijvoorbeeld iets te maken naar de wens van een ander, cadeau te doen of gewoonweg het resultaat te delen met anderen.
En ook al ben ik (nog) niet aan het werk als hulpverlener, ik kan alsnog veel voldoening halen uit zorgen voor de kinderen op het kinderdagverblijf. Wanneer ik onverwachts een knuffel of kus krijg van de kinderen smelt ik zowat weg, dus ik krijg er ook nog eens veel voor terug (afgezien van ook veel training in geduld bewaren). 🙂

Beetje bij beetje begin ik dus toch dichterbij het dagelijks leven te komen dat ik graag voor mij zou zien. Met minder angst en paniek en met meer vermogen en energie om alles (vooral werk, naast een huishouden) vol te kunnen houden, zou ik er eigenlijk al zijn!
In dat geval: geen probleem, dat ‘uit therapie’. 😉

Bron

Bronnen:

Hoogsensitief.nl. (2020). Opgeroepen op september 27, 2020, van Hoogsensitief.NL: https://hoogsensitief.nl/volwassenen/

Psychologie Magazine. (2020). hoogsensitief. Opgeroepen op oktober 20, 2020, van Psychologie Magazine: https://www.psychologiemagazine.nl/thema/hoogsensitief/

Tol, A. (2014). Hoogsensitiviteit professioneel gezien, Sensitiviteit als verklaring onder psych(osmat)ische klachten. Amsterdam: Boom Uitgevers Amsterdam.

De december dingen

Het is al best lang geleden dat ik wat heb geschreven voor mijn blog, dus werd het weer eens tijd. Het is December. Dé maand waarin heel Nederland terugblikt op het afgelopen jaar. Niet alleen het journaal of de caberatiers, maar ook veel individuen schrijven via social media over hoe hun persoonlijke jaar was. In sommige gevallen zelfs hoe het afgelopen decennium verlopen is, want we naderen een heel getal, namelijk: 2020.
Zelf word ik een beetje verdrietig als ik denk aan terugblikken. Ik heb immers niet de dingen bereikt die ik had willen bereiken. Sterker nog; ik zit sinds de zomer van 2018 al ziek thuis. Ook word ik komend jaar 30. Yikes…

Maar, inmiddels zie ik gelukkig ook de dingen die ik wel bereikt heb. Nu daar nog vooral op zien te focussen.

Hello 2020

Hoe ik het had bedacht

Toen ik in de zomer van 2018 mijn diploma uitreiking had, had ik al flink last van burn-out klachten. Gelukkig lukte het om mijn uitreiking bij te wonen en voor het eerst in mijn leven zo’n ceremonie mee te maken waarin mijn diploma werd overhandigd. Ik bedacht dat als ik die zomer genoeg rust zou nemen, ik in het najaar dan wel een intensieve EMDR-behandeling zou kunnen volgen die al tijden op de planning stond wegens het nog hebben van cPTSS klachten. Daarna zou ik in de zomer van 2019 al wel aan het werk zijn in de ggz als SPH’er/ggz-agoog. Ik zou in mijn rol als voltallig werknemer in plaats van stagiaire meer vertrouwen krijgen in mijn kunnen en het gevoel hebben dat mijn harde werken tijdens mijn studie nu beloond werd, door groeien in mijn carrière en ergens een waardevolle bijdrage aan te kunnen leveren.

Buiten mijn werk om, zou ik mij ook veel beter voelen; ik zou grotendeels hersteld zijn van mijn psychische klachten en meer energie hebben om te kunnen genieten van het leven. Ik zou therapie dus niet meer nodig hebben en al uit therapie zijn gegaan.
Misschien zou ik bijvoorbeeld ook een mooie verre reis hebben gemaakt met mijn vriend en/of een tof muziekfestival hebben bezocht en wellicht zou ik inmiddels al steeds meer toe zijn aan het starten van een gezin.

Maar ja, nogmaals, dit liep dus anders. Spoiler: ik zat vooral thuis en ondernam weinig. Verwacht dus vooral geen spannend verhaal. 😅
Het jaar 2019 is voor mij vooral een jaar geweest van verwachtingen bijstellen.

Hoe het anders liep

Ik volgde inderdaad een intensieve EMDR-behandeling, maar het idee was om dit bij een instelling te volgen gespecialiseerd in cPTSS klachten, die tegelijk aandacht zouden hebben voor mijn lichamelijke stressklachten tijdens de behandeling. Helaas bleek er echter geen instelling te bestaan die cPTSS klachten behandelen die zijn ontstaan door emotionele verwaarlozing; ik werd afgewezen en viel ook bij andere instellingen steeds buiten de boot. Vrijwel alle cPTSS behandelingen blijken gericht op mensen die oorlog, (seksueel) geweld of een ernstig ongeluk hebben meegemaakt. Ook lijkt er geen eenduidige definitie te zijn voor complexe PTSS, omdat alleen ‘reguliere’ PTSS in de DSM V (het handboek dat in de psychiatrie gebruikt wordt om te diagnosticeren) staat beschreven. Voor mij is complexe PTSS dat mijn trauma’s verweven zijn met mijn persoonlijkheid door o.a. emotionele verwaarlozing in mijn jeugd. Dit zijn bijvoorbeeld bepaalde opvattingen over mezelf als: ‘ik ben een slecht mens’, waardoor ik nog steeds in het dagelijks aanloop tegen bijvoorbeeld veel onzekerheid en zelfkritiek wegens een laag zelfbeeld. Dit heeft niet alleen invloed op mijn persoonlijk functioneren, maar ook beroepsmatig functioneren; ik heb bijvoorbeeld telkens het idee dat ik faal, ook wanneer dit niet zo is. Bij het verder brainstormen, kwamen mijn vrijgevestigde therapeut en ik tot de conclusie dat een nog resterende optie zou zijn om reguliere EMDR te volgen, maar dan een intensieve, op maat gemaakte variant, met schematherapie elementen. (Lees verder hoe dat ging in dit blog) Het duurde dus even voordat dit allemaal georganiseerd en opgestart was, waardoor ik in december/januari pas echt kon starten met de behandeling.
Het EMDR-traject heeft wel veel geholpen; ik word inmiddels veel minder getriggerd door bijvoorbeeld ambulances en sirenes en heb nog nauwelijks nachtmerries en herbelevingen!
Helaas had ik nog wel steeds last van andere klachten…

Het jaar 2018, maar ook grotendeels 2019, stonden voor mij – naast het bijstellen van mijn verwachtingen – vooral in het teken van uitzoeken waarom ik mij dagelijks zo beroerd bleef voelen. Toen ik afstudeerde en last had van de paniekaanvallen, dacht ik dat ik oververmoeid was en de zomervakantie hard nodig had om bij te komen. Ik nam die zomer dan ook genoeg rust; ik moest wel, want ik kon nauwelijks wat ondernemen door vage lichamelijke klachten. Helaas bleven de klachten echter ook na de zomer, waardoor solliciteren voor een baan er echt nog niet in zat…

De klachten varieerden van paniekaanvallen (ineens zonder concrete aanleiding erg duizelig en misselijk voelen, in zweet uitbreken), tot een lamme linkerarm en pijn op de borst. Dit bleek gelukkig een borstbeenontsteking naast de paniekaanval symptomen, maar je kunt je misschien voorstellen hoe angstaanjagend het is als je dat nog niet weet. Het zijn bij toeval soortgelijke symptomen als bij een hartinfarct. Een borstbeenontsteking kan o.a. ontstaan door een verkeerde houding of door veel hyperventileren, volgens mijn huisarts.
Ook had ik last van mijn gebit, maar de tandarts kon niets vinden. Dit bleek te komen door spanning in mijn kaken; ik lijk overdag mijn kaken op elkaar te klemmen wanneer ik gespannen ben. Die pijn straalt dan door naar mijn tanden. Ook kreeg ik pijn bij mijn hals, in mijn oor, in mijn hoofd (wat bleek te komen door slechte samenwerking tussen mijn ogen), in mijn buik… Ik heb in ieder geval veel tijd doorgebracht bij de huisarts. Soms verliet ik de praktijk met een diagnose of verwijzing, maar vaker met alleen tranen, een gevoel van machteloosheid en schaamte en het idee dat het allemaal tussen mijn oren zat.

De huisarts legde uit dat de niet te verklaren klachten waarschijnlijk voortkomen vanuit stress en spanning en dat ik de term ‘SOLK’ maar eens moest opzoeken. SOLK staat voor Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten. Hiermee wordt bedoeld dat er lichamelijk klachten zijn die al langer bestaan en waarbij met een medisch onderzoek geen ziekteoorzaak gevonden is(Centrum voor SOLK, 2015). Toen ik de term had opgezocht kwam ik erachter dat het iets is wat dus vaker voorkomt bij mensen. Wat erg hielp, want ik kreeg het gevoel dat ik de klachten inbeeldde, terwijl dat dus niet het geval is bij SOLK; de klachten zijn echt, alleen de oorzaak is onduidelijk/onbekend.

- Bij 30-50% van mensen bij huisarts is sprake van SOLK. - Bij 40-60% van mensen bij specialist is sprake van SOLK. - Half miljoen Nederlanders heeft ernstige SOLK. - 2,2 x hogere medische consumptie dan gemiddelde patiënt. (Multidisciplinaire richtlijn SOLK en Somatoforme Stoornissen, Trimbos, 2010) - Grote lijdensdruk. - Forse belemmeringen sociale relaties en werkverzuim. - Frequent terugkerende patiënten op spreekuur huisarts, dikke patiëntendossiers, veelvuldig bezoek alternatieve genezers (ook daar onvoldoende resultaat)!! CENTRUM VOOR SOLK.
Bron: Centrum voor SOLK, via Google.

Vervolgens begon de zoektocht, want met lichamelijke klachten waar je geen grip op krijgt, bleek alleen psychotherapie niet genoeg. Ik volgde dus eerst een intensief EMDR traject op maat in de hoop dat het naast de (c)PTSS klachten, het ook de lichamelijke stressklachten zou verminderen. Helaas gebeurde dit niet. Vervolgens heb ik ook mensendieck en psychosomatische fysiotherapie geprobeerd, wat enigszins hielp om de paniekaanvallen beter te kunnen hanteren en aan te voelen komen, maar de meer ongrijpbare klachten zoals hevige hoofdpijn, maagklachten, pijn op de borst en andere pijnklachten bleven.
Ondertussen bleef ik de huisarts bezoeken, want tja, een nieuwe klacht kon net zo goed wél iets lichamelijks zijn. Hier was mijn huisarts het overigens mee eens gelukkig en soms bleek dat dus ook het geval, zoals bij de verwijzing naar een oogarts voor de hoofdpijn.
Juist wanneer de klachten geen oorzaak leken te hebben werd ik nóg angstiger. Het hielp ook niet dat ik via social media en andere kanalen enge verhalen bleef horen over mensen die plotseling ernstige ziektes bleken te hebben. Ik ging mezelf steeds meer een hypochonder voelen naarmate de angst toenam en ging mij hierdoor ook nog ontzettend schamen voor deze angsten.

Strip

Dokter: "Ik heb goed nieuws: u heeft helemaal niets!"
Patiënte: "Dat niets zo'n pijn kan doen..."

Gelukkig bleef mijn huisarts (en ook de andere huisartsen binnen de praktijk) geduldig en begripvol. En gelukkig namen ze elke keer mijn klachten serieus en werd ik bij elke nieuwe klacht onderzocht. Zo had ik een keer iets hards gevoeld in mijn borst. Gezien er heel veel kanker in verschillende vormen voor is gekomen binnen allebei de kanten van mijn familie, waarvan 4 familieleden – waaronder mijn moeder – zijn overleden, raakte ik nu helemaal angstig. Ook bleek mijn moeders zus ooit borstkanker te hebben gehad, dus ik werd direct verwezen voor een mammografie. Uiteindelijk werd dit vanwege mijn relatief jonge leeftijd een echo (gelukkig maar want dit was niet pijnvrij geweest met een borstbeenontsteking), maar gelukkig was er niets te zien op de echo en was de zwelling misschien wel onderdeel van de ontsteking bij mijn borstbeen.
Ik realiseerde me dat mijn angst heel erg voortkomt vanuit de ervaring van mijn moeders ziekte van dichtbij te hebben meegemaakt en vooral het stuk waar ik haar zag lijden door pijn tot ze overleed. In deze zin leken de angsten toch voor te komen vanuit deze traumatische tijd.

It's not the future you are afraid of. It's the fear of the past repeating itself that haunts you.

Angstig leven

Het ging er steeds meer op lijken dat mijn angst de lichamelijke klachten in stand houden. Vooral angst voor pijn lijden of na een lang ziekbed komen te overlijden, maar ook angst voor andere dingen die in het leven kunnen gebeuren. Dit terwijl ik eerder in mijn leven echt niet zoveel angsten had als nu. Ik ben echt een angsthaas geworden het laatste jaar en erger me dan ook heel vaak aan mezelf.

Uiteindelijk besefte ik me, dat ik deze angsten altijd wel heb gehad, maar mijn depressies deze angsten heel goed konden dempen. Gezien ik vanaf kinds af aan vaker depressief ben geweest en daardoor eigenlijk altijd weinig zin en vertrouwen had in wat het leven te bieden heeft, had ik daarmee ook een coping. Als het van jou toch allemaal niet hoeft, maakt het niet uit wat er gebeurt. Die nonchalance door mijn suïcidale gedachten, zorgden ervoor dat ik niet angstig hoefde te zijn, want stel dat ik morgen onder een auto zou komen, dan was ik toch gelijk van al mijn problemen af. Prima. Ik kom er dus nu pas achter dat ik als kind nooit heb geleerd om op een gezonde manier met angsten om te gaan. Zelfs niet de existentiële angsten die iedereen wel herkent en bij het leven horen.

Dankzij jarenlange therapie en het fijne leven dat ik samen met mijn vriend heb opgebouwd, raakte ik heel langzaam van mijn depressies af en kreeg ik steeds meer zin in het leven. Tegelijk werd ik dus onbewust ook ineens heel angstig, want wat wil ik eigenlijk van het leven? Vroeger dacht ik dat ik nooit de 30 zou halen. Mijn broer heeft immers nooit de 20 gehaald. Het was op de een of andere manier een soort gegeven voor mij dat ik maar kort zou leven door de depressies. En nu word ik over 4 maanden al 30 jaar oud…
Naast dat ik het gevoel heb niet precies te weten wat ik verder wil in het leven (ik hoefde immers eerst nooit verder te kijken dan 30), is het ook maar heel onzeker wat ik kan halen uit het leven, want er kan van alles gebeuren waardoor het allemaal niet lukt. Ik heb bijvoorbeeld een sterke kinderwens en mijn beste vriendin is net voor het eerst moeder geworden. Door dit van dichtbij mee te maken bij haar en hoe zwaar de eerste maanden zijn met een pas geboren baby, zal ik misschien ook mijn verwachting moeten bijstellen dat ik dit zelf ooit ga kunnen. Vooral als ik nog zoveel last heb van allerlei klachten; ik was vroeger zelf een KOPP-kind (kind van een ouder met psychische problemen) en heb gewerkt met KOPP-kinderen. Moet ik wel het risico nemen dat mijn eigen kind misschien ook KOPP-problematiek ontwikkelt? Kan mijn partner dit wel aan?

Als ik dit zo typ klinkt het ook wel ontzettend suf en vol doemscenario’s, want er kan altijd wat gebeuren in het leven, daar doe je niets aan, maar het is wel echt wat onbewust in mijn hoofd gebeurt, waardoor ik de laatste tijd last heb van allerlei verschillende angsten. Ik woon bijvoorbeeld in een flat en wanneer ik vanuit mijn appartement boven mij mensen hoor rennen (op de galerij), denk ik gelijk: ‘O nee, er is brand, ik moet ook gaan rennen’. Terwijl de kans groter is dat het kinderen zijn die al spelend en rennend richting de lift rennen. Alleen daar denk ik dan weer niet gelijk aan. Tegen de tijd dat ik dat heb bedacht, voel ik de adrenaline al door mijn lijf gieren en zijn al mijn spieren weer gespannen. Hoe vaker dit gebeurt, hoe meer vage pijnklachten ik weer krijg. Het is dus onderhand een vicieuze cirkel geworden.

