Schematherapie

Wie mij op Twitter volgt, weet dat ik al een tijd lang schematherapie krijg. Wanneer gevraagd wordt wat dat precies voor therapie is, vind ik dit lastig uit te leggen. Alleen al omdat er tientallen schema’s en modi zijn. Ook duurde het even voordat ik deze therapie zelf wat beter ging snappen.
Schematherapie is zo nu en dan wel kort in eerdere blogartikelen naar voren gekomen, zoals bij De Dictator & ik en De dictator in mijn hoofd. In dit blogartikel zal ik eindelijk proberen uit te leggen wat schematherapie is en hoe het werkt. Ook zal ik daarbij wat delen over mijn eigen (individuele) schematherapie behandeling. 

repeat

Het ontstaan
Schematherapie is een vorm van psychotherapie dat in de jaren negentig in Amerika ontwikkeld is door psycholoog Jeffrey Young. Hij merkte dat de patronen waarin zijn cliënten in hun even steeds weer vastlopen, terug te voeren waren naar ervaringen in hun jeugd. Hij legde 18 verschillende schema’s vast, die ontstaan zijn in de jeugd en je in je verdere leven telkens blijven belemmeren. Young stelde dat het ontstaan van schema’s samenhangen met de vijf basisbehoeften. Deze basisbehoeften zijn:

  • onafhankelijkheid en zelfstandigheid;
  • vrijheid om je behoeften en emoties te uiten;
  • spontaniteit en plezier;
  • duidelijke grenzen;
  • een veilige band met andere mensen.

Love - Alexander Milov

‘Love’ – Alexander Milov

Volgens Young moeten al deze behoeften in je jeugd voldoende vervuld worden voor een gezonde emotionele ontwikkeling. Overigens, wanneer er niet aan deze behoeften is voldaan in de jeugd, hoeft er geen opzet in het spel te zijn. Sommige ouders doen bijvoorbeeld uit liefde juist alles voor hun kind, waardoor ze bijvoorbeeld de basisbehoefte zelfstandigheid en grenzen niet kunnen vervullen. Andere ouders hebben bijvoorbeeld zelf de basisbehoeften niet ervaren in hun jeugd, waardoor bepaalde schema’s wellicht worden overgedragen van ouder op kind. Ook is het mogelijk dat ouders tegelijkertijd liefdevol, als erg veeleisend zijn.

De schema’s & modi
In de schematherapie wordt gewerkt met de begrippen schema’s en modi.
Een schema is de manier waarop mensen zichzelf, de ander en de wereld om hen heen waarnemen. Het zijn als het ware overtuigingen die op basis van vroegere situaties (in de kindertijd) zijn vastgelegd in het geheugen. Modi zijn een combinatie van schema’s en gedragingen, die op een bepaald moment actief aanwezig zijn; gemoedstoestanden/houding waarin iemand kan schieten, wanneer oude gevoelens door een bepaalde situatie worden opgeroepen.
Young omschreef in eerste instantie 18 schema’s. Daarvan zijn 16 te onderzoeken door middel van vragenlijsten. Tijdens het schrijven van dit artikel merkte ik dat er nóg meer schema’s en modi bestaan. Sommigen zijn echter nog niet voldoende onderzocht of echt aangenomen als ‘officiële’ schema’s en modi. Er zouden dus therapeuten kunnen zijn die schema’s en modi aanhouden waar de ene therapeut wel mee werkt en de andere niet, wat op zich niet erg is, maar wel onduidelijk.

In dit artikel heb ik er in ieder geval voor gekozen om de schema’s en modi aan te houden die in het handboek voor therapeuten worden genoemd. Voor de overzichtelijkheid zal ik ze niet allemaal op deze pagina behandelen. Dan wordt dit artikel zelfs voor mijn standaard te lang. 😉
In dit document (pdf) kun je de verschillende schema’s en modi met bijbehorende beschrijvingen bekijken.schema

Het doel
Schematherapie is zowel individueel als in een groep mogelijk. Zelf krijg ik individuele schematherapie, dus dat houdt in dat ik één op één gesprekken heb met mijn therapeut. Het belangrijkste verschil tussen groepsschematherapie en individuele schematherapie, is dat de groep bij groepsschematherapie belangrijk kan zijn voor je therapieproces. Doordat je te maken hebt met meerdere personen, zul je sneller tegen je eigen vastgeroeste patronen aanlopen en ermee geconfronteerd worden. Door therapeuten en groepsgenoten zullen er vragen aan je gesteld worden. Ook kunnen de inzichten van anderen, tegelijk jou zelf inzichten geven doordat je jezelf in het verhaal van een ander kunt herkennen. Een groep bestaat meestal uit tussen ongeveer 8-10 deelnemers en 2 á 3 therapeuten. In dit artikel zal ik voor het gemak verder ingaan op individuele schematherapie.

Bij (individuele) schematherapie ga je allereerst samen met je therapeut vaststellen wat je hulpvraag is. De therapie zal namelijk hierop toespitst worden. De ene schematherapie behandeling kan dus overigens erg verschillen met die van een ander. Als je zelf ook schematherapie volgt, kan het dus zo zijn dat je sommige dingen wel en sommige dingen niet herkent uit de omschrijving van mijn eigen schematherapie behandeling later in dit artikel.

Vervolgens inventariseer je samen met je therapeut aan welke schema’s en modi jij voldoet. Het hoofddoel van de therapie is doorgaans om uiteindelijk deze belemmerende schema’s te gaan vervangen door gezonde patronen. Het is hierbij belangrijk dat je de schema’s en modi in jouw leven gaat herkennen op het moment dat zij zich voordoen, zodat je bij het signaleren hiervan kan gaan oefenen met ander gedrag.
Je brengt in therapie om die reden hedendaagse situaties in (waarbij je als het ware vast liep of heftig reageerde), zodat je met de therapeut kunt gaan herleiden met welke schema’s of modi hiermee te maken kunnen hebben. Vervolgens ga je met de therapeut onderzoeken of er een situatie in je jeugd is geweest, wat overeenkomsten heeft met de hedendaagse situatie. Dit helpt om inzicht te krijgen in het ontstaan van het schema en de modi. Dit inzicht zal helpen om te beseffen dat de schema’s en modi niet passen bij de hedendaagse situatie, maar bij de situatie van vroeger. Modi die vroeger waarschijnlijk functioneel waren, zijn in je volwassen leven juist disfunctioneel geworden. Je zult op een gegeven moment gaan herkennen wanneer je in bepaalde modi schiet. Het fijne daarvan is, dat je hierdoor op een gegeven moment zicht krijgt op wat er op dat moment met je gebeurt vervolgens anders kunt gaan handelen, in plaats van handelen vanuit ‘blinde emotie’.

Een ander belangrijk onderdeel van schematherapie, is om het gemis uit de jeugd te herstellen. In therapie kun je in gedachten teruggaan naar toen je een kind was en visualiseren dat jij als volwassene een knuffel geeft aan jezelf als kind. In het Engels wordt ook wel gesproken van je ‘inner child’ en in het Nederlands soms van je ‘kleine ik’. De therapeut kan waar nodig de rol van de ouder overnemen, om alsnog aan onvervulde behoeften te voldoen zoals erkenning geven of grenzen stellen.
In termen van schematherapie, is het dus belangrijk te zorgen voor je gekwetste kind (emotionele behoeften vervullen), het boze kind te temmen (behoeften bevredigen/uitspreken in plaats van direct boos worden) en je blije kind modus te versterken.

Schematherapie is vooral bekend als succesvolle behandeling voor persoonlijkheidsstoornissen. Inmiddels wordt schematherapie ook wel ingezet bij angststoornissen, depressie, eetstoornissen, relatie- en intimiteitsproblemen en verslaving. Ook wordt er inmiddels onderzoek gedaan naar het inzetten van schemagerichte therapie bij volwassen cliënten met autisme en een persoonlijkheidsstoornis (klik hier voor meer info over deze behandeling).
In Psychologie Magazine zegt psychologe Hannie van Genderen die al jaren met schematherapie werkt:

Voor cliënten is het vaak een eyeopener wanneer ze ineens het verband weten te leggen met vroeger. Bijvoorbeeld dat die baas waar je steeds conflicten mee hebt, eigenlijk lijkt op je vader. Ineens begrijp je dan waarom je zo fel op hem reageert. Bovendien werkt schematherapie op een dieper niveau dan veel andere therapieën. Je pakt problemen aan op gevoelsniveau. Door muziek kun je je vrolijk of verdrietig gaan voelen en pas later besef je je bijvoorbeeld dat die muziek gekoppeld is aan een vrolijke of verdrietige periode in je leven. Op dat niveau werkt schematherapie ook: door onbewuste associaties die een grote rol spelen bij je gedachten, je gedrag en je gevoelsleven.”

 

Mijn schema’s
Zoals ik al in eerdere blogs heb genoemd, is er bij mij op mijn 19e persoonlijkheidsproblematiek geconstateerd tijdens een intensieve klinische opname  voor psychotherapie gericht op jongeren met vermoedelijke persoonlijkheidsproblematiek. Ik kreeg destijds de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anderzins Omschreven), met trekken van de borderline persoonlijkheidsstoornis en de vermijdende persoonlijkheidsstoornis.
Tijdens deze opname kwam ik erachter dat ik niet goed wist wie ik zelf was en wat ik eigenlijk leuk vond, omdat ik me altijd aan de ander probeerde aan te passen. Ook werd ik nooit boos, behalve op mezelf. Verder liet ik mensen moeilijk dichtbij komen, wat vriendschappen onderhouden lastig maakte en het hebben van een relatie onmogelijk.

persoonlijkheidsstoornisOp de leefgroep en in de therapiegroep was ik vooral gericht op het helpen van anderen, in plaats van bezig zijn met mijn eigen verhaal in therapie in te brengen (tot de irritatie van groepsgenoten). Ik cijferde mezelf constant weg en vond dat ik geen recht van bestaan had.
Een aantal jaar later, kwam ik in therapie bij mijn coördinerend behandelaar van bovenstaande klinische opname. Zij had als psychotherapeute inmiddels een eigen praktijk en nam mij na een intake wederom aan als cliënt. Het ging al beter met me; ik had een aantal jaar op mezelf gewoond en was inmiddels begonnen met de opleiding SPH, maar ik liep nog steeds tegen een aantal dingen in mijn leven aan. Ik had vervolgens erg veel aan de individuele persoonsgerichte psychotherapie die ik kreeg. Op een gegeven moment durfde ik zelfs een relatie aan te gaan met een hele lieve en leuke jongen, mijn huidige vriend.