Het lastige was dat er de laatste weken ook wat heftige dingen in mijn omgeving gebeurden. Goede vrienden van mijn schoonfamilie kwamen plotseling om in een heftig auto-ongeluk, een ander familielid in mijn schoonfamilie blijkt kanker te hebben (al is het nog onduidelijk wat voor vorm en waar precies) en mijn schoonmoeder werd vorige week onwel en moest per ambulance naar het ziekenhuis gebracht worden.
Gelukkig is het familielid stabiel en voelt diegene zich goed ondanks de diagnose. Verder bleek het met mijn schoonmoeder achteraf allemaal mee te vallen. Toch voelde het even alsof mijn angsten werkelijkheid werden; dat mensen waar ik veel om geef plotseling (ernstig) ziek worden. Ik ben bang dat het verleden zich steeds zal blijven herhalen en ik steeds dierbaren in mijn omgeving blijf verliezen. Dit is natuurlijk niet zo, maar in alle emotie kostte het mij veel moeite om die angst als irreëel te blijven zien.
Daarnaast heb ik ook een paar weken terug een uitvaart moeten bijwonen, gezien de opa van mijn vriend (op een mooie leeftijd) overleed. Sinds het overlijden van mijn moeder zijn bepaalde plekken zoals ziekenhuizen en uitvaartcentra een bron van PTSS triggers, waardoor ik helaas weer een aantal dagen last heb gehad van beelden en enkele herbelevingen ondanks het recente EMDR-traject. Ik heb me dan ook gerealiseerd dat ik voor dit soort situaties altijd wel kwetsbaar zal blijven en hier in de toekomst maar rekening mee moet houden, naast de normale emoties die de gebeurtenissen oproepen.
Toch ben ik blij dat het ondanks de beelden e.d. het toch is gelukt om de uitvaart bij te wonen en mijn schoonfamilie tot steun te zijn.
Het blijft helaas nog even een moeilijke tijd omdat er nog zoveel onzekerheid heerst rondom het schoonfamilielid dat nog ziek is, maar ook hier moet ik net als de rest van de familie toch proberen om van het positieve uit te gaan. De diagnose kanker heeft namelijk gelukkig niet in alle gevallen een slechte afloop.


Wat te doen aan SOLK

Op een gegeven moment had mijn vrijgevestigde psychotherapeut het idee dat haar ‘behandelrepertoire’ op was en mij niet meer kon helpen bij mijn overgebleven klachten. Iets wat best logisch is, want zij is immers niet gespecialiseerd in lichamelijke klachten en ik had van haar in de tussentijd al veel psychotherapie, schematherapie en EMDR mogen krijgen die mij in andere opzichten veel verder in mijn herstel hebben gebracht.
Toch riep dit bij mij heel wat gevoelens op vanuit mijn angst, namelijk dat ik was ‘uitbehandeld’; een hopeloos geval waar het nooit meer mee goedkomt. Dit werd versterkt door het feit dat mijn therapeute steeds meer begon over therapie afbouwen. De timing van het vaker hebben over therapie afbouwen terwijl ik mij al zo ellendig voelde, versterkte de angst dat zij het opgaf en er niets meer te doen is aan mijn overgebleven klachten. Ik zou vanaf nu een waardeloos leven moeten lijden met elke dag pijntjes en ongemakken, waardoor ik vrijwel niets kan ondernemen en dat zou ik dus niet volhouden. Omdat ik al bijna 1,5 jaar last heb van deze klachten (wat al eindeloos voelt), zat ik er erg doorheen en kon ik niet meer rationeel naar de situatie kijken. Ik kreeg toch weer last van depressieve gedachten; elke dag thuis zitten en mij fysiek beroerd voelen, trok ik mentaal niet meer. Als ik zo nog jaren verder moet leven, wíl ik niet meer leven.
Tegelijk was ik bang dat mijn therapeute vond dat ik mij aanstel; dat ik prima zou moeten kunnen verder leven met deze klachten en dat ik onterecht nog onder de klachten lijd. Zoiets als; andere mensen hebben het pas moeilijk, jij hebt geen recht om het moeilijk te hebben. Iets wat vaker in mijn jeugd tegen mij gezegd is, waardoor ik soms nog (onbewust) in dit ‘minderwaardigheids-schema’ schiet.
Natuurlijk wil ik uiteindelijk afbouwen, maar wel pas als mijn leven met de psychische klachten dragelijk is. Ik had verwacht dat we het pas over afbouwen zouden gaan hebben als ik zelf het gevoel had zonder therapie te kunnen. Het was mijn einddoel en iets waar ik naar uitkeek om wanneer het goed genoeg met mij ging te kunnen zeggen; ‘ik denk dat ik nu wel zonder kan’. Iets wat ik in deze situatie natuurlijk niet bepaal voel gezien de lichamelijke klachten, waar ik tot nu toe maar niet vanaf kom, een psychische oorzaak lijken te hebben.

Met behulp van veel gesprekken met mijn omgeving en mijn therapeut, lukte het uiteindelijk weer mezelf te herpakken. Mijn therapeut stelde me gerust dat we echt niet abrupt zouden stoppen met therapie en dat we echt nog aan de slag gaan met overgebleven klachten waar zij mij nog wel bij kan helpen. Ze verzekerde me dat het therapie afbouwen geen vast proces is, als in; nog 10 sessies en dan stoppen we. Maar dat het een proces en fase is waarin ik zal gaan oefenen zonder therapie en daardoor langzaam meer vertrouwen ga krijgen in dat ik ook zonder kan. Iets wat ik inmiddels steeds vaker ervaar, ondanks de afgelopen periode met een hoop nare gebeurtenissen. Wel bleef ik mij naar voelen over het afbouwen, om de manier waarop het gestart is en dat ik er zelf totaal nog niet mee bezig was; ik zat volop in een ‘ik voel me ellendig en wil er wat aan doen’-modus. Therapie was het enige wat mij het gevoel gaf grip te hebben op de situatie. Uiteindelijk bleek het een grote denkfout van mij te zijn; ik dacht hoe intensiever de therapie, hoe sneller en beter ik van mijn klachten af raak.
Ik ging het wat meer begrijpen toen mijn therapeute de uitleg gaf dat ik voor psychotherapie begrippen, al vrij lang therapie krijg. Dit had ik nooit geweten; ik had het idee dat psychotherapie altijd een behandeling was van meerdere jaren, waardoor ik blijkbaar een verkeerd beeld had gevormd van hoe een psychotherapie-traject werkt en hoe het afbouw-proces zou gaan.
De hele situatie gaf mij het gevoel heel afhankelijk van therapie te zijn, terwijl ik dat in wezen niet meer zo ben als dat ik dat wel was als kind. Op mijn 14e kreeg ik voor het eerst therapie en had ik door een beperkt netwerk en instabiele thuissituatie therapie echt nodig, omdat ik alleen daar de steun en begeleiding kreeg die ik nodig had op mijn leeftijd (met depressieve klachten, persoonlijkheidsproblematiek en trauma’s). De laatste jaren zag ik therapie alleen nog als het middel om te bereiken dat ik uiteindelijk op eigen kracht verder kan, maar wel wanneer ik daar echt klaar voor was. Namelijk, met minder klachten, zodat het dagelijks leven dragelijker zou zijn. Nogmaals, dit was een jaar van verwachtingen bijstellen, want er bestaat een kans dat ik nooit helemaal van sommige van mijn klachten af raak. In dat geval zou therapie blijven krijgen natuurlijk ook zinloos zijn.


Hoe dan ook, uiteindelijk bespraken mijn therapeut en ik dat het ook goed zou zijn om inderdaad naar andere mogelijkheden te kijken wat betreft de lichamelijke klachten. Zij opperde een consult bij een van haar collega’s. Ik stemde in. Dit bleek iemand te zijn die veel werkt met SOLK-klachten (deels ook in een ziekenhuis) en verder lichaamsgerichte CGT geeft, in combinatie met yin yoga of running therapie. Uit dit consult is uiteindelijk gekomen dat ik een keer met haar mocht kennismaken, waarna al snel bleek dat zij mij zelf wel zou kunnen helpen.

Een paar gesprekken en wat vragenlijsten verder, ga ik 2 januari inderdaad starten met een lichaamsgerichte CGT/running therapie traject bij deze therapeute. Dit gaf mij frisse moed en hoop dat het toch goed kan komen, iets wat ik de laatste tijd erg nodig had.
Zij kon mij overigens uitleggen aan de hand van de ‘window of tolerance theorie’ dat wanneer mensen, zoals bij een burn out, langere tijd zich in de hyperarousal bevinden (zie dit blog met uitleg hierover), ze ook terecht kunnen komen in een zogeheten hyperfreeze. Dat betekent dat je lichaam zich zo lang in een staat van paraatheid bevindt, dat dit een soort van de nieuwe basis modus wordt. In de hyperarousal maakt je lichaam zich als het ware klaar om te vechten of te vluchten, in mijn geval dus ook wanneer er geen daadwerkelijk gevaar dreigt, maar door de angst voelt het wel zo. Omdat je lichaam zich hiervoor klaar maakt, activeert het bepaalde delen in je lichaam, maar deactiveert het ook bepaalde delen van je lichaam. Zo is het bekend dat je spijsvertering minder goed werkt in stressvolle situaties, want dat helpt je toch niet om te vechten of vluchten. Ook gaat je weerstand omlaag, omdat je lichaam energie spaart voor de directe dreiging, griepvirussen e.d. doen er dan even niet toe.
In de hyperfreeze sta je dus eigenlijk dagelijks in de overlevingsstand tussen de hyperarousal en de window in, in plaats van in de normaalstand (binnen de window dus).
Hierover kon ik niet echt artikelen vinden als bron, dus het kan zijn dat ik het verkeerd navertel, maar dit is hoe ik het dus zelf van deze therapeute heb begrepen en heb onthouden. Dus ik hoop dat het een beetje klopt. Het klinkt in ieder geval wel logisch en het verklaart goed waarom die vage klachten bij mij zo lang aanhouden.

De bedoeling van de therapie wordt om door te wandelen, joggen, hardlopen, maar ook te zitten (rust nemen), door middel van mijn hartslag te bepalen wanneer ik rust nodig heb. Tijdens die rust moet mijn lichaam zich weer leren herstellen naar de normaalstand. Dus door intervallen met activiteit en rust, moet mijn lichaam dit weer beter gaan leren herkennen en zich hier ook weer aan gaan aanpassen, zodat ik écht weer kan gaan ontspannen. Tegelijk bouw ik weer conditie op, want deze is erg achteruitgegaan gezien ik door de klachten niet meer goed durfde te bewegen. Wat ook begrijpelijk is, gezien de klachten bij bewegen erger werden en ik hier geen grip op had. De hartslag meter zou hierbij moeten helpen in het begin. Wanneer ik binnen de groene zone zit, gaat het prima en wanneer ik bij oranje rood kom, moet ik rust nemen. Op een gegeven moment leer ik hierin ook experimenteren is de bedoeling. Dus ik moet het weer gaan aandurven om grenzen te verleggen, maar niet over mijn grenzen te gaan. Dat wordt de uitdaging. Daarna moet ik ook de hartslag meter gaan afbouwen, dus zelf weer leren aanvoelen waar mijn echte grenzen liggen en wat mijn lichaam nodig heeft.

Hopelijk heb ik als ik weer een beetje kan vertrouwen op mijn lichaam en mij weer sterker en fitter ga voelen, ook al minder last van de overige angsten, maar zo niet, dan hoop ik dat ik ook daar binnenkort nog vanaf kom.

Mijn omgeving en werk

Just because you can't see it or understand it, doesn't mean it doens't excist.

Het duurde voor mij erg lang voor ik echt ging begrijpen wat mijn klachten precies zijn, hoe ze ontstaan en hoe ik er vanaf kan komen. Ondertussen moest ik telkens veel afspraken afzeggen. Ik begon aan vrijwilligerswerk omdat ik dacht dat het mij zou helpen weer een ‘werkconditie’ op te bouwen, dus dat het mij zou helpen met re-integreren als starter, maar helaas moest ik mij zó vaak op het laatste moment ziek melden door de klachten…
Normaal gesproken als je je niet zo lekker voelt, kijk je even aan hoe het gaat en ga je in de meeste gevallen met eventueel wat pijnstilling, toch naar je werk. Bij mij zorgden de klachten voor paniek en de paniek weer voor klachten, wat maakte dat ik zelfs met een paracetamolletje alsnog kotsmisselijk, duizelig en/of met veel pijn of maagklachten op bed lag of op de wc zat. Dit was lastig uit te leggen aan mijn vrijwilligerswerk, al ben ik altijd heel eerlijk geweest over mijn klachten. Dus afgelopen jaar heb ik tot twee keer aan toe helaas al moeten stoppen toen ik pas net was begonnen met vrijwilligerswerk. Ik snap ook dat het voor anderen lastig te begrijpen is, ik snapte het zelf immers amper. En vrijwilligerswerk is natuurlijk vrijwillig, maar niet vrijblijvend.

Naast vrijwilligerswerk, merkte ik ook dat sommige mensen in mijn directe omgeving moeite hadden met het begrijpen van mijn situatie. Wanneer ik vrijwilligerswerk gevonden had, hoorde ik opmerkingen als ‘o gelukkig ga je weer wat doen, dat thuiszitten is ook niets’. Nu was ik het daar volkomen mee eens, want van thuiszitten worden de meeste mensen écht niet vrolijk, ik dus ook niet. Alleen voelde ik toch ook een beetje een oordeel verstopt in dat zinnetje. Ik merkte dat sommige mensen zich maar moeilijk konden inleven in waarom ik thuiszat. Mijn klachten hadden immers geen diagnose, dus het zou allemaal wel meevallen. Het leek alsof ze vonden dat ik thuis zitten wel prettig vond en het wel makkelijk vond om niet te werken. Zelf had ik dit oordeel ook ergens; ik voelde me zwak en lui, terwijl ik nooit iemand ben geweest die de kantjes ervan loopt. Ik ben juist perfectionistisch, wil het graag goed doen en heb veel doorzettingsvermogen.
Plus, hard werken is in deze maatschappij zelfs een soort statussymbool, zelfs als het de gezondheid schaadt. Ook moet je maar gewoon doorgaan als je je niet goed voelt en al helemaal geen hulp accepteren, want het is pas knap als je het allemaal zelf doet. Ook gaan we vaak veel te laat naar de huisarts, want ‘ik piep niet zo snel’.
Dit zijn dingen die ik vaak zie en hoor in mijn omgeving en waar ik onbewust ook aan wil voldoen. Dat dit niet lukt en dat het zelfs niet lukt mee te komen met de dagelijkse dingen zoals (betaald) werk volhouden, maakt dat ik mij voel als een mislukkeling, terwijl ik ergens weet dat bovenstaande opvattingen ook niet goed zijn voor je mentale en fysieke gezondheid. Dat ik (buiten mezelf om) steeds meer begrijp waarom mensen met een beperking zich uitgesloten voelen binnen deze prestatiegerichte maatschappij.

Hoe dan ook, de huisarts moest mij steeds helpen herinneren dat mijn klachten wél echt waren en dat ze inderdaad heel vervelend kunnen zijn.
Elke keer wanneer het stuk liep met vrijwilligerswerk, werd ik bevestigd in mijn faalangst. Ik bleef immers falen; het wilde maar niet lukken om mij niet ziek te voelen.
De klachten hebben mij ook tot het inzicht gebracht, dat de burn-out, of hoe je het ook wilt nemen, altijd al sluimerde. Daar bedoel ik mee, dat zover ik me kan herinneren, ik al snel (lichte) lichamelijke klachten en stress kreeg bij spannende situaties, die voor de meeste mensen niet spannend zijn. Zoals als kind een brood moeten kopen bij de bakker, maar ook als volwassene tijdens een stage pauze houden en sociale interactie moeten aangaan met collega’s. Ik kon ook dan ineens misselijk of duizelig worden, oftewel een lichte versie van de paniekaanvallen die ik de laatste jaren heb ervaren. De onzekerheid en faalangst hebben mij altijd veel energie gekost en veel stress gebracht. Ik hoop dan ook dat wanneer ik ga werken, ik wat meer zelfvertrouwen ga krijgen zodat ik meer energie kan stoppen in het werk in plaats van mijn angst en onzekerheid verbergen.