Toen ik al een tijdje deze relatie had, leek de persoonlijkheidsproblematiek weer wat meer naar de oppervlakte te komen; op de een of andere gekke manier kon ik bijvoorbeeld steeds lastiger alleen zijn, terwijl ik daar vóór mijn relatie toch sterk de voorkeur voor had! Ook merkte ik dat ik in het contact met mijn vriend ineens heftig emotioneel kon reageren, wat ik niet van mezelf gewend was. Bij onze eerste ruzies kon ik bijvoorbeeld erg overstuur raken omdat ik bang was dat hij het uit zou maken. Of ik kon intens verdrietig raken als hij een plagend grapje maakte als: ‘ja hoor, ik ruim het wel weer op’, wanneer ik iets vergat omdat ik dan oprecht dacht dat hij het meende en hierover boos op mij was.
Ik snapte er niets van. Al gauw besefte ik me wel dat mijn reacties veel heftiger waren dan passend bij de situatie. Natuurlijk is het niet erg als ik iets vergeet op te ruimen; iedereen vergeet wel eens wat! Maar uiteindelijk besefte ik me dat het vroeger mijn ouders waren die erg boos konden worden wanneer ik iets vergat te doen. Van mijn vriend verwachtte ik dezelfde reactie die ik vroeger mijn ouders gekregen zou hebben.

overreacting

Mijn therapeut en ik besloten in therapie schematherapie te gaan doen, omdat deze therapie mij meer inzicht zou kunnen geven over waar deze heftige reacties vandaan komen. Voordat we hiermee begonnen, vroeg zij mij een zelftest te doen zodat we in kaart konden brengen welke modi en thema’s bij mij precies van toepassing zijn. Op schematherapie.nl zijn enkele vragenlijsten te vinden (in excel format) die therapeuten gebruiken, zoals de ‘SMI’.

Omdat ik mijn huidige psychotherapeute dus al lange tijd ken, lukte het om steeds opener over mezelf te zijn en mij steeds meer kwetsbaar op te stellen in therapie. Dit heeft wel even geduurd, omdat het toch lastig is ‘een buitenstaander’ op zo’n manier te vertrouwen dat je zelfs de zaken waar je je het meeste over schaamt – in mijn geval de schaamte voor de disfunctionele patronen en ‘overdreven’ reacties – durft bloot te geven. Het zijn immers niet de meest flatteuze kanten van mezelf en ik wil toch graag dat iedereen mij ziet als een leuk persoon, zelfs een therapeut.
Ik ben nog steeds blij dat het gelukt is haar te gaan vertrouwen, want anders had ze niet zo’n goed beeld van mij en mijn leven kunnen krijgen als zij nu heeft. Zij kon aan de hand van onze gevoerde gesprekken bijvoorbeeld in mijn behandelplan een verhaal over mij uitschrijven, met daarbij de verschillende schema’s en modi die bij mij van toepassing zijn. Het werd een soort korte biografie, die zij vervolgens aan mij voorlegde. Ik weet nog dat ik erg verbaasd was dat het zo erg klopte met hoe ik het zelf voelde. In het verleden heb ik vaker zonder dat ik het zelf door had een ander beeld van mezelf neergezet bij een therapeut (waardoor het was alsof ik verslagen en behandelplannen las over iemand anders), maar nu was het gelukt om mezelf echt te laten zien.
Samen hebben we nog kleine aanpassingen gemaakt en het in mijn eigen woorden gezet, zodat het verhaal voor mij helemaal kloppend was. Dit in kaart brengen van de schema’s en modi heet in vaktermen ‘casusconceptualisatie’. Het verhaal werd toegevoegd aan mijn behandelplan.

Voorbeeld casus ‘Sandra’
Gezien mijn eigen casusconceptualisatie verhaaltje wel heel persoonlijk is, heb ik als alternatief een voorbeeldcasus gebruikt uit een handboek voor therapeuten. Deze casus is fictief, dus Sandra bestaat niet echt; dat zou in verband met privacy natuurlijk niet oké zijn. De volgende kaders uit het boek kunnen je misschien een goed beeld kan geven van hoe schema’s en modi bij iemand in kaart worden gebracht.
Allereerst een korte beschrijving van Sandra en haar achtergrond, dan lastige situaties waar zij tegenaan loopt met de schema’s/valkuilen die daar bij horen en vervolgens de modi waar zij regelmatig in schiet.

casus sandra

Casus Sandra (van Vreeswijk, Broersen, & Nadort, 2008)

casus sandra schemas

Inventarisatie van schema’s van Sandra (van Vreeswijk, Broersen, & Nadort, 2008)

casus sandra modi

Inventarisatie van modi van Sandra (van Vreeswijk, Broersen, & Nadort, 2008)

Mijn casusconceptualisatie
Toen ik mijn casusconceptualisatie voor het eerst doorlas vond ik het naast kloppend, ook erg confronterend; ik merkte zelfs dat ik er somber van werd. Later besefte ik me dat het komt, omdat je vooral geconfronteerd wordt met de dingen waar je tegenaan loopt in je leven. Niet erg leuk dus, maar wel logisch, want een behandelplan geeft natuurlijk aan waar je in therapie aan wilt/gaat werken. Als het een positief verhaal geweest zou zijn, had ik mij moeten afvragen wat ik feelingsüberhaupt te zoeken had in therapie…
Hoe dan ook: het doorlezen van zo’n tekst kan dus best confronterend en zelfs demotiverend zijn. Dit heb ik op een gegeven moment ook uitgesproken in therapie, waarna ik samen met mijn therapeute (los van mijn behandelplan) ook in kaart ben gaan brengen wat er juist wel goed gaat; welke groei ik inmiddels heb doorgemaakt. Gelukkig bleek ik ook vaak te functioneren vanuit de ‘gezonde volwassene modus’. Dit gaf voor mij weer wat meer houvast. Omdat ik nu al langer schematherapie heb gevolgd, zijn in mijn behandelplan inmiddels gelukkig ook de dingen toegevoegd waar ik eerder tegenaan liep, maar nu beter mee om kan gaan.

Het schema wat bij mij het meeste bleek te spelen is ‘emotionele verwaarlozing’. Vandaar dat ik hierover het artikel ‘De Dictator & ik‘ schreef. Eigenlijk is ‘De Dictator’ voor mij eigenlijk een verzamelnaam voor de modi: ‘straffende ouder’ en ‘veeleisende ouder’.
Verder lijkt hij voort te komen uit de schema’s: ‘Meedogenloze normen/overmatig kritisch’, ‘minderwaardigheid/schaamte’, ‘sociale ongewenstheid’ en ‘mislukking’. Geen wonder dus dat hij zo sterk is, maar gelukkig is mijn ‘gezonde volwassene’ inmiddels steeds beter tegen hem opgewassen.
Een tijd geleden schreef ik hoe de Dictator een sterke invloed uitoefende over mijn dag in ‘De dictator in mijn hoofd‘.

Imaginatie oefeningen
Ook heb ik tijdens schematherapie met mijn therapeute gewerkt aan het vervullen van de emotionele behoeften die ik in mijn jeugd tekort ben gekomen. Dit doen we door middel van imaginatie oefeningen. Dat gaat zo:

  • inner childVeilige plek – met je ogen dicht een veilige plek visualiseren en de geluiden, geuren en kleuren hiervan registreren.
  • Recente nare gebeurtenis – een recente nare gebeurtenis tot in detail vertellen; wat deed ik en wat deed de ander?
  • Focussen op gevoel – focussen op het gevoel dat ik in deze situatie had en dit gevoel omschrijven.
  • Verbinding leggen met verleden – proberen te bedenken in welke situatie in mijn jeugd ik eerder dit gevoel had.  (bij voorkeur een situatie waarbij ik jonger dan 10 jaar was)
  • Betekenisvolle gebeurtenis – wanneer ik mij een gebeurtenis uit het verleden heb kunnen herinneren waarin ik een soortgelijk gevoel had, wordt mij gevraagd deze situatie te omschrijven. Wat deed ik en wat deed de ander?
  • Therapeut grijpt in (herschrijven van de ervaring) – de therapeut vraagt mij op een gegeven moment wat ik in deze situatie eigenlijk nodig had, maar doet dit in de tegenwoordige tijd, alsof de situatie in het hier en nu plaatsvindt. Uiteindelijk stapt mijn therapeut als het ware in de situatie, door te vertellen wat zij doet. Zo heeft zij mij bijvoorbeeld gezegd dat zij mij met haar auto naar mijn middelbare school rijdt, omdat ik mij daar als kind veilig voel. Ook spreekt zij mijn ouders wel eens streng toe en legt dan aan hen uit dat zij bijvoorbeeld totaal voorbij gaan aan mijn wensen of gevoel op dat moment. Ze vraagt altijd of er nog iets moet gebeuren in deze situatie of dat het zo voor mij goed is. 
  • Veilige plek – als het inderdaad zo goed is, word mij gevraagd mijn veilige plek weer voor mij te halen.
  • Nabespreken –  tot slot bespreken we hoe ik het vond. Vaak heb ik bijvoorbeeld weer nieuwe inzichten gekregen. Of komt er emotie los omdat ik me als volwassene steeds meer besef hoe ik een bepaald iets gemist heb in mijn jeugd (de emotionele verwaarlozing).

Aan het begin vond ik deze oefeningen erg lastig. Juist gezien de modus ‘onthechte beschermer’, waardoor ik contact vermijd, vooral als het te dichtbij komt. Bij rollenspellen en oefeningen waarbij ik mij iets moet verbeelden/visualiseren, kan ik cynisch worden en mezelf te nuchter vinden voor zo’n zweverige opdracht. Omdat ik dit van mezelf ken, weet ik inmiddels dat hier vooral angst achter zit en ik mezelf wil beschermen voor iets wat ik niet ken.

Ik vond het erg spannend dat mijn therapeute in een situatie uit mijn jeugd zou stappen waarin ik mij erg kwetsbaar heb gevoeld. Als kind had ik overigens vanwege hechtingsproblematiek de neiging mij te gaan hechten aan vrouwelijke figuren (zoals juffen en leraressen) in mijn leven die mij zo nu en dan de steun gaven die ik thuis miste. Daarom was ik ergens ook bang dat ik mij net als vroeger bij docentes, mij nu te veel aan mijn therapeute zou gaan hechten. De uitdaging was dus om haar zowel toe te durven laten, als niet door te schieten in het andere uiterste.
Ik merkte dat ik bij de eerste oefeningen verstarde als zij bij wijze van spreken in de herinnering stapte of dichtbij mij kwam zitten. Gelukkig lukte het na verloop van tijd steeds beter dit toe te laten en merkte ik dat de oefeningen echt effect hadden – hoe ‘zweverig’ ook. Vaak voelde ik me beter na een imaginatie oefening en soms kreeg ik ineens nieuwe inzichten over mijn jeugd doordat er meer herinneringen naar boven waren gekomen.
Op dit moment zie ik mijn therapeute trouwens gelukkig nog steeds – niet meer en niet minder – als een behandelaar die ik vertrouw en waar ik een goede klik mee heb.