Ik besefte mij overigens dat ik wellicht hulp nodig heb bij het re-integreren, naast een behandeling voor mijn lichamelijke klachten. Als starter re-integreren blijkt namelijk een hele klus; ik ben nog steeds ziek dus geen een werkgever staat te springen om mij aan te nemen, ik heb afgezien van stages nog geen werkervaring en ik heb zelf momenteel nog weinig idee van wat ik aan kan qua werk en wat dus realistisch is in mijn situatie. Ik heb mij daarom aangemeld bij een organisatie (los van het UWV) die mij willen gaan helpen bij het vinden van (betaald) werk en re-integreren. Er is helaas een wachtlijst, dus ik ben eind januari, begin februari pas aan de beurt, maar dat geeft me aan de andere kant ook tijd om eerst aan mijn klachten te werken met het running therapie/CGT traject.
Intussen probeer ik aan te sterken om weer vrijwilligerswerk te kunnen doen om hier vast langzaam mee te kunnen starten, maar wellicht wil ik nu te veel, te snel. Iets waar ik telkens tegenaanloop. Wederom; verwachtingen bijstellen.

Don’t look back, look now

The only time you should look back, is to see how far you've come.

Voordat ik terechtkwam bij de lichaamsgerichte therapeut, heb ik het kort met mijn huidige therapeut nog gehad over ACT: een vorm van therapie dat is gebaseerd op mindfulness. Ik heb zoals je misschien in mijn blogs hebt gemerkt, namelijk sterk de neiging om terug te blikken en vooruit te kijken. Dit hoeft niet perse slecht te zijn, maar in mijn geval zorgt het ervoor dat ik te veel terugkijk op nare gebeurtenissen of te kritisch ben naar mezelf in het reflecteren op situaties (de Dictator). Óf heel angstig word van de toekomst, omdat het me onzeker maakt omdat ik niet wat er gaat gebeuren of juist te veel verwacht en makkelijk teleurgesteld/terneergeslagen raak wanneer het anders loopt dan ik had gewild.
Een voorbeeld van dit laatste; ik had dus gehoopt een betaalde baan te hebben en therapie volledig afgebouwd te hebben voor mijn 30e. Niet gelukt, geen ramp, maar wel balen omdat ik deze verwachting had.

Bij ACT richt je je op het focussen op het hier-en-nu, wat ik dus goed zou kunnen gebruiken. Het is dus niet zo dat ik deze therapie ga volgen binnenkort, maar ik probeer er wel zelf wat meer mee bezig te zijn. Zo probeer ik ook nu te kijken naar wat er NU allemaal wél goed gaat, in plaats van wat er niet goed gaat (wat dus genoeg is als je leest wat ik tot nu toe allemaal heb geschreven in dit blog). Ik probeer mezelf weer een beetje terug te vinden; de versie die krachtiger, positiever (en gezelliger) is dan ik de afgelopen 1,5 jaar was. Wie weet helpt dit lijstje maken hierbij.

De afgelopen 10 jaar heb ik wel:
– een intensieve klinische psychotherapie jeugdbehandeling van ruim een jaar afgerond;
– tijdens deze behandeling de opleiding Social Work gestart;
– jaar 1 van deze voltijd hbo-opleiding ondanks tegelijk de voltijd behandeling nog volgen, met een dikke voldoende afgerond;
– voor het eerst op mezelf gaan wonen;
– een boosterbehandeling voor anorexia nervosa in een eetstoorniskliniek afgerond;
– een gezond BMI gekregen ondanks nog steeds schommelingen in gewicht door de jaren heen;
– zowel gestopt met automutilatie, als mezelf wegen;
– opnieuw met een hbo-opleiding gestart, dit keer SPH aan een andere hogeschool;

na een auditie aangenomen bij een soort vooropleiding van een gerenommeerde musical-opleiding (helaas uit onzekerheid gelijk gestopt, maar door de auditie komen was voor mij destijds genoeg);
– bijna mijn propedeuse cum laude behaald;
– 2 studieblokken tegelijk gedaan om mijn propedeuse op tijd te kunnen halen, omdat ik het laatste studieblok van mijn propedeuse heb moeten missen om voor mijn vader te kunnen zorgen die moest revalideren van een herseninfarct;
– op tijd mijn propedeuse behaald én jaar 2 dankzij enkele herkansingen;
– het honours programma ingeruild voor het traject binnen de opleiding waarmee je als professional je eigen ervaringskennis leert ontwikkelen en inzetten;
– verliefd geworden op een hele leuke man en hem ook verliefd op mij laten worden;

– gitaar leren spelen (m.b.v. YouTube bij gebrek aan een docent);
– een voltijdstage op één maand na bijna afgerond, ondanks slechte stagebegeleiding en doelgroep die niet bij mij paste.
– gaan samenwonen met die leuke man in mijn studentenwoning van 23m2;

– een akoestisch bandje begonnen als zangeres, samen met een gitarist en toetsenist;
– hersteld van een zware depressie en opleiding opnieuw opgepakt, minor uit 4e jaar bijna in één keer afgerond;

werd geïnterviewd door de FOLIA over het verhaal dat ik schreef, gebaseerd op mijn klinische opname in de jeugdpsychiatrie;
– voor het eerst opgetreden met mijn bandje;
– vanuit Rome per trein naar Florence en Venetië gereisd met vriendlief, ondanks het hebben van paniekklachten;
– meegewerkt aan de muziektheatervoorstelling ‘Vind je het gek?!’ over psychische kwetsbaarheid van theatermaakster Nynka Delcour;
– derdejaars voltijd stage opnieuw gestart, dit keer in de jeugd-ggz preventie hoek;
– derdejaars voltijd stage behaald met dikke voldoende, plus ik mocht na mijn stage blijven werken onder het mom van vrijwilliger, tot ik mijn diploma zou halen en kon solliciteren;
– een appartement gekocht samen met nog steeds diezelfde leuke man;

– werd geïnterviewd door een journaliste van VICE over mijn blog en mijn missie om psychische kwetsbaarheid meer bespreekbaar te maken.
– scriptie in één keer met een voldoende behaald (over als professional je eigen ervaringskennis inzetten);
– het 4e en laatste jaar van mijn opleiding afgerond ondanks burn-out klachten en eerdere studievertraging/gezondheidsproblemen, met als laatste cijfer een 9;
– met behulp van lotgenoten op social media een EMDR Survivalgids geschreven die dagelijks nog steeds ingezet en gelezen wordt door traumatherapeuten en mensen die EMDR gaan volgen;
– zelf een intensief EMDR-traject afgerond;

– voor het eerst een lied geschreven;
– een vrijwilligersplek gevonden als ervaringsdeskundige, waar ook nog ruimte is voor herstel;
– langzaam gestart met volledig therapie afbouwen voor het eerst sinds mijn 14e;

– voor het eerst opgetreden als singer-songwriter en een eigen nummer live gespeeld;
– een babyshower mogen organiseren voor mijn beste vriendin;
– niet opgegeven met blijven zoeken naar wat helpt om van de SOLK af te komen…


wordt vervolgd in 2020.

Ik hoop dat jullie in deze periode ook kunnen kijken naar wat je allemaal wél hebt. Zelf vind ik dit dus best moeilijk, maar als het lukt blijkt het gelukkig vaak meer te zijn dan je in eerste instantie denkt…

Merry Everything 
&
Happy Always

Liefs,
Lyka


De Dictator & ik

Een tijd geleden, in een vorig artikel, heb je kunnen lezen over de ‘De dictator in mijn hoofd’. Hierin beschreef ik mijn dag en de invloed die de Dictator hierover uitoefende. Maar wie is hij nou precies? Hoe ziet hij eruit? Hoe is hij tot stand gekomen? En hoe kom ik in ’s hemelsnaam van hem af? Eerder schreef ik ook een blogartikel over onveilige hechting, genaamd ‘Slecht gehecht?’, waar dit artikel enigszins op aanhaakt. In dit schrijfsel zal ik beschrijven wat emotionele verwaarlozing precies is en zal ik mijn eigen ervaringen omtrent dit thema delen. Ook kun je lezen hoe ik bezig ben om van de gevolgen van emotionele verwaarlozing af te komen. Ik publiceerde dit artikel al eerder, maar heb intussen wat aanpassingen gedaan om het onderwerp voor mijn gevoel zo goed mogelijk te belichten.

Bestand 16-08-17 17 38 19

“Je kunt mij niet eens fatsoenlijk schetsen!” – De Dictator

Persoonsomschrijving
De Dictator is een criticus. Nog erger dan een Volkskrant recensent. Wat je ook doet of zegt, het is eigenlijk nooit goed. Gaat er iets wel een keer goed? Nou, dan wijst hij je er dringend op te her-evalueren, want er is altijd zat om te verbeteren en er zijn altijd gênante, domme fouten die je over het hoofd heb gezien. (Al zijn ze van meer dan 10 jaar geleden.)
Ik maakte laatst deze snelle schets van hem,  met enkele van zijn kenmerkende quotes. Zijn uiterlijk wil nog wel eens veranderen, maar dit is hoe ik hem op het moment voor mij zie.

Onzichtbaar beschadigd
Een thema als emotionele verwaarlozing vind ik lastig om over te schrijven, omdat het voelt als aan aanklacht tegen mijn ouders. Iets wat ik in mijn blogs zoveel mogelijk probeer te vermijden; ik probeer het vooral bij mezelf te houden. In dit artikel zal ik dit wederom nastreven. Helaas is het in dit geval lastiger om het niet over mijn ouders te hebben, gezien dit blogartikel zal gaan over mijn jeugd en opvoeding. Daarom wil ik vooraf gezegd hebben; mijn ouders waren door meerdere factoren simpelweg niet in staat om het anders te doen; er was absoluut geen opzet in het spel! Ze deden hun best en zij hielden van mij op hun eigen manier, daar ben ik van overtuigd. Regelmatig komt er dan ook in mij op: ‘maar zo erg was het bij mij toch allemaal niet?’ Ik had immers een dak boven mijn hoofd, eten, drinken, speelgoed… En ook de gedachte: ‘misschien was ik gewoon een overgevoelig, aanstellerig kind’. Het feit is alleen dat ik nog steeds kamp met psychische klachten, die volgens de theorie tot de gevolgen van emotionele verwaarlozing herleid zouden kunnen worden. Ik ben als kind beschadigd, maar dit is van de buitenkant niet te zien.

Er zijn verschillende vormen van kindermishandeling bekend. Emotionele verwaarlozing is één van deze vormen. Bij kindermishandeling denken we al snel vooral aan slaan en schoppen, toch komt emotionele verwaarlozing het meeste voor in Nederland, blijkt uit de Tweede Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (PDF).
Emotionele verwaarlozing moet niet verward worden met emotionele mishandeling, waar kinderen worden uitgescholden en gekleineerd.
Bij emotionele verwaarlozing gaat het meer om dingen die ouders nalaten: ze geven een kind geen genegenheid, aandacht, emotionele steun en bevestiging. Of ze gedragen zich heel onvoorspelbaar, waardoor een kind geen veiligheid voelt.
Het is vaak heel moeilijk te ontdekken of je emotioneel verwaarloosd bent. Want anders dan bij kindermishandeling of misbruik –waar het gaat om dingen die je aangedaan zijn-, gaat het bij verwaarlozing om wat er NIET was en wat je je NIET herinnert. Emotionele verwaarlozing brengt ongemerkt schade toe aan iemands leven.

Veel ouders bedoelden het goed, maar zijn door verschillende redenen niet in staat adequaat op hun kinderen te reageren. Kenmerkend is dat ouders totaal in beslag worden genomen door eigen problemen. Een aantal risicofactoren voor emotionele verwaarlozing zijn:

  • 087abf93d686a09b1be8461cc637f260Een slechte relatie tussen ouder en kind. De ouders luisteren niet naar het kind, negeren het of ondernemen geen activiteiten met het kind;
  • Weinig zelfreflectie of zelfvertrouwen bij de ouder;
  • Stress of boosheid bij de ouder;
  • Ouders hebben psychische problemen, zijn verslaafd, een licht verstandelijke beperking of hebben agressieproblemen;
  • Een ouder staat er alleen voor, is werkloos of er is sprake van een groot gezin;
  • Het kind heeft een gebrek aan sociale vaardigheden. Het is mogelijk dat het daardoor niet goed zijn behoeften bij zijn ouders kan aangeven. Ook kan het zijn dat het kind door de ouders als moeilijk in de omgang wordt beschouwd.

‘Veel ouders kampen zelf met een jeugdtrauma en hebben daardoor emotionele en/of gedragsproblemen en een negatief zelfbeeld’, zegt klinisch psycholoog Carlijn de Roos, werkzaam bij Psychotraumacentrum GGZ Kinderen en Jeugd Rivierduinen.
‘Gelukkig zijn er effectieve behandelingen om ouders te helpen bij de verwerking van hun trauma. Soms moet de zorg voor het gezin dan tijdelijk worden overgenomen door familie of professionele gezinszorg.’

De gevolgen
Volgens Janine Jansens, psycholoog en coach, groeien kinderen die emotioneel verwaarloosd zijn op met diverse moeilijkheden. Hieronder volgt een opsomming van deze voorkomende moeilijkheden die zij noemt:

  • “Worstelen met gevoelens van leegte. Sommige mensen voelen het als een fysiek gevoel; een leeg gevoel in hun borstkas, anderen ervaren het als emotionele gevoelloosheid.
  • Tegen- afhankelijkheid: een sterke drijfveer om niemand nodig te hebben. Je zou het ook ‘de angst om afhankelijk te zijn’ kunnen noemen. Mensen die tegen – afhankelijk zijn vermijden het zoveel mogelijk om hulp te vragen. Ze willen niet de schijn wekken hulpbehoevend te zijn of zich zo te voelen. Ze doen veel moeite om niet op een ander te hoeven rekenen, zelfs als het ze veel kost.
  • Omdat je weinig feedback krijgt over jezelf tijdens je jeugd weet je eigenlijk niet zo goed wat je kwaliteiten en je zwakten zijn. Dit gaat niet zozeer over een laag zelfbeeld (hoewel dat wel klopt voor de meeste mensen die emotioneel verwaarloosd zijn), maar over het feit dat een onrealistisch zelfbeeld hebt.
  • Weinig compassie voor jezelf, en heel veel voor anderen. Of simpeler gezegd: je bent veel strenger voor jezelf dan je voor anderen bent.
  • Gevoelens van schuld en schaamte en zich afvragen: “Wat is er mis met mij?” Als je leert dat je gevoelens er niet mogen zijn, dan leer je ze te verbergen. Omdat er in je jeugd geen duidelijk nare dingen gebeurd zijn zoals mishandeling of misbruik, herinner je jeugd als in principe in orde, misschien zelfs wel gelukkig. Dus wat is er dan mis met je als je je niet gelukkig voelt?
  • Boos zijn op jezelf komt ook vaak voor. Vaak is die boosheid een uiting van schaamte die nog een stap verder wordt gezet.
  • Een voortdurend onderliggende angst om ‘door de mand te vallen’: “Als ze me werkelijk zouden kennen zouden ze me niet aardig vinden”. Het is je basale fatale overtuiging zoals: “Ik ben niet de moeite waard” of “Ik ben dom”. Het is het ‘antwoord’ dat je zelf gevonden hebt op de vraag wat er mis is met je dat je geen aandacht krijgt.
  • Moeite met emotioneel voor jezelf en anderen te zorgen
  • Slechte zelf-discipline hebben. Junk-food eten, teveel uitgeven.. Moeite met dingen doen die moeten, zoals huistaken of sporten of deadlines halen.
  • Je weinig bewust zijn van je eigen emoties en die van anderen en die ook moeilijk kunnen identificeren of omschrijven.”