Naast imaginatie oefeningen, wordt er bij schematherapie vaker interventies/oefeningen geleend uit andere therapieën. Dit komt omdat schematherapie, net als veel andere therapieën, is gestoeld op cognitieve gedragstherapie. Kort gezegd is dit een therapievorm dat er vanuit gaat dat je gedachten te beïnvloeden zijn en daarmee ook je gevoel en gedrag. Het kan dus voorkomen dat jouw therapeut bijvoorbeeld ook wel een rollenspel inzet of gebruik maakt van een EMDR-interventie.

Zie hier de imaginatie techniek in beeld gebracht door Heleen Grandia.

De gezonde, volwassen Lyka
In mijn laatste behandelplan stond bij mijn diagnose dat mijn ‘persoonlijkheidsstoornis NAO’ in remissie is. Er is volgens mij geen eenduidige definitie van ‘in remissie’, maar het betekent in de psychiatrie ongeveer dat mijn klachten sterk verminderd zijn.
De woordjes ‘in remissie’ zijn voor de zorgverzekeraar het bewijs dat het beter met mij gaat (en dat de therapie dus aanslaat), al heb ik dat zelf natuurlijk al veel eerder ervaren. Ondanks dat schematherapie in het begin erg confronterend was (en enigszins demotiverend), heb ik er al erg veel aan gehad! Ik vind de therapie fijn, overzichtelijk en het geeft mij veel houvast.

Dankzij de inzichten kan ik veel beter met bepaalde situaties omgaan. Wanneer ik heftige emoties op voel komen, besef ik me al snel waar ze vandaan komen, waardoor het lukt om beter met deze emoties om te gaan. In plaats van dat ik bijvoorbeeld erg van streek raak, kan ik nu even kort uithuilen, om vervolgens uit te spreken dat iets mij raakt doordat er een associatie is met een situatie uit mijn jeugd. Dit is niet alleen voor mij fijner, maar ook voor mijn omgeving (waaronder mijn vriend) omdat ook zij overvallen werden door mijn heftige reacties en deze vaak moeilijk konden plaatsen bij de situatie. Wanneer ik het kan uitleggen, geeft het mijn omgeving ook meer rust en is er ook nog eens meer begrip mogelijk, waardoor conflicten bijvoorbeeld niet onnodig groter worden. In schematherapie termen merk ik dat ik in plaats van in de disfunctionele modi te schieten, steeds vaker in de gezonde volwassene modus kan stappen.
Het is waarschijnlijk niet reëel dat ik van alle schema’s/modi af zal komen, maar het is wel mogelijk ervoor te zorgen dat de schema’s of modi niet meer disfunctioneel zijn in mijn dagelijks leven en mij dus stukken minder zullen belemmeren.

De aanhouder wint
AdultingOp Twitter deed ik een oproep: ik vroeg wat er aan bod zou moeten komen over schematherapie in dit artikel. Ik kreeg hier een aantal reacties op.
Wat ik hiervan nog niet aan bod heb laten komen, is dat schematherapie inderdaad hard werken is. Je komt jezelf en je patronen telkens weer tegen en dat is niet alleen confronterend, maar ook zwaar en erg vermoeiend. Wel is het een heel overzichtelijke therapie; de schema’s en modi zullen ervoor zorgen dat je je eigen gevoelens en gedrag beter zult snappen en dat zorgt ook voor meer rust en overzicht in je hoofd. Uiteindelijk zul je zelfs de meest diepliggende schema’s doorbreken, maar dat heeft veel tijd en energie nodig; het ene schema zal hardnekkiger en dieper geworteld zijn dan andere schema’s.

Het is dus – makkelijk gezegd – een kwestie van doorzetten en volhouden; de aanhouder/de gezonde volwassene zal het winnen van de belemmerende patronen.
Vergeet trouwens vooral niet zo nu en dan een blij kind te zijn!

happy kid gif.gif


Ook schematherapie volgen?

Denk je dat schematherapie misschien ook een geschikte therapie voor jou zou kunnen zijn? Overleg dit dan met je behandelaar. Indien je nog geen professionele hulp krijgt, kun je hierover altijd in gesprek gaan met je huisarts of de praktijkondersteuner. Hij of zij kan met jou meedenken en eventueel een verwijzing regelen naar een therapeut in jouw buurt die geschoold is in het geven van schematherapie.
Schematherapie behoort tot gespecialiseerde (tweedelijns) geestelijke gezondheidszorg en wordt daarom vergoed door de zorgverzekeraar. Vraag wel altijd na voor de zekerheid of jouw hulpverlener/instelling is aangesloten bij jouw zorgverzekeraar.

Is er voor jou toch nog iets niet aan bod gekomen of heb je nog vragen? Stel ze gerust in een reactie, per mail of via social media.


Bronnen:
Arntz, A., & Jacob, G. (2011). Schematherapie een praktische handleiding. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
van Vreeswijk, M., Broersen, J., & Nadort, M. (2008). Handboek Schematherapie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
https://www.deviersprong.nl/behandelingen/schematherapie/
https://www.schematherapie.nl/wordpress/wp-content/uploads/2014/09/Gieles-J.-Psychologie-Magazine-12-12-schematherapie.pdf
https://www.schematherapie.nl/vragenlijsten/
https://www.schematherapieopleidingen.nl/wp-content/uploads/2016/10/Slides-Fine-Tuning-IR-NL.pdf
https://www.rivierduinen.nl/~/media/_centrum%20autisme/clienten/behandelingen/psychotherapie—volwassenen-autisme—fs—1604.ashx?la=nl-nl
http://www.lkhnederland.nl/onderzoek-naar-psychotherapie-bij-volwassenen-met-autisme-en-comorbide-persoonlijkheidsstoornis

Mijn persoonlijkheid is ziek

Een persoonlijkheidsstoornis. Het woord op zich vind ik bijna klinken als een belediging. Alsof je zegt: je persoonlijkheid is gestoord. Niet ‘gek’ dus dat er omtrent deze psychische aandoening stigma en ook veel zelfstigma heerst. Het was voor mezelf dan ook alsof ik een klap in mijn gezicht kreeg toen ik voor het eerst las en hoorde dat ik voldeed aan deze diagnose. Toch zegt het woord wel wat het voor mij betekent: mijn persoonlijkheid is ziek.

Psychopathologie
Bij de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening krijgen we in het tweede studiejaar het vak ‘Psychopathologie’. In mijn studieboek voor dit vak staat over persoonlijkheid en persoonlijkheidsstoornissen het volgende:

“We hebben allemaal bepaalde gedragsstijlen en manieren om met anderen om te gaan. Sommigen van ons zijn ordelijk, anderen slordig. Sommigen geven voorkeur aan solitaire hobby’s, anderen zijn socialer. Sommigen zijn volgers, anderen zijn leiders. Sommigen lijken immuun voor afwijzing door anderen, terwijl anderen sociale initiatieven mijden omdat ze bang zijn voor kritiek. Als gedragspatronen echter zo inflexibel of maladaptief (niet passend bij leeftijd/ontwikkeling) worden dat ze aanzienlijk persoonlijk lijden veroorzaken, of wanneer ze het sociale of beroepsmatige functioneren van de betrokkene belemmeren, kunnen ze als persoonlijkheidsstoornissen worden aangemerkt.” (Nevid, Rathus, & Greene, 2013)

personality-testOok komen de verstoorde persoonlijkheidstrekken of -kenmerken volgens het boek tegen de adolescentie of vroege volwassenheid aan het licht en blijven gedurende het grootste deel van het volwassen leven bestaan.
Een persoonlijkheidsstoornis mag echter voor het 18e levensjaar niet vastgesteld worden, ook al kunnen er in sommige gevallen bij kinderen en zelfs kleuters al kenmerken worden waargenomen. Volgens de cijfers (uit 2013) vertoont in Nederland ongeveer 13% van de  bewoners tekenen van één of meer persoonlijkheidsstoornissen (Nevid, Rathus, & Greene, 2013).

Oorzaak
Er bestaat geen eenduidige oorzaak voor het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis. Dit komt doordat meerdere factoren meespelen. Wellicht heb je wel eens gehoord van de termen nature en nurture. Hiermee wordt bedoeld: is het aangeboren of tot stand gekomen door omgevingsfactoren? Bij een persoonlijkheidsstoornis spelen deze factoren ook een rol en hebben een wisselwerking.

  • Aanleg: uit onderzoek is gebleken dat sommige persoonlijkheidsstoornissen erfelijke factoren kunnen hebben. Daarnaast zijn er bepaalde kenmerken die iedereen al heeft vanaf zijn/haar geboorte. Dit wordt ook wel temperament genoemd. Voorbeelden hiervan zijn: verlegen, impulsief, extravert enz.
  • Omgeving: omgevingsfactoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis zijn negatieve ervaringen en problemen in de vroegere gezinssituatie, maar ook (cultureel)maatschappelijke omgevingsfactoren.

Wat dat betreft, is het krijgen van een persoonlijkheidsstoornis een soort van loterij waarvoor je niet eens een lot hoeft te kopen. Sterker nog, je zou het kunnen zien dat het lot voor je bepaalt of je wel of geen persoonlijkheidsstoornis ontwikkelt. Gelukkig kan therapie er voor zorgen dat je door de persoonlijkheidsstoornis niet meer vastloopt op bepaalde gebieden in je leven.

Diagnose
Volgens de DSM IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), zijn er 10 verschillende soorten persoonlijkheidsstoornissen. In de nieuwste uitgave van de DSM, de DSM V uit 2013, is het één en ander gewijzigd wat betreft de indeling en classificatie van persoonlijkheidsstoornissen. Om het beknopt te houden, zal ik in dit artikel hier niet te veel op in gaan. (Voor meer informatie over de veranderingen in de DSM V, klik hier.)
De verschillende soorten persoonlijkheidsstoornissen zijn ingedeeld per cluster:

Cluster A: Mensen die vooral gekenmerkt worden door vreemd en excentriek gedrag, die vaak een teruggetrokken bestaan leiden. Hieronder vallen de paranoïde, schizoïde en schizotypische persoonlijkheidsstoornissen.