Naast deze omschreven moeilijkheden is door recent onderzoek bekend geworden dat emotionele verwaarlozing een specifiek verband heeft met depressies en sociale angst. Hersenscans laten verder zien dat de prefrontale cortex – het hersengebied dat een belangrijke rol speelt in het omgaan met stress – kleiner is bij mensen die in hun jeugd emotioneel zijn verwaarloosd. Hun amygdala – het gebiedt dat reageert op dreiging – lijkt veel scherper afgesteld, waardoor mensen eerder angst ervaren.

Bij het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen wordt ook als één van de kenmerken: traumatische/negatieve emotionele ervaringen in de jeugd genoemd, waaronder o.a. emotionele verwaarlozing. Bij het ontstaan van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis wordt omschreven: “Als je bijvoorbeeld opgroeit in een gezin waar je ouders erg afstandelijk, kritisch en ogenschijnlijk weinig betrokken bij je zijn zal je eerder een negatief idee over jezelf ontwikkelen. Je leert als kind niet dat je oké bent zoals je bent. Indien er een angstige aanleg aanwezig is, kan dit leiden tot terughoudendheid in contacten met anderen. En ondanks dat je daarmee ook positieve ervaringen uit de weg gaat, wordt de vermijding niet doorbroken.”

Het angstige en sombere kind
Als kind was ik erg stil, verlegen en teruggetrokken. Ik was angstig in nieuwe situaties en vooral met nieuwe mensen. Sociaal contact vond ik doodeng. Ik durfde niet eens brood te kopen bij een bakker. Dan kwam ik thuis en deed ik alsof ik het vergeten was. Ik durfde niet te zeggen dat ik niet durfde en mijn ouders namen aan dat ik gewoon geen zin had. Dus ze werden boos.

Ook huilde ik veel als kind terwijl ik niet eens wist waarom. Achteraf denk ik dat het kwam omdat ik mij ongelukkig en somber voelde, maar dat ik maar heel weinig besef had van de verschillende soorten gevoelens en hoe je deze uit. Het leek dus alsof ik huilde zonder reden terwijl ik eigenlijk gewoon niet door had dat ik verdriet en somberheid voelde. Wederom werden mijn ouders boos, want je moet alleen huilen als je een goede reden hebt, anders niet. Toen mijn broer was overleden werd mijn vader ook wel eens boos omdat ik huilde. Mijn huilen leek mijn moeder immers nog verdrietiger te maken. Ik stopte vervolgens alle gevoelens rondom mijn broers overlijden weg, die tijdens mijn pubertijd weer naar de oppervlakte kwamen. Ik kreeg daarom op mijn 14e speltherapie waar ik voor het eerst leerde over het bestaan van de verschillende gevoelens, om uiteindelijk mijn eigen gevoelens van elkaar te kunnen onderscheiden.

Mijn moeder kwam trouwens uit Zuidoost Azië. Daar zijn de ideeën over opvoeding ongetwijfeld anders dan in Nederland. Ik kreeg dan ook wel eens een ‘pedagogische tik’ wanneer ik niet luisterde. Een keer toen mijn Aziatische oma in Nederland was, speelde ik zonder het te vragen (vergeten) bij een buurkindje waardoor mijn moeder en oma mij kwijt waren. Toen ik terecht was kreeg ik zo’n harde tik dat ik blauwe plekken op mijn billen had. Waarschijnlijk zijn ze hier toch wel van geschrokken, want daarna kreeg ik geen tikken meer. Natuurlijk weet ik wel dat dit in Nederland niet oké is en op mijn opleiding leer ik dat dit valt onder de noemer kindermishandeling. Toch vond ik de pijn van de tikken niet erg; wel de gevoelens van angst, onrecht en machteloosheid zijn mij bijgebleven. Toen ik net kon schrijven schreef ik voor moederdag een keer een briefje aan mijn moeder waarin ik vertelde dat ik fijn zou vinden als ze wat liever voor mij zou zijn. Niet echt een leuk moederdagcadeau, dat snap ik, maar toch vind ik dat dit geen tik verdiende. Het was toch maar een vraag? En ik vroeg het achteraf waarschijnlijk niet voor niks… Voortaan hield ik mijn mening en wensen maar voor me.

Mijn vader had altijd al een kort lontje; hij kon heel snel erg boos worden. Dit kon door van alles komen. Irritatie wanneer het klussen niet lukte, ruzie met mijn moeder en ook wel wanneer ik iets stoms had gedaan (zoals vergeten mijn fiets op slot te zetten op school waarna deze werd gestolen). Hij kon dan op zijn Amsterdams vloeken en tieren, maar ook hardhandig met spullen en deuren omgaan. Later bleek dat dit o.a. kwam doordat hij diabetes had. Hij zei hier later over dat hij zich nooit kon herinneren wanneer dit gebeurde; hij was het kwijt. Een systeemtherapeute zei hier een keer op: “Ja dat kan wel zo zijn, maar Lyka blijft er mee zitten”. Hij leek zich dit niet te realiseren.

broken cup“Als er iets is kun je altijd naar ons toekomen”, zeiden mijn ouders regelmatig. Toch had ik niet het gevoel dat dit ook daadwerkelijk kon. Ze hadden dit graag gewild, dat geloof ik wel. Toen ik bijvoorbeeld 7 jaar was en mijn ouders een periode veel ruzie hadden, vond ik een keer serviesscherven onder de verwarming. Ik vroeg ongerust aan mijn moeder: ‘gaan jullie scheiden?’ Ze zei: ‘Nee joh! Hoe kom je daar nou bij.’ En we hebben het er nooit meer over gehad, terwijl de ruzies bleven. Mijn ouders zijn dan ook nooit gescheiden, maar er  was nog wel vaak (passieve) boosheid naar elkaar en er werd nauwelijks liefde naar elkaar getoond. Nooit ben ik fysiek pijn gedaan, maar als ik terugkijk was ik als kind vermijdend naar mijn vader toe omdat ik bang was voor hem en zijn boosheid. Ik hoorde vanaf mijn kamer immers een keer hoe hij tijdens een ruzie met mijn moeder een zware eetkamertafel in één beweging omgooide. Vervolgens vroeg mijn moeder mij om hem weer te halen omdat het eten klaar was. Met lood in mijn schoenen liep ik de trap op. Er gebeurde niks, maar ik was doodsbang.

Ik ontwikkelde een angst voor boosheid en onvoorspelbaar gedrag. Een angst waar ik overigens tijdens een opname voor klinische psychotherapie met jongeren (met o.a. borderline problematiek) vaak aan werd blootgesteld. Ook daar vloog er regelmatig iets door de leefgroep.

Het wereldvreemde en sombere kind
Als kinvisibleind dacht ik ook dat ik dom, onhandig en nergens echt goed in was. Ik was zo stil en verlegen, dat ik regelmatig over het hoofd werd gezien. Thuis, maar ook op school. Het leek wel alsof ik mezelf onzichtbaar kon maken. Dat voelde veilig, want dan werd er tenminste niet op mij gelet en viel het niet op als ik iets stoms of fout deed. Ook zonderde ik me af van andere kinderen. Ik leek het fijn te vinden alleen te zijn, bovendien kon ik dan niet gekwetst of verlaten worden. Ik had het idee dat als mensen mij echt leerden kennen, zij mij al snel zat zouden zijn. In mijn eentje had ik ook geen last van onvoorspelbaar gedrag van anderen; ik hoefde niet bang te zijn. Daarnaast was mijn broer van de één op andere dag overleden, dus ik hield er rekening mee dat mensen zomaar uit je leven konden verdwijnen.
Het alleen zijn zorgde ook dat ik mij zelfstandig, onafhankelijk en sterk voelde. Dat dacht ik tenminste. Achteraf gezien hield ik mezelf voor de gek, alleen had ik dat destijds nog niet door. Pas de laatste jaren besefte ik me dat ik mij al die tijd ‘in mijn eentje’ ook eenzaam, somber en verdrietig heb gevoeld. Ik voelde een leegte en voel deze nog steeds. Ik kon echter niet vatten wat dit gevoel precies was en waardoor ik dat gevoel had, waardoor ik mezelf toch blijf afzonderen. Inmiddels was ik het gewend…

Verder was ik ook altijd een nogal gevoelig kind. Als ik had gezongen onder de douche werden er wel eens grappen gemaakt door mijn ouders: ‘Ik hoorde net een valse kat op het dak’. En toen ik een keer blij was met mijn schoolfoto werd er gegrapt: ‘Niet zo’n kapsones hè!’. Het waren schijnbaar onschuldige grappen. Er werd dan ook wel achteraan gezegd; grapje hoor! Maar desondanks ben ik het gaan geloven. Soms waren het ook geen grappen: ik liet bijvoorbeeld vaker trots een tekening zien waar ik een 9 voor had gekregen bij het vak tekenen op de middelbare school, waarop mijn moeder dan zoiets zei als: ‘Je bent zeker het lievelingetje van de leraar, hè?’
Mijn ouders vonden het überhaupt lastig om enthousiast te reageren op iets dat ik vertelde; ik het vaak het gevoel dat zij mij niet hoorden of het hen gewoonweg niet interesseerden. “Oké.” of “Oké, leuk.”, kon er vaak nog vanaf, maar meer ook niet. Soms was de reactie na mijn verhaal: “Oké. Hoe gaat het met je cijfers?” Het leek het enige te zijn wat ze van mij wilden horen.

Ook kon mijn moeder mij vergelijken met mijn overleden broer; ‘Angelo bood wel altijd aan te helpen met de afwas’, ‘Angelo was niet zo rommelig als jij.’ Het voelde voor mij alsof ik nooit goed genoeg was en dat het beter was geweest als ik was doodgegaan in plaats van Angelo. Op mijn 14e geloofde ik hier zo in, dat de neiging om ook zelfmoord te plegen steeds sterker werd. Gelukkig had ik inmiddels therapie en probeerden mijn therapeuten mij ervan te overtuigen dat ik er wel mocht zijn. Ik weet nog dat mijn ouders een keer erg schrokken omdat zij hoorden van mijn mentrix dat ik het idee had dat zij niet van mij hielden. Ze gaven mij een knuffel en een kus op mijn hoofd en zeiden dat ze wel degelijk van mij hielden. Toch kon ik het niet geloven; ik kreeg immers wisselende boodschappen, het verwarde me juist. Waarom dacht en voelde ik dat zij niet van mij hielden als het wel zo was? Lag het allemaal aan mij? Was ik zó raar dat ik dit dacht of verzon?
Uiteindelijk liet mijn moeder mij na een lang ziekbed haar dagboek achter. We wisten op een gegeven moment dat ze zou gaan overlijden en ze wilde mij iets van haarzelf achterlaten. Ze schreef blijkbaar over al haar gevoelens rondom haar ziekbed, want in het dagboek was heel wat kritiek aan mij en mijn vader te lezen. Ik las dat ik lui en onverantwoordelijk was en dat zij zich zorgen maakte hoe ik zou worden als ik eenmaal volwassen was.

Het verwarde kind
Mijn ouders hanteerden de opvoedstijl: volwassenen hebben altijd gelijk. Dit komt denk ik voort uit hun eigen opvoeding/cultuur. Mij werd dan ook niet vaak wat gevraagd; ik moest juist doen wat er van mij gevraagd werd. Als middelbare scholier kwam ik bij het vak Nederlands in de problemen: hoe moest ik immers debatteren als ik geen mening had? Als 19-jarige was ik nog steeds compleet in de war: ik had mij mijn hele jeugd aangepast aan het voldoen aan verwachtingen van anderen en was mezelf ondertussen kwijt geraakt. Op de één of andere manier had ik het idee dat anderen mij wel zouden vertellen hoe ik mijn leven zou moeten leven. Blijkt het dat ik dat zelf moet invullen! Hoe moest ik nu in ’s hemelsnaam een (volwassen) identiteit vormen? Ik raakte in een identiteitscrisis.

Waar ik eigenlijk nog het meeste schaamte- en schuldgevoelens over had, was het fantaseren over leven in een ander gezin, met andere ouders. Ik was bijvoorbeeld erg jaloers op het gezinsleven van vriendinnen als ik bij hen thuis was. Achteraf gezien leek het erop dat ik op zoek was naar een moederfiguur; eerst in mijn juffen op de basisschool en later bij de leraressen van mijn middelbare school. Vooral mijn mentrix van de brugklas. Zij werd als een soort idool voor mij; ik wilde net zo worden als zij. Ook wilde ik vaak bij haar zijn. Iets waar ik me erg schuldig over voelde, gezien mijn eigen moeder ondertussen was gediagnosticeerd met kanker en hier later ook aan overleed. Pas later begreep ik dat ik die vrouwelijke docenten zo opzocht omdat ik van hen de aandacht, steun en zorg kreeg dat ik ook thuis zocht, maar niet vond. Tijdens mijn middelbare schooltijd gaf ik het op en ging ik blijkbaar elders op zoek naar wat ik nodig had.

De behoefte om vrouwelijke voorbeeldfiguren op te zoeken en op hen te leunen, heb ik inmiddels niet meer. Op dit moment worstel ik wel nog steeds met gevoelens van eenzaamheid en het gevoel hebben dat ik ‘alleen op de wereld’ ben. Dit gevoel komt bijvoorbeeld op wanneer ik geconfronteerd wordt met de manier waarop mijn schoonouders met mijn vriend omgaan; hij kan altijd op hen terugvallen en ze zijn geïnteresseerd in wat hij te vertellen heeft. De gedachten; ‘op wie kan ik terugvallen?’ en ‘wie luistert naar mij?’, geven dan veel verdriet.

De geboorte van de Dictator
geboortedictatorDe Dictator vindt zijn oorsprong in mijn jeugd. Toen hij nog niet bestond, was het niet hij die kritisch op mij was, maar mijn ouders. In therapie werd mij voorgelegd dat mijn ouders vroeger te hoge eisen aan mij stelden. Zelf herinner ik me dat ik vooral te horen kreeg wat ik niet goed deed of beter kon doen, dan dat wat ik wel goed deed. Ik kreeg het gevoel dat ik nooit iets goed deed. Er was sprake van voorwaardelijke liefde in plaats van onvoorwaardelijke liefde.

Mijn tienerdagboeken staan vol schaamte en schuldgevoelens. Na twee dagboeken hield ik het maar voor gezien want ik werd alleen maar somber van het schrijven en het doorlezen ervan. Regelmatig schreef ik ‘Ik haat je’,  ‘waarom ben je zo stom?’ en ‘ik snap niet dat mijn vriendinnen mij nog steeds niet zat zijn’.
Toch had ik niet echt door dat ik een laag zelfbeeld had. Ik vond mezelf zelfs regelmatig narcistisch en egoïstisch. Dat ik niet veel waard was, was dan ook voor mij de waarheid en geheel logisch. Op mijn 14e deed ik mezelf voor het eerst pijn om mezelf te straffen en mijn gevoelens te verdoven. Rond mijn 14e kreeg ik ook voor het eerst last van suïcidale gedachten; ‘ik voeg niets toe aan het leven van anderen en ik ben iedereen tot last, dus ik kan er maar beter niet zijn’. Tijdens schematherapie een jaar geleden, moest ik praten tegen degene die zo hard is voor mezelf (Lees: tegen een stoel). Voor het ‘aanspreek-gemak’ gaven we hem een naam: De Dictator. (Mijn interne criticus, niet de stoel.)

Niet alleen qua innerlijk, maar ook qua uiterlijk had ik altijd al weinig zelfwaardering. Ik vond mezelf altijd al klein en mollig. Het klein zijn kan ik nog steeds niets aan doen, maar het mollig zijn wel. Uiteindelijk ontwikkelde ik rond mijn 20e een eetstoornis; De Dictator ging zich ook nog eens met mijn eetpatroon bemoeien. Mijn huidige behandelaar wees mij eens op dit filmpje (gemaakt door Lentis GGZ) over de interne stem bij een eetstoornis. Ze had gelijk; het filmpje beeldt precies uit hoe de Dictator/eetstoornis tegen mij praat. Het werd al snel duidelijk dat de functie van mijn eetstoornis is, dat ik mijn zelfwaardering haal uit afvallen en weinig eten.
De oorzaak van de eetstoornis is ook een manier van (slechte) coping; een manier om controle over een situatie terug te krijgen. Ik begon immers met het rommelen met eten tijdens de opname in de jongerenkliniek, waar ik mij door het onvoorspelbare gedrag van anderen erg onveilig heb gevoeld. Ik wilde mezelf beschermen door voor anderen (dus ook de therapeuten) te verbergen dat ik zo angstig was. Restrictief/weinig eten, zorgde voor een (schijn)controle. Ik kon mij hierdoor gek genoeg toch wat veiliger voelen, want ik had de ‘macht’ over mijn eigen eetpatroon en niemand anders mocht hier aankomen.

De boze volwassene
Het heeft lang geduurd voordat ik boosheid kon ervaren. Tijdens mijn klinische opname op mijn 19e voor klinische psychotherapie, kwam dit dan ook veel aan bod. “Ik ben nooit boos”, hield ik vol. Er werd zo vaak aan mij gevraagd of ik boos was door de therapeuten, dat ik er bijna boos van werd. (Wellicht hun tactiek.)
Tijdens deze opname, leerde ik dat ik wel degelijk boos werd, alleen nooit op anderen. Als ik wel boosheid ervoer, internaliseerde dit zich; ik legde de schuld altijd bij mezelf om vervolgens vreselijk kwaad te worden en mezelf te straffen door middel van zelfbeschadiging. Mijn therapeuten zagen dit regelmatig gebeuren, maar ik had het zelf niet door. Een voorbeeld is toen ik tijdens psychomotorische therapie (PMT) een basketbal tegen mij hoofd kreeg. Na de PMT werd ik door de therapeute gevraagd even te blijven. Ze vroeg: “Ben je niet boos op je groepsgenoot?”. “Nee”, antwoordde ik, verbaasd om haar vraag. “Maar hij zag dat je aan de andere kant van de zaal was en smeet alsnog onbezonnen de bal door de zaal”, opperde ze. “Had ik maar niet in de weg moeten lopen”, zei ik met volle overtuiging.
Doordat ik thuis uit angst voor boosheid van mijn ouders nooit mijn eigen boosheid durfde te uiten, is het naar binnen geslagen. Hier hoort ook bij dat ik andere mensen op een voetstuk plaatste en mezelf daar ver onder. Natuurlijk is het dan mijn schuld en niet dat van mijn groepsgenoot.

Inmiddels gaat het uiten van boosheid beter. Ik mag vaker boos zijn van mezelf en het lukt steeds beter om dit niet te internaliseren. Ik merk dan ook dat ik boosheid ervaar over hoe de dingen vroeger gelopen zijn en daarmee ervaar ik ook boosheid naar mijn ouders toe. Dit laatste vind ik het moeilijkste, want ik wil hen niets kwalijk nemen. Er zijn natuurlijk ook goede herinneringen aan mijn jeugd en aan mijn ouders, alleen is het lastige dat deze herinneringen en gevoelens onderdrukt worden door de nare herinneringen en gevoelens van de trauma’s.

Ondanks de moeilijke band (en ondanks de boosheid die ik tegenwoordig wel voel) probeer ik er te zijn voor mijn vader. Ik ben immers het enige gezinslid dat hij nog heeft. Op zijn manier is hij er ook voor mij en houdt hij van mij. De acceptatie dat ik emotionele steun, genegenheid, aandacht etc. nog steeds elders moet zoeken blijft tot op heden confronterend en verdrietig, maar gelukkig vind ik dit tegenwoordig allemaal wel bij mijn lieve zorgzame vriend en bij mijn lieve gezellige vrienden en vriendinnen. Het is dan ook de kunst om los van mijn vader een leven op te bouwen, maar om toch een manier te vinden om hem (op een voor mij gezonde manier) bij mijn leven te blijven betrekken. Op het moment heb ik veel behoefte aan afstand, om het recente besef en de bijbehorende herinneringen een plek te kunnen geven. Gezien mijn vader ook kampt met lichamelijke klachten, zorgt dit wel eens voor dilemma’s; hoe kan ik er voor hem zijn zonder over mijn grenzen te gaan? Toen hij 5 jaar geleden een herseninfarct kreeg, was ik bijvoorbeeld tijdelijk mantelzorger. Ik zorgde graag voor hem, maar ik had zelf niemand om op terug te vallen. Deze omstandigheden, gecombineerd met een depressie en opbouwen van medicatie, zorgden ervoor dat ik in een flinke crisis terecht kwam en een zelfmoord poging deed die (gelukkig) mislukte.

Mijn littekens
self-hatred-2-2Door mijn studie las ik voor het eerst over emotionele verwaarlozing. Ik wist hiervoor niet dat dit bestond. Ik vertelde in therapie dat ik mezelf hier (gek genoeg) in herkende. Mijn therapeute legde vervolgens uit dat dit kan kloppen. Na het bestuderen van de kenmerken en mogelijke gevolgen van emotionele verwaarlozing aan het begin van dit artikel, herken ik heel wat hiervan bij mezelf en bij mijn ouders. Sindsdien is er wat betreft de problemen die ik nog steeds ervaar een hoop voor mij op zijn plek gevallen.

Wat ik er in het dagelijks leven van merk is dat ik elke dag weer gek wordt van de interne “stem” van De Dictator in mijn hoofd. Vroeger had ik zelfbeschadiging als coping, maar tegenwoordig heb ik als coping om mij te verweren tegen deze constante kritiek; “Hou op” of “Stop” zeg ik dan hardop. Soms lijkt het alsof ik lijd aan een soort gilles de la tourettes, gezien ik ook kan vloeken op de dictator. Helaas vloek ik nog meestal op mezelf. “Stomme trut”, “ik haat je” of erger, floept er regelmatig hardop uit. Het is niet ideaal, maar ik kan me redelijk inhouden in gezelschap en het zorgt in ieder geval niet meer voor blijvende littekens op mijn armen. Ook ga ik er natuurlijk vanuit dat dankzij therapie ik uiteindelijk geen last meer zal hebben van de Dictator, maar vervangen zal worden door een milde, gezonde, kritische stem.

De Dictator zorgt er nog steeds voor dat ik tijdens mijn studie en stages zelfvertrouwen tekort kom, waardoor ik niet optimaal kan functioneren. Ik kan de gedachten soms redelijk opzij zetten en als het goed gaat geeft mijn studie en stage mij juist zelfvertrouwen, maar toch is de terugkerende feedback van docenten en stagebegeleiders nog altijd dat ik té bescheiden ben, soms kwetsbaar overkom en nog meer zelfvertrouwen mag uitstralen. Iets wat ik erg moeilijk vind door de overvloed aan kritische gedachten tijdens mijn bezigheden. Helaas heb ik er ook last van wanneer ik thuis op de bank zit, waardoor kunnen ontspannen en genieten van vrije tijd ook moeizaam gaat. Constant ben ik aan het piekeren en aan het malen om vervolgens mezelf te zitten haten.

Het stomme is dat ik dit zó ontzettend zat ben en rationeel gezien ook wel weet dat De Dictator “gewoon maar” een patroon is dat mij vroeger hielp (te overleven) en mij nu juist belemmert… Toch is hij zo hardnekkig en vastgeroest dat ik nog iedere dag in dit patroon vastloop. In therapie loop ik er tegenaan dat ik het allemaal prima kan rationaliseren en kan verwoorden, maar het lijkt alsof het gevoel achterblijft; het voelt als of de Dictator gelijk heeft, al weet ik beter.

Het is niet uitzichtloos
b2b2803c7f823157b11d6b4ffe8ea012Onlangs namen de eetproblemen weer toe, wat mij óók nog eens leek te gaan belemmeren tijdens mijn stage. Ik nam daarom het verstandige besluit (al zeg ik het zelf) om mij (wederom) aan te melden bij een centrum voor eetstoornissen voor een behandeling. Na wat intakegesprekken kreeg ik te horen dat zij adviseren om eerst een traumabehandeling te doen, omdat de eetstoornis en mijn lage zelfbeeld uit de trauma’s voortkomen. Eerst traumabehandeling zou zorgen voor een stabielere basis om aan de eetstoornis te gaan werken.

Uit ervaring weet ik inmiddels dat traumabehandeling zoals EMDR mij zodoende ontregelt dat ik al helemaal niet goed kan functioneren (zie ook blogartikel ‘De EMDR-sessies (deel 2)’). Als alternatief stelde mijn behandelaar voor om een andere vorm van traumaverwerking te gaan doen: imaginatie rescripting. Dit is een interventie dat onderdeel is van schematherapie, maar zich richt op het anders gaan interpreteren van nare gebeurtenissen in de vroege jeugd. Inmiddels zijn we hiermee gestart. Samen met de therapeut ben ik gaan kijken waar ik de afgelopen week tegenaan ben gelopen. Vervolgens zijn we teruggegaan naar een gebeurtenis in mijn jeugd die mij doet denken aan de gebeurtenis van afgelopen week. Zo barstte ik bijvoorbeeld een keer in tranen uit toen mijn vriend zei: ‘Ja hoor, ga maar lekker op de bank zitten, ik ruim de boodschappen wel op.’ We schrokken allebei van mijn heftige reactie, maar mijn vriend al helemaal omdat hij het als grapje bedoelde; hij wist ook wel dat ik het per ongeluk was vergeten. Ik voelde me ontzettend schuldig en realiseerde me dat het mij deed denken aan de opmerking van mijn ouders vroeger. Wanneer ik bijvoorbeeld vergat de hond uit te laten, werden ze boos en noemden zij mij lui en onverantwoordelijk.
In therapie moest ik dan tot in detail vertellen hoe de situatie vroeger ging. Vervolgens zei mijn behandelaar dat zij in de situatie zou stappen en zij dan bijvoorbeeld tegen mijn ouders van toen: “Het is niet fair om Lyka onverantwoordelijk te noemen. Ze is het vergeten en dat kan gebeuren. Ze is nog maar een kind en zoveel kinderen vergeten een klusje in huis te doen. Door zo streng voor haar te zijn beschadigen jullie haar zelfbeeld. Het mag wel een tandje minder!”
Vervolgens vraagt mijn behandelaar hoe dit voor mij is en of er nog wat moet gebeuren. In andere situaties is het voorgekomen dat wij in de fantasie samen mijn ouders uit huis hebben gezet zodat ik op een veilige manier mijn verdriet kon uiten. Ook heeft mijn behandelaar in zo’n fantasie gewoonweg gevraagd naar wat mij bezighield als kind; ze toonde interesse in mij als kind en gaf hiermee warmte en aandacht. Gek genoeg herinnerde ik mij weer dingen die ik deed als kind (zoals mw. Zuurtje en mw. Pruimpje naspelen van Telekids) en moest er zelfs om lachen.
Het doel van deze therapie is om andere conclusies te gaan trekken uit deze gebeurtenissen. In plaats van: “Ik ben een slecht kind” of “Ik ben niets waard”, zal ik bijvoorbeeld moeten gaan denken: “Mijn ouders stelden te hoge eisen” en “Ik mag er zijn”. Oftewel, in termen van schematherapie; het versterken van de gezonde volwassene. Beetje bij beetje lukt dit steeds meer. We gaan ons nu richten op het versterken van zelfcompassie, gezien ik ergens nog steeds het gevoel heb dat ik een verschrikkelijk kind was dat niet beter verdiende.

Wanneer ik ben afgestudeerd wil ik overigens dan toch een traumabehandeling gaan volgen; ik heb dan immers weer de tijd en het is praktisch en prettig om geen last meer te hebben van de trauma’s wanneer ik een baan ga zoeken en anderen ga begeleiden bij hun herstelproces.
Bij het maken van een nieuw behandelplan, bleek dat ik meer vooruit ben gegaan dan ik dacht. Ik word o.a. minder overspoeld door gevoelens, dissocieer niet meer tijdens therapie en ben mij steeds meer bewust wanneer ik last heb van een bepaald schema, waardoor ik anders kan handelen. De gezonde volwassene staat al veel meer op de voorgrond. Het is dus zeker niet uitzichtloos, al kan het nog vaak zo voelen.

KOPP
Ik schreef al eerder over mijn eigen ervaring omtrent KOPP (kinderen van ouders met psychische problematiek). (Hier te lezen.)
Toch wil ik KOPP nog een keer benoemen omdat ik in therapie een belangrijke ontdekking deed. Het blijft speculeren, maar mijn behandelaar gaf aan dat ik het zo kan zien dat allebei mijn ouders psychisch ziek waren en zijn. Ze waren beide getraumatiseerd en er was waarschijnlijk sprake van depressie en van (borderline) persoonlijkheidsproblematiek. Door deze psychische problematiek waren zij gewoonweg niet in staat om mij de zorg te bieden die ik nodig had. Hoe kun je immers liefde geven, als je zelf nooit liefde hebt gekregen? Mijn moeder verweet mij dat ik afstandelijk en vermijdend naar haar was tijdens haar ziektebed, maar hoe kon ik emotioneel beschikbaar zijn als zij dat niet voor mij was? We leefden in een gezinssysteem waar ieder behoefte had aan emotionele steun, maar geen van ons kon het elkaar geven…

Het vergeten kind
Tijdens het schrijven van dit stuk merk ik dat ik mij schuldig en ondankbaar voel. Ook ben ik bang dat ik mijn ouders hierdoor in een wel heel kwaad daglicht heb gesteld, ook al heb ik geprobeerd het zoveel mogelijk bij mezelf te houden. Nogmaals: mijn ouders valt niets kwalijk te nemen. Zij hebben zelf een zware jeugd en een zwaar leven gehad, dus hoe konden zij ook anders? Toch vind ik het belangrijk over dit thema te schrijven. Emotionele verwaarlozing wordt immers snel over het hoofd gezien en is ook in mijn geval helaas niet op tijd opgemerkt. Dit roept op dit moment dan ook vragen op: waarom werd er niet ingegrepen?

Hoe dan ook, bij tijdige signalering kan een hoop leed, voor zowel ouders als kinderen worden bespaard! Bij de KOPP-groepen waar ik stage liep, zag ik immers hoe ouders en kinderen weer naar elkaar toegroeiden, door de ondersteuning die aan beiden werd aangereikt. Mijn behandelaar beschreef laatst dat een oud-cliënt van haar iets zei over dit thema wat haar is bijgebleven en wat nu ook bij mij is blijven hangen:
“Het kind dat om aandacht schreeuwt en om zich heen slaat en schopt redt zich wel. Let alsjeblieft ook op het kind dat zich ondertussen verstopt achter de gordijnen. Die heeft óók hulp nodig”. Met andere woorden; zie deze stil en teruggetrokken kinderen alsjeblieft niet over het hoofd!

Tot slot nog advies van klinisch psycholoog Carlijn de Roos aan hulpverleners, dat ik zelf als toekomstig hulpverlener ook zeker in acht zal nemen:

“Kaart een vermoeden van emotionele verwaarlozing altijd bij de ouders aan. Vraag hoe het gaat met de opvoeding en of er hulp nodig is. Voor lichte klachten zijn er allerlei preventieve opvoedcursussen. Heeft het kind forse problemen, zoals een depressie, dan komt de ggz in beeld. Bij grote zorgen over de veiligheid van het kind kun je een melding bij het AMK doen.”

 

Bronnen:
https://www.linkedin.com/pulse/emotionele-verwaarlozing-last-van-wat-er-niet-gebeurd-janine-janssens/
http://www.augeomagazine.nl/nl/magazine/4068/703592/blauwe_plekken_op_de_ziel.html
https://www.depsycholoog.nl/emotionele-verwaarlozing/
https://www.zorgwelzijn.nl/emotionele-verwaarlozing-bron-voor-depressie-en-angst-zwz016157w/
Multidisciplinaire richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen (PDF)
https://www.deviersprong.nl/persoonlijkheidsstoornissen/de-ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/kenmerken/
http://www.schematherapieopleidingen.nl/wp-content/uploads/2016/10/Slides-Fine-Tuning-IR-NL.pdf
Lentis GGZ ‘Door Dik en Dun’ (YouTube)

Psychiatrisch patiënt studeert voor hulpverlener

Zo luidt de titel van het interview over mij en mijn blog in de Folia. De voorpagina van het magazine was duidelijk niet gemaakt door de interviewster. Tijdens het interview hadden we het over de missie van mijn website: het verminderen van stigma over psychische problemen. De zin op het voorblad leek die boodschap juist tegen te spreken; het kwam nogal bot over. Ik ben al jaren niet meer opgenomen geweest en dus al een tijd geen psychiatrisch patiënt meer. De enige die mij nu nog cliënt noemt – niet direct natuurlijk – is een vrijgevestigde psychotherapeut. Ik probeer juist heel erg mezelf niet meer te zien als cliënt of patiënt, maar als Lyka: dochter, vriendin en bijna hulpverlener. In dit artikel wil ik uiteenzetten hoe het is om te studeren voor hulpverlener, terwijl ik zelf nog hulpverlening nodig heb.

Cliënt carrière
Vanaf mijn 14e tot en met mijn 26e ben ik bijna non-stop in therapie geweest. De oplettende lezer heeft het al door: juist, ik ben nu 26 jaar oud en dus al 12 jaar in therapie. De korte periode bij een kinderpsychiater toen ik 6 jaar was, hierbij niet meegeteld. In al die tijd is er maar een periode van 4 maanden geweest waarin ik geen therapie had; een periode waarop ik het zonder wilde proberen. Al gauw bleek dat ik daar nog niet klaar voor was: het ‘uit therapie gaan’. Wel is het nog steeds mijn doel, vandaar ook de naam van mijn website en blog.

under-construction-2Vanaf kleins af aan zijn er dingen in mijn leven gebeurd (in vaktermen: life-events) die een grote impact hadden op mij en mijn directe omgeving. Deze gebeurtenissen hebben mij  gevormd tot wie ik nu ben. Daarbij horen o.a. enkele copingsmechanismen die ik toentertijd nodig had om te overleven, maar mij nu helaas juist belemmeren in mijn leven. Een vraag die ik wel eens voorbij hoor komen: waarom maakt de één nare dingen mee en kan diegene gelukkig verder leven, terwijl de ander psychisch ziek wordt en zich vervolgens door het leven heen moet ploeteren? Door mijn opleiding weet ik dat het te maken kan hebben met erfelijke aanleg of met aangeboren temperament wat je gevoeliger kan maken voor het ontwikkelen van psychische ziekten. Zo heb ik met mijn  persoonlijkheidskenmerk ‘perfectionisme’, statistisch gezien meer kans op het ontwikkelen van een depressie, burn-out en/of misschien wel een eetstoornis. Daarnaast denk ik dat het ook te maken kan hebben met omgevingsfactoren; een warm nest had mij denk ik beter kunnen ondersteunen in zware tijden, dan een afstandelijk nest dat het eigenlijk zelf ook niet zo goed weet door eigen moeilijkheden.
Of iemand anders niet ziek geworden zou zijn door hetzelfde meegemaakt te hebben als ik, is moeilijk te achterhalen. Psychische ziekten komen namelijk in mijn familie vaker voor dan alleen bij mij.

De reden dat ik op het moment nog steeds hulpverlening nodig heb?
Een oud-therapeute legde het als volgt uit: “Je hebt je leven lang jezelf aangeleerd om te dealen met bepaalde situaties; je hebt copingsmechanismen ontwikkeld. Deze mechanismen waren destijds nodig om deze periodes te kunnen ‘overleven’, maar zijn nu juist belemmerend geworden in je leven omdat de situatie van toen inmiddels anders is. Het aanleren van deze mechanismen hebben jaren geduurd, dus je kunt verwachten dat het afleren van deze mechanismen ook flink wat jaren nodig zal hebben.”

Hulpverlener carrière
carl-jung-quoteEind juni dit jaar heb ik – als ik niet nog meer vertraging oploop – mijn derdejaarsstage afgerond en hoef ik alleen nog maar mijn vierdejaarsscriptie te doen. In de zomer van 2018 zal ik dan eindelijk afgestudeerd zijn en mag ik mezelf officieel hulpverlener (SPH’er) noemen.
Nog steeds is mijn identiteit als hulpverlener een zoektocht. Dit hoort natuurlijk bij de opleiding en je beroepsontwikkeling als student. Bij mij heeft het echter ook te maken met het feit dat ik zelf altijd nog in therapie ben geweest tijdens mijn opleiding. Dit maakte dat ik wel eens last had van rol verwarring. Denk aan rollenspellen moeten doen, terwijl je nog een voltijd dagbehandeling volgt en van college naar therapie vliegt en andersom. Om even een beeld te schetsen: 11:00 uur was ik patiënt en groepsgenoot bij de dagopening, om 13:00 uur was ik hulpverlener in een rollenspel bij het vak gespreksvaardigheden, om 15:00 uur weer moeder van een groepsgenoot te spelen bij de therapie psychodrama.
Toen ik mijn eerste derdejaarsstage ging lopen had ik ook last van rol verwarring in contact met mijn therapeute. Op stage kreeg ik steeds leuker contact met collega-hulpverleners en ook buiten werktijden kreeg ik wel eens lift naar het busstation waarbij een behandelaar wat vertelde over haar privéleven. Tijdens mijn therapie zat ik dan weer tegenover een behandelaar, de mijne, die helemaal niets loslaat over haar privéleven en verwacht dat ik vooral over mezelf praat. Hierdoor voelde ik me in een patiënten-/cliënten rol gedrukt, terwijl het op stage steeds meer lukte om mezelf als hulpverlener te gaan zien. Inmiddels heb ik hier in therapie nog maar weinig last van. Het helpt dat mijn psychotherapeute mij naast als cliënt, ook benadert als een mede-hulpverlener; ze vraagt eerst of ik een begrip ken voordat ze een hele uitleg geeft en we kunnen praten in vaktermen. Dit vind ik erg fijn en niet alleen bevorderlijk voor de behandelrelatie, maar ook voor mijn herstel.

Een andere moeilijkheid tijdens mijn studie is altijd geweest: wat vertel ik wel en wat vertel ik niet?
Toen ik net begon met mijn studie voelde ik dat er zo goed als geen ruimte was voor eigen ervaringen. Vaak heb ik in een college gezeten waar ik redelijk wat aan kennis had kunnen aanvullen bij de aangeboden stof vanuit mijn eigen ervaring, maar heb altijd stilzwijgend aangehoord wat ik al wist of waar ik een nuance in aan had kunnen brengen. Dat klinkt misschien arrogant (vooral voor iemand die in therapie werkt aan een beter zelfbeeld), maar ik had me bijvoorbeeld voor mijn studie al veel ingelezen over mijn eigen diagnoses en daarmee al heel wat theoretische kennis opgedaan met betrekking tot psychopathologie. Een ander voorbeeld: meerdere keren heb ik geluisterd naar een ervaringsdeskundige die in de les zijn/haar ervaringsverhaal kwam vertellen, terwijl ik met een soortgelijk ervaringsverhaal zat te luisteren en te acteren alsof horen over bijv. een crisisopname ook voor mij nieuw was. Ik had de angst dat als ik zou vertellen dat ik zelf psychisch ziek ben en redelijk wat ervaring heb met behandelingen in de GGZ, docenten en medestudenten mij als incompetent zouden zien als hulpverlener. Je moet immers zelf helemaal psychisch gezond zijn om hulpverlener te kunnen zijn, heerst het idee.
Gedurende mijn studie heb ik veel last (gehad) van zelfstigma;
ik heb vaak de angst dat ik nooit een goede hulpverlener kan zijn omdat het mij nooit zal lukken volledig te herstellen. Ook vul ik soms in voor anderen (collega’s, medestudenten en directe omgeving), dat zij mij meer zien als cliënt/patiënt dan hulpverlener als ik vertel over mijn ervaring(-skennis).

Wat is zelfstigma?
“Bijna de helft van mensen met een psychische aandoening lijdt onder zelfstigma. Je vindt zelf dat je geen knip voor de neus waard bent vanwege je aandoening. Of je vindt vooroordelen van anderen over jou terecht.

Als je je bewust bent van je eigen stigma’s kun je hieraan werken om dat te verbeteren en er minder last van te hebben. Het kan je zelfbeeld in gunstige zin bevorderen.
Zelfstigma is meestal een proces van jaren. Klachten ontstaan vaak in de prille jeugd in familiekring. Je voelt je bijvoorbeeld thuis of op school afgewezen, wordt niet betrokken bij gesprekken. Dit leidt regelmatig tot angst voor sociale situaties. Ook nog jaren later. Als je psychische aandoening stelselmatig is onderkend, maakt je dat gevoeliger voor zelfstigma”

Bron: Samen sterk zonder stigma

Afgezien van zelfstigma, heb ik ervaren dat er binnen de opleiding ook daadwerkelijk weinig ruimte was voor de eigen ervaring van studenten. Dat terwijl je regelmatig hoort dat een groot aantal studenten SPH gaan studeren omdat zij zelf of in hun omgeving te maken hebben gehad met psychische ziekten. Gelukkig lijkt hier verandering in te komen!

Lyka, hulpverlener en slechts nog een beetje ziek
broken-objectsHet is mijn persoonlijke leerdoel tijdens de resterende tijd van mijn studie om mijn twee identiteiten: hulpverlener en cliënt, niet los van elkaar te zien, maar dat zij samenkomen als geheel. De leerlijn om ervaringskennis te ontwikkelen die mijn opleiding sinds kort aanbiedt, helpt mij daarbij! Als ik afstudeer, ben ik dankzij deze leerlijn niet alleen SPH’er, maar ook ervaringsdeskundige. Het hielp ook ontzettend dat mijn docenten van de vierdejaars minor vorig jaar aan zelfonthulling hebben gedaan: het bleek dat ook zij hulpverlener zijn met eigen ervaring in de GGZ. Het kan en mag dus! Ook ontkracht het mijn angst: deze mensen hebben nog steeds in enige mate last van psychische problematiek, maar zijn toch competent als hulpverlener én docent.
Zo helpt ook het op Twitter volgen van hulpverleners als Menno Oosterhoff, Remke van Staveren en Clara Koek-Michels voor mij om deze angst te ontkrachten. Deze mensen zijn voor mij ook een inspiratie en voorbeeld omdat zij in de (social) media openlijk uitkomen voor hun diagnose, maar daarnaast ook tweeten als enige andere deskundige psychiater. Daarmee dragen zij bij aan het doorbreken van het taboe en het stigma.

Ik moet zeggen, mijn herstel duurt dan wel lang, maar het komt steeds dichterbij: ik heb ontzettend veel stappen gezet sinds mijn eerste behandeling en kan nu al zeggen dat ik van ver ben gekomen. Ook in het ontwikkelen van mijn beroepsidentiteit zit schot: ik weet in ieder geval dat ik mijn eigen ervaring niet meer bij mij wil dragen als geheim, terwijl ik het ook kan inzetten om toekomstige cliënten te helpen. Op mijn (tweede derdejaars) stage ben ik daar al mee begonnen: ik loop op het moment stage in de GGZ jeugdpreventie (van angst en depressie) en werk o.a. met kinderen van ouders met psychische problematiek (KOPP-kinderen genoemd). Tegen mijn collega’s ben ik beetje bij beetje steeds opener over mijn eigen ervaring. Gelukkig zien ook zij het als meerwaarde en stimuleren zij mij juist om mijn ervaring in te zetten tijdens de preventiecursussen. Het bewijs is een super lieve kerstkaart dat ik kreeg met de tekst: “We zijn zo blij dat je bij ons stage bent komen lopen. Door je persoonlijke, verdrietige, verhaal, kun jij onze kinderen juist veel kracht bieden!” Dan heb je toch een top stageplek getroffen?!?!

Zelf merk ik dat ik door mijn ervaring een sterk analytisch vermogen heb; observeren en signaleren zijn sterke kanten van mij. Door de scherp afgestelde antennes die ik vroeger nodig had om de sfeer in huis aan te voelen en me zo nodig terug te trekken, voel ik nu (op stage) sneller aan wie in een groep zich niet goed voelen of zich anders gedragen. Ook trekken de stille- en teruggetrokken kinderen sneller naar mij toe dan naar sommige andere collega’s, omdat zij het waarschijnlijk als prettig ervaren dat ik zelf ook introvert ben en stil/rustig overkom. Zo is het voorgekomen dat kinderen die bijna nooit wat zeggen, wel met mij ineens een gesprek aangaan. Ook zie ik de stille kindjes minder snel over het hoofd dan collega’s; ik was immers zelf ook een stil- en teruggetrokken kind, dus ik herken bijvoorbeeld dat zij zich onzichtbaar kunnen maken in een groep.
Best wel toffe voordelen van zelf een moeilijke thuissituatie te hebben gehad, toch?
Toch zal ik realistisch moeten blijven kijken naar mijn gezondheid en functioneren; ik heb niet voor niets vertraging opgelopen tijdens mijn studie. Het volgen van een opleiding is door het ziek zijn erg zwaar. De mogelijkheid dat ik door mijn gezondheid (nog) niet in staat ben te werken na mijn studie, moet ik helaas in mijn achterhoofd houden…

depressiegala-foto

Morgen is het Depressiegala. Een evenement waar ik vorig jaar aanwezig was terwijl ik mijn diagnose (zware, chronische depressie) met mij meesleepte. Dit jaar ben ik aanwezig zonder zware depressie, dus de enige vorm van slepen dat je morgen zal kunnen zien, zal de sleep zijn van mijn galajurk. Mocht je mij morgen spotten (met mijn vriendlief), kom gerust gedag zeggen! Je kunt mij herkennen aan de glimlach op het gezicht.

depressiegala

Op het netvlies gebrand

In mijn vorige artikel: ‘Echt, Hema?’, waarin ik beschreef hoe moederdag en de sterfdag van mijn moeder mijn posttraumatische stress stoornis (PTSS) triggeren, kondigde ik al aan dat ik later in een ander artikel wat dieper in zou gaan op deze angststoornis. Het is nu later en dit is dat artikel. Een andere reden dat ik hier nu over schrijf, is dat ik vandaag zal starten met een behandeling dat gericht is op het behandelen van PTSS, genaamd: ‘EMDR’. Dit omdat beelden van gebeurtenissen die jaren geleden plaatsvonden, nog steeds ‘op mijn netvlies staan gebrand’ en ik soms weer opnieuw beleef.

Beschadigd

‘Traũma’ is van oorsprong een Oudgrieks woord en betekent: verwonding. Ooit werden hier alleen lichamelijke verwondingen mee bedoeld, maar inmiddels is bekend dat er ook psychische verwondingen bestaan; psychotraumata.

invisible woundsEen psychotrauma kan ontstaan na het ervaren van een schokkende gebeurtenis. In veel gevallen zijn dit zeer ingrijpende, bedreigende en schokkende gebeurtenissen, die zorgden voor een gevoel van onveiligheid. Men schat dat ongeveer 80% van alle mensen gebeurtenissen meemaakt die als buitengewoon naar en heftig ervaren kunnen worden (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

De dagen en weken na een psychotrauma ontwikkelt bijna iedereen symptomen van stress. Gedurende de daarop volgende maanden verminderen bij de meeste mensen de symptomen totdat ze verdwenen zijn (Fonds Psychische Gezondheid, 2016). Zoals de naam dus eigenlijk al zegt, is een posttraumatische stress stoornis (PTSS) een stoornis waarbij na geruime tijd van het ervaren van een trauma, de stress-symptomen niet uit vanzelf weer verdwijnen, maar aanwezig blijven. Volgens de DSM IV moeten de symptomen minimaal langer dan een maand duren en de stoornis leiden tot beperkt functioneren (in beroep of relatie) om een posttraumatische stress stoornis te kunnen vaststellen. Ongeveer 5 tot 10% van de mensen die een psychotrauma hebben doorgemaakt, krijgen last van een PTSS (van Hinsberg, 2008).

Complexe PTSS

Door clinici wordt ook gesproken van een specifieke vorm van PTSS, namelijk ‘complexe PTSS‘. Ondanks dat de term regelmatig gebruikt wordt, is niet helemaal duidelijk wat er precies complex is. Met complexe PTSS wordt bedoeld: de aanwezigheid van een brede variëteit aan symptomen van stoornissen op zowel as I* als as II* die in verband worden gebracht met herhaalde en langdurige interpersoonlijke traumatisering in de vroege jeugd, te weten voor het 14de jaar. Dit noemt men ook wel complex trauma (Bicanic, de Jongh, & ten Broeke, 2015).

Het komt erop neer dat deze vorm van PTSS zich kenmerkt, doordat er naast de kenmerken van PTSS er nog symptomen van andere psychische stoornissen aanwezig zijn bij de persoon. Vaak door langdurige trauma’s in de jeugd.

* Assen die gebruikt worden bij het stellen van diagnoses door middel van de DSM-IV. Klik hier voor meer uitleg over de DSM-IV.

Er zijn verschillende behandelingen mogelijk voor PTSS, zoals o.a. traumagerichte cognitieve gedragstherapie, Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) en Narratieve Exposure Therapie (NET). De eerste twee behandelingen zijn volgens onderzoek het meest effectief gebleken (van Hinsberg, 2008). Soms wordt ook medicatie ingezet als onderdeel van traumaverwerking. Gezien ik zelf alleen ervaring heb met de behandeling EMDR, zal ik in dit artikel alleen op deze behandeling verder in gaan.

Symptomen

De klachten die voorkomen bij een PTSS zijn onder te verdelen in de volgende 3 clusters:

Herbelevingen:

  • dreamcatcher lightsBij een herbeleving lijkt het alsof de traumatische gebeurtenis opnieuw meegemaakt wordt. Iemand ziet, ruikt, hoort, proeft en voelt alles weer zoals het moment waarop het gebeurde.
  • Regelmatig nachtmerries hebben en onrustig slapen.
  • Herinneringen hebben aan de gebeurtenis die steeds weer terugkomen.
  • Wanneer aan de gebeurtenis wordt gedacht, krijgt iemand last van hartkloppingen, trillen, zweten en kan iemand niet goed meer ademhalen. Een gevoel van verlamd van angst zijn.

Vermijding:

  • Bij vermijding gaat iemand alles uit de weg wat aan de traumatische gebeurtenis doet denken. Zo beschermt iemand zichzelf tegen de heftige emoties. De hele gebeurtenis of bepaalde momenten eruit worden ‘vergeten’. Dit wordt verdringing genoemd.
  • Soms voelt iemand helemaal niets meer en wordt alles op de automatische piloot gedaan.
  • Er wordt ontkend wat er is gebeurd en ervoor weggevlucht door bijvoorbeeld keihard te werken of overmatig te drinken.
  • Weigeren om te praten over wat er is gebeurd en zich afsluiten voor de mensen om in zijn/haar omgeving.

Gedrag en gevoelens:

  • Voortdurend gespannen en ‘opgefokt’ voelen.
  • Snel het geduld verliezen en snel boos worden.
  • Last hebben van plotselinge huilbuien.
  • Snel schrikken en overgevoelig zijn voor elke onverwachte situatie of gebeurtenis.
  • Gevaarlijke situaties opzoeken; bijvoorbeeld veel te hard rijden.
  • Verdovende middelen gebruiken zoals drugs en alcohol.
  • Somber zijn, en niets leuk of interessant vinden.
  • Snel schuldig voelen aan het gebeurde en zichzelf verwijten maken: ‘Had ik maar (niet)…’
  • Zich minderwaardig voelen.
  • Slecht kunnen concentreren.
  • Doodmoe zijn, maar kunt toch moeilijk kunnen inslapen of doorslapen.
    (Fonds Psychische Gezondheid, 2016)

In deze animatie door een Australisch behandelcentrum, wordt weergegeven hoe PTSS zich bij iemand kan uiten.

Oorzaak en gevolg

Of er na een schokkende gebeurtenis een PTSS wordt ontwikkeld hangt van 4 verschillende factoren af .

Wat voor gebeurtenis was het?
Of iemand een PTSS krijgt, hangt af van de soort gebeurtenis, hoe erg het was en hoe lang het duurde. Ook hoe machteloos en bang iemand zich voelde. Schokkende ervaringen die alleen meegemaakt worden, zoals een verkrachting of overval, blijken moeilijker te verwerken dan een gebeurtenis waar meerdere mensen bij betrokken waren, zoals een vliegramp. Belangrijk is ook of de schokkende gebeurtenis één keer of vaker is voorgekomen. Schokkende gebeurtenissen die lang duren of die steeds opnieuw voorkomen, blijken moeilijker te verwerken. Voorbeelden van eenmalige trauma’s zijn: een auto-ongeluk, een inbraak of de plotselinge dood van een geliefde. Schokkende ervaringen die vaker voorkomen zijn onder meer: incest, mishandeling en oorlogservaringen (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

Hoe was de opvang?
De opvang na de schokkende gebeurtenis is erg belangrijk; het krijgen van steun uit de omgeving, voldoende gelegenheid om over de ervaring te vertellen, het gevoel begrepen te worden en terecht kunnen bij een vertrouwd persoon. Hoe beter de opvang is, des te beter de verwerking (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).your story is defined

Hoe is de persoonlijkheid?
Elk mens zit anders in elkaar. Dat maakt ook verschil voor de verwerking van het trauma. Mensen die goed over hun gevoelens kunnen praten, lopen minder kans op een PTSS dan mensen die gesloten en verlegen zijn. Mensen die door het leven wandelen verwerken een schokkende gebeurtenis ook makkelijker dan mensen die het leven als zwaar ervaren. Dat geldt ook voor mensen die gemakkelijk steun kunnen accepteren. Het helpt wanneer iemand accepteert dat na een schokkende gebeurtenis iemand zich een paar weken angstig en somber zal voelen (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

Hoe wordt er op de gebeurtenis teruggekeken?
De betekenis die de gebeurtenis heeft, is van invloed op het verwerkingsproces. Sommige mensen gaan hun leven door de schokkende gebeurtenis extra waardevol vinden. Pluk de dag! Of ze bedenken hoeveel geluk ze nog hebben gehad in vergelijking met andere mensen. Zulke gedachten maken de verwerking van de gebeurtenis gemakkelijker. Omgekeerd kunnen bepaalde ideeën de verwerking moeilijker maken. Een voorbeeld is als iemand ervan overtuigd is dat het ongeluk altijd juist hem of haar treft (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016).

Neurologisch
Uit onderzoek is gebleken dat een PTSS zichtbaar is in de hersenen. Ondanks dat er nog niet veel bekend is over angst en de hersenen, is wel duidelijk geworden dat verschillende stoffen, de zogenaamde boodschapperstoffen (ook wel neurotransmitters genoemd) brain-with-ptsdin de hersenen een rol spelen bij het overbrengen van informatie. De balans en de beschikbaarheid van deze boodschapperstoffen is bij een PTSS verstoord geraakt, waardoor sommige delen van de hersenen te actief en andere juist te weinig actief zijn. Bij een geslaagde behandeling blijkt deze balans zich weer te herstellen (Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, 2016) .

Ook hebben sommige mensen met PTSS een kleinere hippocampus. Dat is het deel van de hersenen waar onder andere het geheugen zit. Geheugenproblemen bij mensen met PTSS zouden hierdoor verklaard kunnen worden. Een hypothese is dat door een hoog cortisol-gehalte (hormoon dat vrijkomt bij stress), celsterfte in de hippocampus wordt veroorzaakt. Na geslaagde traumabehandelingen is vastgesteld dat bij sommige mensen het volume van de hippocampus weer is toegenomen (van Hinsberg, 2008). Nogmaals: er zijn redelijk wat hypotheses over wat PTSS met de hersenen zou doen, maar er is nog weinig écht bekend.

Levendige herinneringen

Zoals te lezen is in het interview in Folia, kan ik me de avond waarop mijn broer zelfmoord pleegde en de daaropvolgende ochtend nog goed herinneren. Zo goed zelfs, dat wanneer ik er aan terugdenk, ik gevoelens die ik op dat moment had soms opnieuw ervaar.
In de brugklas deelde mijn docente Nederlands een stencil met het alfabet in gebarentaal uit. Ik begon plotseling te huilen en kon niet meer stoppen. Door klasgenootjes werd ik begeleid naar een leeg klaslokaal, terwijl de docente mijn mentrix opzocht. Tijdens het gesprek met mijn mentrix besefte ik me dat het stencil mij erg aan mijn broer deed denken omdat hij alleen in gebarentaal kon communiceren. Waarom ik daar zo intens verdrietig van werd,  snapte ik nog niet; mijn broer was destijds al 8 jaar overleden. Ik schaamde me rot. Wel was duidelijk dat dit ene stencil een hoop bij mij had losgemaakt gezien de vele huilbuien, schuldgevoelens en gevoelens van zelfhaat die nog maanden na deze middag volgden… Het gesprek dat ik met mijn mentrix had, was de eerste keer dat ik met iemand inhoudelijk sprak over mijn broers overlijden. Doordat ik door deze zelfde mentrix werd doorverwezen naar een GGZ instelling (ze was tevens vertrouwenspersoon), lukte het steeds beter om er over te praten.

Ook gebeurtenissen omtrent het ziekbed en overlijden van mijn moeder, staan mij nog helder bij. Nadat mijn moeder was overleden kreeg ik last van slecht slapen, nachtmerries, schuldgevoelens en de geur van ziekenhuis. Moeilijk te omschrijven, maar onmiskenbaar als je het ruikt. Alleen rook ik de geur op een gegeven moment in een schoenenwinkel of al wandelend in het bos. Later begon ik ook op mijn school ineens vanuit mijn klaslokaal een ziekenhuis gang te zien in plaats van de gang van mijn school en beleefde ik soms dat ik door deze ziekenhuisgang rende zoals ik dat ook had gedaan op de dag van haar overlijden. Ik wist dat ik op school zat, dus dat het niet klopte. Desondanks werd ik zo overspoeld door schrik, angst en verdriet, dat het lastig was te kunnen nadenken. Ik denk dat een herbeleving een beetje vergeleken kan worden met het dragen van de Oculus Rift, zo’n nieuwe virtual reality bril; je weet ergens wel dat het niet echt gebeurt,

dwdd

Klik hier om het fragment te bekijken.

maar desondanks valt Mathijs van Nieuwkerk bij DWDD wel bijna van zijn stoel bij het zien dat hij in een achtbaan zit en op het punt staat om steil naar beneden te storten. Het is dan ook geen surreële gebeurtenis; het kan echt plaatsvinden. Sterker nog; het heeft als het gaat om een herbeleving al eerder plaatsgevonden.

 

Het zien van ambulances en/of het horen van sirenes en het tegenkomen van rouwauto’s zijn bij mij nog steeds triggers voor het zien van beelden en het ervaren van herbelevingen van nare gebeurtenissen die ik tijdens de ziekteperiode en het overlijden van mijn moeder had meegemaakt. Het overheersen van deze heftige gebeurtenissen heeft als gevolg dat ik nog steeds weinig fijne herinneringen aan mijn moeder kan terughalen.

De diagnose

Het krijgen van de diagnose PTSS vond ik verwarrend. Dat is toch iets dat soldaten hebben nadat ze hebben gevochten in de oorlog? Ik googelde naar PTSS en las voornamelijk over oorlog, aanslagen, natuurrampen, auto-ongelukken, overvallen, misbruik en mishandeling als oorzaken van PTSS. Hoe kan ik de diagnose hebben zonder dat ik (gelukkig!) al deze dingen niet heb meegemaakt? Mijn therapeute legde uit dat er bij mij toch sprake zijn van trauma’s, doordat ik in de situaties rondom het overlijden van mijn broer en moeder onder veel stress heb gestaan en mij vooral erg alleen heb gevoeld. Ik had niemand die er voor mij was (opvang) en mij kon steunen bij deze heftige gebeurtenissen. Bovendien herkende ik wel veel symptomen van PTSS, waardoor met behulp van een vragenlijst de diagnose vastgesteld kon worden.

EMDR in het hier en nu

Sinds mijn 18e tot en met de dag van vandaag heb ik de diagnose PTSS. Op mijn 18e kreeg ik voor het eerst EMDR therapie.  Er zijn inmiddels nieuwe ontwikkelingen, waardoor EMDR tegenwoordig wellicht wat anders wordt toegepast dan toen.
Toen mijn behandelaar opperde om opnieuw EMDR te proberen, had ik mijn twijfels. Het zou toch niet werken omdat de PTSS te complex was? Daarom werd de EMDR toentertijd immers gestopt. Ook besefte ik me dat ik de klachten onterecht had geaccepteerd als iets wat vervelend is, maar nou eenmaal bij mij hoort en waar ik niet meer vanaf ga komen. Daarnaast heb ik net een vrij zware periode van een aantal maanden achter de rug. Wil ik echt nu de depressie minder is geworden zo’n intensieve behandeling aangaan? Het is immers bekend dat het eerst slechter zal gaan, voordat het beter zal worden.
Ze begreep mijn twijfels en stelde voor om te overleggen met een collega die EMDR supervisor is. Na het overleg liet ze weten dat door nieuwe ontwikkelingen duidelijk is geworden, dat er niet altijd ‘gestabiliseerd’ hoeft te worden. Dit komt omdat er nu oefeningen en hulpmiddelen zijn die ervoor zorgen dat de EMDR minder heftig hoeft te zijn dan vroeger. Bovendien is uit onderzoek gebleken dat het niet uit maakt of er gestabiliseerd is voor de EMDR of niet; het resultaat is hetzelfde (Bicanic, de Jongh, & ten Broeke, 2015).

Grappig feitje tussendoor: de EMDR supervisor waarmee mijn behandelaar overlegd heeft, is dezelfde therapeute die mij behandeld heeft met EMDR toen ik 18 was en toen nog in de leer was. Ze blijkt toevallig in hetzelfde gebouw als mijn huidige behandelaar te werken en als ik het goed heb begrepen leidt zij nu zelfs mijn huidige behandelaar op. Ook nu zullen de EMDRsessies dus met mijn toestemming worden opgenomen. Bizarre samenloop van omstandigheden, maar wel grappig.

Wat ik heb besloten?
Ik ga de EMDR aan en laat het op me afkomen.
Wordt herh…, ik bedoel: vervolgd…

Lees ook: ‘De EMDR-sessies (deel 1)‘ en ‘De EMDR-sessies (deel 2)‘ om te lezen hoe de EMDR mij vergaan is.

img2-dont-let-the-past-steal-your-future-wall-sticker-adesivo-da-muro

Bronnen:

Bicanic, I., de Jongh, A., & ten Broeke, E. (2015). Stabilisatie in traumabehandeling bij complexe PTSS: noodzaak of mythe? Tijdschrift voor psychiatrie, 332-339.

Fonds Psychische Gezondheid. (2016). PTSS. Opgeroepen op juni 17, 2016, van Psychische Gezondheid: https://www.psychischegezondheid.nl/ptss?tab=1

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. (2016). Posttraumatische Stress Stoornis. Opgeroepen op juni 17, 2016, van Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie: http://www.nvvp.net/cms/showpage.aspx?id=1514

van Hinsberg, J. (2008). Veranderingen in de hersenen voor en na behandeling van een Posttraumatische Stress Stoornis. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam.

 

Slecht gehecht?

Als mijn ouders vertelden over mij als kind, hoorde ik vaak terug dat ik zo goed zelfstandig kon spelen. Tijdens een verjaardag zat ik uren onder tafel in mijn eentje te spelen. Als baby scheen het zelfs zo te zijn dat mijn ouders alleen maar uit bed hoefden te gaan om mij een flesje te geven en dan weer in bed konden gaan liggen. Zodra ik klaar was bleek ik het lege flesje namelijk vanuit de wieg tegen de muur of op de grond te gooien. Mijn oma vertelde vorig jaar nog dat als zij mij een snoepje aanbood, ik elke keer “nee, dat hoeft niet” zei, terwijl ze aan mij zag dat ik het graag wilde. Ik werd vaak beschreven als een verlegen, maar makkelijk en zelfstandig kind. Maar was dat ook zo? Of was er (ook) iets anders aan de hand?

Hechting in de kindertijd
In mijn boek voor het vak Orthopedagogiek staat het volgende uitgelegd over hechting:

De Engelse psychiater John Bowlby (1907-1990) was de grondlegger van de hechtingstheorie. Gehechtheid is de ‘selectieve en duurzame affectieve band tussen het jonge kind en de primaire verzorger’. Het ontwikkelt zich vanaf de geboorte, maar uit zich pas wanneer het kind ong. 6 maanden is in de vorm van separatieangst. Kinderen begin dan onderscheid te maken tussen bekenden en onbekenden.

baby spoon.gif

Bij eten kan een baby de hulp van een verzorger ook goed gebruiken.

Ook het veilig voelen in de nabijheid van de verzorger is een belangrijk kenmerk van gehechtheid. De gehechtheid van baby’s heeft een overlevingsfunctie; het nog kwetsbare kind is aangewezen op de bescherming van de volwassene zodra er gevaar dreigt. Het ervaren van de beschikbaarheid van die volwassene is dus fundamenteel voor het ontwikkelen van vertrouwen. Niet alleen door fysieke aanwezigheid, maar ook vooral door het vermogen van de volwassene om sensitief en responsief op de signalen en behoeften van het kind te reageren.
Het basisvertrouwen dat het kind ontwikkelt in interactie met de volwassene, vormt de basis om te kunnen exploreren, de wereld te verkennen en van daaruit opnieuw de nabijheid van de primaire verzorger te kunnen opzoeken wanneer dat nodig is (van Hoof & de Vries, 2013).

Wanneer een kind erin slaagt om zich op een goede manier te hechten aan een volwassene, wordt dit veilige gehechtheid genoemd.
Voor meer informatie over de verschillende hechtingsstijlen bij kinderen, klik hier.
Voor een (Engelstalig) filmpje over de vreemde-situatietest, klik hier.

Onveilige gehechtheid of een hechtingsstoornis
Het verschil tussen onveilige gehechtheid/hechtingsproblematiek en een hechtingsstoornis, is o.a. dat problemen die leiden tot onveilige gehechtheid uiteindelijk wel kunnen leiden tot een hechtingsstoornis. Kinderen met onveilige hechting zijn over het algemeen goed te behandelen. Kinderen met een hechtingsstoornis zijn niet gehecht. Dit is vaak een stuk moeilijker te behandelen, omdat de stoornis diep verankerd zit. Het kind heeft dan vaak vanaf de geboorte geen ervaring gehad met een hechtingsrelatie, doordat het kind bijvoorbeeld wisselende opvoeders heeft gehad en daardoor geen vertrouwensband heeft kunnen opbouwen.

Bij een kind met hechtingsproblematiek is er wel een periode geweest waaraan het zich heeft kunnen hechten aan een volwassene, maar is deze relatie na verloop van tijd verbroken waardoor het kind een traumatische hechtingservaring heeft opgedaan. Dit komt doordat de biologische ouders (tijdelijk) niet beschikbaar zijn geweest. Dit kan in veel verschillende situaties voorkomen. De bekendste situaties zijn bij adoptie en plaatsing in een pleeggezin, maar hechtingsproblematiek kan ook ontstaan als een kind bij zijn biologische ouders opgroeit. Andere redenen kunnen zijn dat een kind in zijn eerste levensjaren veel ziekenhuis opnames heeft gehad, is verwaarloosd en/of de gevoeligheid van een kind (het temperament). Het ene kind heeft soms eenmaal meer steun en aanmoediging nodig dan het andere.

Er zijn veel meer mensen onveilig gehecht, dan dat er mensen zijn met een hechtingsstoornis. Ongeveer 25-30% van de bevolking heeft last van hechtingsproblematiek, terwijl ongeveer 1% van de bevolking last heeft van een hechtingsstoornis.

KOPP-kind & brus
ec7485dca647c0960906c798aa2764cdGelukkig is er bij mij sprake van hechtingsproblematiek. Hiermee bedoel ik ‘gelukkig’ in de zin van: het is doorgaans beter te behandelen. In het kopje hierboven werd al genoemd dat hechtingsproblematiek ook kan ontstaan wanneer een kind opgroeit bij zijn/haar biologische ouders. Wanneer ouders zelf lichamelijk of psychisch ziek zijn, kunnen zij minder beschikbaar zijn en geen nabijheid geven. Ouders met een onveilige hechting vallen ook onder de categorie ouders met psychische problemen. Onveilige gehechtheid kan namelijk ook van generatie op generatie worden doorgegeven. Ouders met hechtingsproblematiek kunnen door hun eigen problemen minder goed in staat zijn om sensitief te reageren op de uitingen van het kind, waardoor het kind zelf ook hechtingsproblemen kan gaan ontwikkelen. Dat laatste is hoogstwaarschijnlijk de oorzaak van mijn hechtingsproblematiek. Allebei mijn ouders hebben namelijk ervaren dat zij een moeilijke jeugd hebben gehad. Je zou dus kunnen stellen dat ik de hechtingsproblemen geërfd heb.

Een kind wiens ouder(s) psychisch ziek is/zijn, wordt ook wel een KOPP-kind genoemd; Kinderen van Ouders met Pyschische Problemen. KOPP kinderen kunnen overbelast raken door praktische (huishoudelijke) taken voor hun ouder(s) te moeten overnemen, maar dit kan ook zijn wanneer ouders het kind belasten door hun eigen zorgen met het kind te bespreken. Wanneer in het gezin niet de ouders ziek zijn maar een broer of zus, dan wordt het kind ook wel een brus genoemd (samenvoeging van de woorden broer en zus). In een gezin waar een kind ziek of gehandicapt is, gaat er begrijpelijk veel aandacht naar dit zieke of gehandicapte kind. Maar wanneer er in het gezin nog andere kinderen aanwezig zijn kunnen zij in een moeilijke positie komen te zitten.

92c5f3aed6f563adff62cb8ebb2a09cc

Zie brussenboek.nl voor info over dit boek met ervaringsverhalen en tips voor brussen.

Zelf kan ik stellen dat ik behalve een KOPP-kind, ook een brus ben. Doordat mijn broer ziek was, ging er veel aandacht naar hem uit. Niet alleen was hij voor 80% doof, maar hij raakte als tiener ook nog eens depressief. Zelf was ik als 6-jarige te jong om te begrijpen wat er met mijn broer aan de hand was. Ook hebben mijn ouders nooit verteld over zijn depressiviteit. Ik kreeg last van gevoelens van jaloezie: waarom kreeg mijn broer meer aandacht dan ik?
Nadat mijn broer op zijn 19e suïcide pleegde, had ik vooral veel last van schuldgevoelens. Niet alleen omdat ik mij verantwoordelijk voelde voor de dood van mijn broer (zie interview in Folia voor meer hierover), maar ook zag ik hoe moeilijk mijn ouders het ermee hadden.

Ik dacht vanwege mijn kinderlijke logica dat ik een moordenaar was en dus een slecht mens. Ik wilde de perfecte dochter voor mijn ouders zijn om dat gevoel te compenseren. Al gauw merkte ik dat het hen hielp als ik zoveel mogelijk deed alsof ik er niet was. Mijn ouders hadden hun handen vol aan zichzelf en hadden daardoor weinig geduld. Ze snauwden of mopperden dan wel eens op me. Heel begrijpelijk na zo’n ingrijpend verlies. Ik kreeg het gevoel dat ik veel vaker iets niet goed deed, dan wel goed. Ook ontstond bij mij de overtuiging dat mijn ouders niet van mij hielden. Door er zoveel mogelijk ‘niet te zijn’ was ik hen het minste tot last ondervond ik. Dat leek het beste voor ons allemaal. Wat ik nog niet wist, is dat ik hierdoor een laag zelfbeeld en een patroon zou ontwikkelen waarin ik mezelf constant zou wegcijferen. Ook praatte ik niet over mijn gevoel. Dat hoorde zo dacht ik, want dat deden mijn ouders ook niet. Daarnaast was ik bang dat ik naar de gevangenis zou moeten wanneer ik zou opbiechten dat ik mij schuldig voelde over de zelfmoord van mijn broer. Zowel mijn ouders als ik, hadden last van onverwerkte/gecompliceerde rouw. Ondanks dit alles zag het er van de buitenkant waarschijnlijk anders uit; mijn ouders kregen vaak complimenten te horen van andere ouders: “Wat een rustig en makkelijk kind!”.

Sociale vaardigheden
Spelkamer2Ik kan me herinneren dat ik een hele tijd in mijn eentje wilde spelen op de basisschool. De juf probeerde tevergeefs klasgenootjes op mij af te sturen om mee te doen, maar ik bleef stoïcijns in mijn eentje kleine wigwams bouwen van takjes. Dit is één van de redenen geweest dat ik naar een kinderpsychiater moest.
Niet vanwege de wigwams, maar vanwege het afzonderen van mezelf. Bij de psychiater werd tijdens het gesprek voor mijn neus een prachtig  poppenhuis neergezet, waar ik vervolgens niet mee durfde te spelen. “Hoeft niet.”
Uiteindelijk kreeg ik één ‘hartsvriendin’ in de klas waarmee ik een aantal jaar samen heb gespeeld, zelfs buiten schooltijd! Helaas wilde zij in groep 8 geen vriendinnen meer zijn. Vrienden maken is niet het enige wat ik vermeed als kind. Mijn ouders stuurden mij na school namelijk vaak langs de bakker om brood te halen, maar wisten niet dat ik dit doodeng vond. Ik stond dan zwetend en met buikpijn in de bakkerswinkel, bang dat ik iets fout zou doen. Wanneer het niet lukte en ik thuis kwam zonder brood, zei ik dat ik het was vergeten. Dit was nog altijd minder eng en gênant om te vertellen dan dat ik bang was om een brood te kopen. Mijn ouders werden vervolgens boos op me. Ze dachten dat ik lui was.

Als kind werd ik altijd al gezien als een stil en verlegen meisje, maar nu ik ouder werd kwam ik daar niet meer mee weg. In de brugklas had ik het nog voor elkaar gekregen om deel uit te maken van een leuke vriendinnengroep. In de derde klas van de middelbare school groeiden we helaas al uit elkaar en was ik veel op mezelf. Dat vond ik wel prima zo, maar mijn mentor was het daar niet mee eens en meldde mij aan voor de sociale vaardigheidscursus op school. Doodeng en super gênant vond ik al die oefeningen, maar ik merk nu nog steeds dat ik baat heb bij de handvatten die ik meekreeg. Bijvoorbeeld eerst vragen: “Mag ik u wat vragen?”, als ik een vreemde moet benaderen om iets te vragen. Hoewel ik een vreemde aanspreken niet meer zo eng vond als toen, zeg ik dat nog steeds steevast voordat ik mijn daadwerkelijke vraag stel.
In de vierde klas maakte ik echter vrienden en vriendinnen, waar ik zelfs nu nog veel contact mee heb.

Parentificatie
In het kopje over KOPP-kinderen en ‘brussen’ benoemde ik al kort dat wanneer een ouder of broer/zus in het gezin (fysiek of psychisch) ziek  is, kinderen al jong in een zorgende rol terecht kunnen komen. Het kind wordt in zo’n geval in de rol van ouder gedrukt met alle verantwoordelijkheden en verplichtingen die daarbij horen. Het kind zorgt dan bijv. voor de ouder, de jonge(re) kinderen en draait op voor het huishouden. Dit wordt ook wel parentificatie genoemd.

Toen ik ongeveer 12 jaar was, kreeg mijn moeder te horen dat zij een agressieve vorm van huidkanker had. Mijn moeder, en met haar ook mijn vader en ik, kwamen in een lang traject terecht van ziekenhuis onderzoeken, operaties,  controles, chemokuren, bestralingen, tot uiteindelijk bleek dat het niet mocht baten.
Op kerstavond in 2006 kregen we te horen dat ze was uitbehandeld en vanwege uitzaaiingen in haar lymfeklieren nog maar een jaar te leven zou hebben. Tijdens dit traject, hebben mijn vader en ik naast zorg voor mijn moeder, vanzelfsprekend ook veel huishoudelijke klussen op ons moeten nemen. Zo kookte ik wanneer mijn vader moest werken, haalde een stofzuiger door het huis, deed de was, hielp mijn moeder naar het toilet en leerde hoe ik mijn moeders open wonden moest verschonen. In de tussentijd was er een depressie bij mij vastgesteld en de beladen sfeer thuis zorgde ervoor dat ik mijn uitvlucht zocht op school. Ik bleef steeds langer hangen na schooltijd en vond een uitlaatklep in het acteren bij het schooltoneel. Heerlijk vond ik het om even iemand anders te kunnen zijn. Tegelijkertijd leerde ik bij het schooltoneel mezelf ook wat meer te laten zien en uit mijn schulp te kruipen.

Helaas nam mijn moeder mij kwalijk dat ik i.p.v. de tijd op school niet zoveel tijd met haar doorbracht en vond dat ik niet genoeg deed in het huishouden. Ze begreep niet dat ik het schooltoneel nodig had als ontspanning, dat ik door de depressie zelf ook ziek was en dat het mij eigenlijk allemaal te veel werd. Uiteindelijk werd ik kort opgenomen bij een crisisopname door toenemende suïcidale gedachten. Het advies van de psychiater was dan ook om regelmatig ergens anders te logeren.
Later leerde ik in therapie dat er bij mij sprake was van parentificatie en dat het niet gek is dat het me allemaal te veel werd; er werd ook veel van mij verwacht als kind.
Mijn moeder overleed uiteindelijk in het voorjaar, vlak na mijn 17e verjaardag.herinner mij

Volwassen relaties
Zoals eerder gezegd heeft de hechting in je jeugd invloed op de manier waarop je later in je leven relaties aan gaat. Bij mij heeft de onveilige hechting en het zijn van een KOPP-kind en brus ervoor gezorgd dat ik als jongvolwassene het nog steeds moeilijk vind om vriendschappen aan te gaan of te onderhouden. Ook intieme relaties ging ik altijd uit de weg; ik werd dan ook bijna nooit verliefd. Drie jaar geleden zei ik nog tegen mijn therapeut: ik blijf mijn hele leven wel alleen, want zo’n relatie zie ik echt niet gebeuren. Door therapie leerde ik dat ik mezelf had aangepraat dat ik liever alleen was en geen andere mensen nodig had. Hiermee hield ik mensen op afstand, want als mensen dan weg zouden gaan, voelde het tenminste minder erg. Pas een aantal jaar geleden kwam ik erachter dat het ‘rotte’ gevoel dat ik als kind en tiener vaak had maar nooit kon plaatsen, het gevoel van eenzaamheid was.
Nadat ik dat inzicht met behulp van een aantal huilbuien en therapiesessies verwerkt had, besloot ik er ook wat aan te gaan doen. Eindelijk erkende ik dat ik daadwerkelijk mensen in mijn leven nodig had en dat ik moest leren om mensen dichtbij te laten.
Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk. Ik oefende door vaker uit eigen initiatief met vriendinnen af te spreken en werd ook ineens halsoverkop verliefd op een klasgenoot van een vriendin.

mark darcyInmiddels ben ik al 2 jaar samen met mijn eerste en huidige vriend. Dit jaar wonen we zelfs al een jaar samen. Dankzij deze relatie heb ik voor het eerst ervaren hoe het is om écht van iemand te houden. Door de ingewikkelde relatie en onveilige hechting met allebei mijn ouders, heb ik mij nooit zo open durven stellen en dat gevoel  zo sterk kunnen ervaren. Mijn vriend accepteert mij zoals ik ben, inclusief al mijn vervelende eigenschappen en gebreken. Ik heb trouwens ook nog leuke kanten (en die accepteert hij ook). Andersom accepteer ik hem ook ‘just as he is’. Onvoorwaardelijke liefde heet dat volgens de theorie. Klef hè?

Ik heb desondanks nog steeds het één en ander te leren in het hechten, maar ach. We zijn nou eenmaal mensen en mensen zijn geen snelhechters. (Feit!)

snelhechter

Bronnen:

Links:

  • Info voor KOPP-kinderen/volwassenen
  • Info voor brussen