Cluster B: Mensen die sterk emotioneel en onvoorspelbaar reageren en daarmee juist op de voorgrond treden. Hieronder vallen de antisociale, borderline, theatrale en narcistische persoonlijkheidsstoornissen.

Cluster C: Mensen die in het dagelijks leven zeer angstig en onzeker zijn. Hieronder vallen de ontwijkende, afhankelijke en dwangmatige persoonlijkheidsstoornissen.

Bron: Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Borderline?
Zoals ik al in de inleiding benoemde, vond ik het een schok om de diagnose persoonlijkheidsstoornis te krijgen en bijna kwetsend. Het wordt ook wel heel persoonlijk wanneer therapeuten een oordeel vellen over je persoonlijkheid. Zo voelde het tenminste.
Ik was 19 jaar (zie foto boven dit artikel) en opgenomen in een kliniek voor jongeren met een vermoedelijke persoonlijkheidsstoornis. Nu hoor ik je denken: dan had je het toch kunnen zien aankomen? Dat dacht ik achteraf ook. Ik denk dat het destijds langs me heen is gegaan als verwarde en depressieve puber. Bovendien had ik nog weinig idee wat een persoonlijkheidsstoornis precies is. Het kwam eigenlijk pas ter sprake tijdens een psychodrama bijeenkomst. Een groepsgenoot uit mijn therapiegroep zei toen iets in de trant van: “We zitten toch in deze therapiegroep omdat we borderline hebben?” Toen dit niet volledig ontkend werd door de therapeuten, sloeg het nieuws in de groep in als een bom. De therapeuten speelden hierop in door voor te stellen de volgende groepspsychotherapie in het teken te laten staan van psycho-educatie over de borderline persoonlijkheidsstoornis. Daarin zouden de therapeuten (o.a. aan de hand van de DSM IV) ons uitleggen wat deze stoornis inhoudt. Deze bijeenkomst duurde niet lang, want al gauw liepen de eerste groepsgenoten weg. Ik kan alleen maar gissen waarom, maar ik had het idee dat ze het te confronterend vonden. “Als jullie verder nog vragen hebben hierover, kunnen jullie die altijd aan ons stellen”, werd de overblijvers verteld.

tumblr_mslxxyEuYk1sc9mmso1_500

Uit de film: ‘Girl Interrupted’

Mijn eerste reactie na het krijgen van de diagnose was om het eerst volgende weekend gelijk van alles hierover te gaan opzoeken in de bibliotheek. Met name over de borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit voelde veiliger dan het vragen aan mijn behandelaar, omdat ik me denk ik vooral erg schaamde. Ik denk dat ik dan ook wilde weten of het echt zo erg was als dat het klonk.

Mijn conclusie toen: ja. Mijn conclusie nu: nee.

Ten eerste schrok ik ervan dat er blijkbaar iets mis was met mijn persoonlijkheid. Het voelde alsof mijn karakter, identiteit en binnenwereld bekritiseerd werd. En dat terwijl ik me van binnen al een ‘slecht mens’ voelde. Ten tweede maakten woorden als ‘manipulatief’, ‘drank-/middelenmisbruik’, ‘veel wisselende seksuele contacten’ en ‘impulsiviteit’, dat ik mezelf toen niet erg in de borderline PS kon herkennen. Wat dachten die therapeuten wel niet van me! Ook las ik (in gedateerde boeken) dat je niet kunt genezen van zo’n persoonlijkheidsstoornis.
Gelukkig heeft mijn coördinerend behandelaar destijds dit beeld wat ik van de borderline PS kunnen bijstellen. Voor mij was het belangrijkste wat ze zei, dat volgens recente onderzoeken is gebleken dat met de juiste behandeling de persoonlijkheidsstoornis na verloop van tijd niet meer voor een belemmering hoeft te zorgen in het dagelijks leven. Helemaal genezen blijft gezien de complexiteit van de stoornis lastig, maar je kunt er in ieder geval geen last meer van ondervinden. Ook werd in dat gesprek duidelijk dat ik niet helemaal aan de diagnose borderline PS voldeed, omdat ik o.a. inderdaad eerder het tegenovergestelde van impulsief was en ik wel zorgde dat ik uit de buurt bleef van drank, drugs en seks. Daarnaast ging ik trouwens nog wel meer dingen uit de weg. Dat was dan ook het punt dat mijn behandelaar mij voorlegde of ik me misschien herkende in de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.

Mijn persoonlijkheidstrekken
Volgens mijn vriend heb ik een ‘lieve persoonlijkheidsstoornis’.
Volgens de meest recente DSM classificatie, heb ik op AS II een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderzins omschreven), met trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.
Het komt erop neer dat mijn borderline PS trekken bestaan uit: identiteitsproblemen, in goed/fout denken m.b.t. mezelf en hoogoplopende spanningen.
De ontwijkende PS trekken die ik herken zijn: angst voor sociale situaties, de neiging sociale situaties te vermijden, angst om te falen in sociale situaties/opleiding/relaties.

Stigma
In de eerste instantie had ik dus veel moeite met de diagnose persoonlijkheidsstoornis (NAO). Ik schaamde me ervoor en was bang dat als ik zou vertellen dat ik ‘borderline trekken’ heb, mensen in mijn omgeving een heel ander beeld van mij zouden krijgen. En die ‘ontwijkende trekken’ dan? Tsja, daar merkt de omgeving in ieder geval niet zo veel van. Mensen met een borderline PS staan vaak bekend als manipulatief, agressief en worden gezien als één van de moeilijkste doelgroepen. Over de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis hoor je eigenlijk niet zo veel, wat misschien wel passend is bij deze stoornis; het vermijden en terugtrekken uit sociale situaties.
Beide persoonlijkheidsstoornissen hebben in ieder geval te maken met weinig controle hebben over emoties. Bij de borderline PS komt dit echter meer naar de omgeving toe tot uiting (externaliserend) en bij de ontwijkende PS speelt de onrust zich vooral van binnen af en trekt iemand zich juist eerder terug uit de omgeving (internaliserend).

logo-in-de-ggzÉén van de nadelen van een diagnose, is dat het hokjes-denken bevordert. Voldoe je volgens de DSM aan de criteria van een bepaald ziektebeeld? Dan ben je ineens een ‘autist‘, ‘ADHD’er‘ of ‘borderliner‘. Een hele groep verschillende unieke mensen worden daardoor in de psychiatrie gegeneraliseerd en over één kam geschoren, waardoor hun eigen identiteit met bijbehorende kwaliteiten en positieve eigenschappen meer naar de achtergrond geschoven worden. Hierdoor ontstaat zelfs binnen instellingen en onder hulpverleners stigma op bepaalde psychische aandoeningen, zoals o.a. de borderline PS. Op mijn opleiding tijdens supervisie hoorde ik bijvoorbeeld: “Gister had ik echt veel moeite met een patiënt, echt zo’n typische borderliner is dat.”
Mijn nekharen gingen overeind staan. Was dat hoe de stagiaires tijdens mijn opname ook over mij praatten bij supervisie? Mensen zijn niet hun ziekte!
Ook tijdens de lunchpauze op mijn stageplek in een psychiatrisch ziekenhuis hoorde ik hulpverleners weleens zulke ongenuanceerde opmerkingen maken. Ik vroeg me op dat soort momenten altijd af hoe ze het zelf zouden vinden als er op zo’n manier over hen gepraat zou worden.

De kunst voor hulpverleners is denk ik om behalve de problemen van een cliënt (waar in de hulpverlening vaak de focus op ligt), ook de unieke persoonlijkheid, interesses en talenten van iemand te kunnen (blijven) zien en aanspreken. Een mens-tot-mens benadering in plaats van hulpverlener-patiënt. Wanneer collega’s tijdens mijn stage klaagden over hoe moeilijk  het was om te werken met een bepaalde patiënt, probeerde ik hen voor te leggen: “Kun je nagaan hoe moeilijk het voor die persoon zelf moet zijn om met deze ziekte door het leven te gaan.” of “Wat verdrietig dat diegene het zó ontzettend zwaar heeft dat hij/zij geen andere manier weet om die gevoelens te uiten. Heftig ook dat diegene in zijn/haar jeugd niet de mogelijkheid heeft gehad om dit te leren.”

Acceptatie
Inmiddels heb ik me redelijk bij het feit neergelegd dat mijn persoonlijkheid ziek is.
Wanneer je kijkt naar de factoren die bijdragen aan het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis, is het bijna logisch dat ik er éé857c1d95bba915a45e043c95aaeae807n ontwikkeld heb;
ik kom niet bepaald uit een warm nest, ik maakte traumatische ervaringen mee in mijn jeugd en dan was ik ook nog eens een vrij gevoelig kind. Daarnaast hebben ook allebei mijn ouders een moeilijke jeugd gehad waardoor zij zelf beschadigd zijn geraakt en mij tijdens mijn ontwikkeling niet hebben kunnen geven wat ik nodig had. Door het op deze manier te bekijken, schaam ik mij minder voor de diagnose persoonlijkheidsstoornis. Ik had immers geen invloed op het ontwikkelen van deze ziekte.

Het feit dat ik me af en toe wat wereldvreemd voel, is dan ook niet gek. Sommige dingen die voor mijn vriend bijvoorbeeld heel vanzelfsprekend zijn, zijn voor mij volkomen nieuw of vreemd. Ik heb feitelijk bepaalde stukken ontwikkeling gemist of overgeslagen en ben dat nu nog steeds als het ware aan het inhalen door middel van therapie en oefenen in de praktijk; het dagelijks leven.

Het is soms dan ook best lastig om te leven met een persoonlijkheidsstoornis. Vooral het feit dat het mij op dit moment nog steeds belemmert op sociaal gebied en tijdens mijn studie. Ook het gevoel geen controle te hebben over (heftige) emoties en hierdoor overspoeld raken is soms erg zwaar en kan ook erg gênant zijn. Desondanks heb ik door de jaren heen dankzij therapie al veel vooruitgang geboekt, maar mede door de persoonlijkheidsstoornis (en depressie) wil ik die vooruitgang nog wel eens vergeten.
Toch heb inmiddels al twee jaar een stabiele relatie, woon ik al een jaar samen, volg ik een voltijd sociale (!) HBO studie, haal ik goede cijfers, zing ik in een band en spreek ik geregeld af met vrienden. Verder zet ik mij in om stigma in de psychiatrie te bestrijden door middel van het schrijven over mijn eigen ervaringen.

Al met al ben ik dus zo gek nog niet, maar dat is heel persoonlijk natuurlijk…

Bronnen:
Nevid, J. S., Rathus, S. A., & Greene, B. (2013). Psychiatrie een inleiding. Amsterdam: Pearson.
Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie