Het afzetten van mijn ‘Dictator’

De laatste jaren heb ik al vaker over hem geschreven, mijn interne criticus die ik ‘de Dictator’ heb genoemd. Zie ook: ‘De Dictator & ik’ en ‘De Dictator in mijn hoofd’.
De Dictator is een soort dril-sergeant die mij onder een streng regime constant over mezelf laat reflecteren en zoveel propaganda handhaaft, dat hij mij doet geloven dat ik niet veel waard ben. In elke situatie weet hij de negatieve dingen zó uit te vergroten, dat ik de positieve dingen niet meer zie. Inmiddels heb ik meer inzicht gekregen in waar de Dictator voor staat en wat hij wil bereiken. Mijn ouders waren vroeger kritisch; ik had het gevoel dat ik het nooit goed kon doen, want er was altijd wel iets op te merken ook al deed ik mijn best mezelf te verbeteren om kritiek te voorkomen. Toch werd er altijd wel op mij gemopperd, dus in mijn pubertijd had ik de hoop opgegeven; ik ging geloven dat ik een mislukkeling was en daarmee maar moest zien te dealen. De Dictator hielp mij daarbij; door zelfevaluatie en mezelf constant verbeteren zou ik voorkomen dat anderen erachter zouden komen wat voor vreselijk mens ik ben. Mijn laatste blog eindigde ik met de mededeling dat ik mijn therapie langzaam ga afbouwen. Hier ben ik nog steeds mee bezig: de Dictator ‘afzetten’ is één van de belangrijkste nog resterende therapiedoelen.

De Dictator als ‘beschermer’

Voor de duidelijkheid; de Dictator is geen echt persoon en geen echte stem in mijn hoofd. Het is een verzamelnaam voor de negatieve, overmatig kritische gedachten die ik over mezelf denk. Tijdens schematherapie heb ik hem als een persoon gevisualiseerd door middel van iets dat de ‘stoelentechniek’ wordt genoemd, waardoor ik tegen hem kon praten (alsof hij op een lege stoel zat) en mij soms ook in hem kon inleven en hem een stem kon geven door te doen alsof ik degene was die deze negatieve gedachten stuurt. (Wat ik in feite natuurlijk ook ben. Ingewikkeld hè?)
Op deze manier heb ik meer inzicht gekregen in waar hij precies voor dient en kon ik ook met afstand (vanuit mijn gezonde volwassene) kijken naar hoe gemeen de Dictator eigenlijk voor mij is en kon ik erachter komen dat hij mij eigenlijk helemaal niet zo goed helpt (als dat hij vroeger wel heeft gedaan toen ik nog bij mijn ouders in huis woonde). Vroeger had ik de Dictator nodig. Als ik andere mensen maar voor was met kritiek hebben naar mezelf, dan overviel het mij niet zo en deed het minder pijn en verdriet dan dat zij eerst kritiek over mij zouden hebben. Elke keer dat ik toch overvallen werd door kritiek van anderen, groeide de Dictator, want dan had hij nieuwe input voor volgende zelfreflectie sessies. Ook groeide de Dictator omdat ik hem meer macht gaf; ik ging steeds meer geloven dat hij de waarheid in pacht had. Zelfs tot het punt dat ik ging geloven dat ik het niet verdiende om te leven en de wereld tot een slechtere plek maakte. Kortom: ik ging mezelf afzonderen (want ik ben anderen tot last), ik ging schoolwerk steeds meer uitstellen (want ik kan het toch niet), ik leerde mezelf te vervagen met de achtergrond (zodat ik minder opval en mensen niet zien wat een mislukkeling ik ben) en ga zo maar door.

De Dictator als belemmering

Hoe ouder ik werd, hoe meer de Dictator mij belemmerde. Een voorbeeld: op de middelbare school moest ik leren debatteren, maar dankzij de Dictator had ik nauwelijks een mening; volgens hem was het immers belangrijker wat anderen vonden, dus paste ik mij voornamelijk aan iemand anders aan. Bij debatteren kan dat niet, want dan ben je het constant met de ander eens. Ik liep hier constant in vast.
Zo ook bij het nadenken over mijn toekomst, zoals bijvoorbeeld mijn studiekeuze, maar ook bij het vormen van een eigen identiteit. Ik was zo gefocust op het aanpassen aan anderen om aardig gevonden te worden en een leuker mens te zijn, dat ik bijna geen idee meer had wie ik nou daadwerkelijk was: Wat zijn mijn karaktereigenschappen? Wat vind ik leuk? Waar ben ik goed in? Ben ik wel ergens goed in? Ik kon wel antwoord geven op deze vragen, alleen waren de antwoorden vooral gebaseerd op wat ik dacht dat anderen zouden willen dat ik zou zijn, leuk zou vinden, of goed in zou zijn. Dit alles vond ik super verwarrend.

Don't change who you are to please others. Be yourself and choose people that choose you.
(Afbeelding van Pinterest zonder duidelijke bron)


Dankzij een klinische behandeling voor jongeren met complexe problematiek (naast bovenstaande had ik immers ook last van o.a. depressies, suïcidaliteit, c-ptss en persoonlijkheids-problematiek), kwam ik erachter dat ik mezelf was kwijtgeraakt door het aanpassen aan anderen. Doordat ik 24/7 in de kliniek verbleef en een intensief therapieprogramma volgde, konden (socio-)therapeuten mij lange tijd observeren. Aan het begin van mijn behandeling raakte ik als ik een evaluatie te lezen kreeg over mijn behandelvoortgang, intens verdrietig en voelde ik mij eenzaam. Ik gaf dan ook steeds aan “dit gaat niet over mij”, maar kon het verder niet uitleggen omdat ik zelf ook niet begreep waarom. Halverwege mijn behandeling kwamen de therapeuten tot de conclusie dat ik een bepaald beeld van mezelf neerzette. Toen mij dit voorgelegd werd, raakte ik in paniek. Ik probeerde zo erg een ‘perfecte cliënt’ te zijn, dat toen zei dit zeiden ik eigenlijk hoorde:
‘je doet wel alsof je een goede cliënt bent, maar eigenlijk doe je alsof en doe je het dus helemaal niet goed’. Een vertaling door de Dictator dus. Herken je zijn stem al een beetje?
Eigenlijk bedoelden de therapeuten dat ik me zo erg probeerde te voegen naar wat anderen van mij zouden willen zien, dat ik niet mezelf was; ik wist überhaupt niet meer hoe dit moest. Tegen het einde van mijn behandeling ging ik het pas een beetje begrijpen, ook al heerste er nog steeds paniek. Ik weet nog goed dat een therapeut tijdens een psychodrama therapie tegen mij zei: “Jij hebt de regie over jouw leven”. Ik schrok ontzettend, want ik dacht serieus altijd dat ik moest doen wat anderen van mij wilden. Het idee dat ik mijn leven zelf mocht bepalen voelde niet eens bevrijdend, maar vooral angstaanjagend. Hoe moest ik dan weten of ik het wel goed zou doen? (Spoiler: later zou de Dictator hier wel invulling aan gaan geven.)
Ook weet ik nog dat ik tijdens een individuele therapiesessie (ik had voornamelijk groepstherapie), ik huilend aan mijn therapeut vertelde dat het voelde alsof iedereen op de wereld een script had waarin staat wat zij moeten doen en dat ik de enige ben zonder script en het zelf moet uitzoeken. De ultieme eye-opener voor mij was het besef dat iedereen ‘eigenlijk maar wat doet’. Dat niemand een script heeft en iedereen doet wat hij zelf denkt dat goed is of wat hij of zij zelf wil. Dat niemand dus zeker weet of ze het wel goed doen, want dat bepalen ze zelf. Een heel erg bizar idee vond ik dat, waar ik lang aan moest wennen.

De invloed van de Dictator in het hier-en-nu

Casette band met daarop de tekst: 'Songs to listen to while you reflect on every awful, awful descision you've ever made throughout your terrible life.'
Mogelijke mixtape door mijn Dictator, voor mij. Wat attent.

Het heeft dus lang geduurd voordat ik mij überhaupt bewust werd van de Dictator in mijn hoofd. Ik had geen idee dat ik een slecht zelfbeeld had, want het was voor mij immers de waarheid dat ik niet zoveel waard was. Anderen die zeiden van niet, zeiden dit naar mijn idee alleen maar om aardig voor mij te zijn. Inmiddels ben ik mij wel degelijk bewust van de Dictator, al blijft het lastig om hem niet meer te geloven en om minder naar hem te luisteren. Als ik slecht in mijn vel zit, lijkt het wel alsof de Dictator een megafoon heeft en ‘met liefde’ overuren maakt; ik ben dan minder weerbaar en grijpt hij zijn kans om de macht weer te grijpen.

Als ik terugkijk merk ik dat de Dictator mijn leven lang ontzettend veel invloed heeft uitgeoefend. Op de middelbare school merkte ik (ondanks de Dictator) dat ik zingen en acteren heel erg leuk vond. Het was voor mij een enorme uitlaatklep; even iemand anders zijn en ontsnappen aan mijn eigen leven. Sommige mensen vonden mij zelfs goed genoeg om daar iets meer mee te gaan doen. Zo groeide langzaam de wens om auditie te gaan doen voor de kleinkunstacademie; een soort theateropleiding waar je verschillende disciplines leert om artiest te kunnen worden waaronder dus ook acteren en zingen. Uiteindelijk besloot ik dit na veel overwegen niet te doen. Ik was al doodsbang voor de toelatings-auditie. En reëel gezien staat het leven van een artiest bekend om dat je constant moet auditeren en vaak (pittige) kritiek te verduren krijgt. Ik had in mijn hoofd al mijn eigen kritische, zure recensent, hoe moest ik de kritiek van anderen daar nog eens bovenop kunnen handelen? Nee, het onzekere leven als artiest was niet aan mij besteed.

Later besloot ik dat ik met mensen wilde werken. Het jarenlang volgen van therapie, maar ook de Dictator hebben mij namelijk een sterk zelfreflectievermogen gegeven, een gevoeligheid voor sfeer en de vaardigheid om op anderen te kunnen afstemmen. Ook leek het mij mooi dat ik de heftige dingen die ik meemaakte zoals de suïcide van mijn broer, het overlijden van mijn moeder en de psychische problemen die ik heb gehad, zou kunnen omzetten in iets positiefs door (o.a.) met deze ervaringen andere mensen te helpen. Ook kwam ik erachter tijdens de klinische behandeling, dat ik mij per ongeluk al ging gedragen als een van de sociotherapeuten (groepsgenoten al helpen voordat de sociotherapeuten dat hebben kunnen doen) en dat dit mij (volgens de socio’s) niet misstond. Ik bleek ook een soort moederrol in de groep te hebben: een jonger groepsgenoot noemde mij zelfs eens per ongeluk ‘mama’, ik werd vaak gekozen voor de rol van iemands moeder tijdens psychodrama en sommige groepsgenoten kwamen naar mij toe om advies te vragen en te spuien.

Zoals jullie misschien wel weten ben ik daadwerkelijk hulpverlener geworden toen ik afgelopen zomer afstudeerde van de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening. Deels bewust en deels noodzakelijk ben ik nog niet aan het werk gegaan als hulpverlener: ik kreeg burn-out klachten zoals angst- en paniekklachten, vermoeidheid en vage lichamelijke klachten t.g.v. stress (SOLK). Verder omdat ik weet dat ik niet voldoende hersteld ben om mij volledig op het bijdragen aan het herstel van anderen te richten. Tijdens stages raakte ik zo uitgeput, terwijl ik hetzelfde werk deed als anderen die minder uitgeput raakte dan ik. Natuurlijk labelde de Dictator dit als ‘lui’ zijn en dat ik het allemaal niet zo goed kan als dat zij kunnen, maar vanuit mijn gezonde volwassene besefte ik mij uiteindelijk dat ik zo ontzettend veel energie stopte in mezelf bekritiseren, dat ik meer energie kwijtraakte aan het (faal-)angstig en onzeker zijn, dan aan het doen van het werk zelf. Mijn stagebegeleiders gaven altijd terug dat ik minder bescheiden mag zijn en mijn kwaliteiten wat meer mag profileren. Ook dat ik moet zorgen dat ik wat krachtiger overkom, dus minder kwetsbaar.

Tijdens stages heb ik deze dingen al iets meer geleerd te doen; ik heb immers niet alleen mijn laatste stage gehaald, maar ook mijn diploma. Toch merk ik dat de Dictator nog te veel aanwezig is om goed te kunnen functioneren tijdens werk en ik nu niet voor niets al burn-out klachten heb gekregen voordat ik überhaupt ben gestart met mijn eerste serieuze baan. Het is ook niet helemaal gezond dat ik tijdens stages zo ontzettend opzag tegen (lunch-)pauzes omdat ik dan met collega’s moet socializen, dat ik dan ga zweten, buikpijn krijg en duizelig/misselijk word. Op momenten die bedoeld waren voor ontspanning was ik dus juist gespannen door de sociale faalangst.
Het voeren van intake-gesprekken vond ik ook leuk/interessant, al was ik altijd erg zenuwachtig en was ik achteraf altijd bang dat ik het niet goed had gedaan. Op zulke momenten vroeg ik me dan ook af waarom ik ook alweer met mensen wilde werken… Later kon ik dan weer bedenken, dat ondanks mijn angst en onzekerheid, het werken met mensen mij ook goed afging en dat ik wel degelijk een bekwame hulpverlener ben. Niet alleen (stage-)docenten, maar ook collega’s en cliënten hebben mij dit teruggeven. Jammer alleen dat het zoveel angst en stress oplevert wat mij in de weg zit, dus goed om wat te gaan doen aan die angst en onzekerheid zodat ik nog meer aandacht heb voor mijn werk en cliënten en minder aandacht voor onnodige zelfreflectie.

Leven zonder Dictator

Op dit moment ben ik in therapie hard aan het werk om wat te doen aan mijn angsten en mijn negatieve zelfbeeld. Ze zorgen er nu namelijk voor dat het niet goed lukt een (vrijwilligers-)werkplek te vinden om langzaam te kunnen opbouwen en te re-integreren als starter. Een baan kunnen volhouden is namelijk ook één van mijn laatste therapiedoelen, gezien ik met werk graag meer invulling zou willen geven aan mijn leven, zonder steeds op te branden. Een in eerste opzicht reëel therapiedoel gezien ik in ieder geval al een hbo-diploma heb kunnen halen, maar een lastig doel vanwege de Dictator.
Positief is dat ik dat Dictator steeds vaker zó erg zat ben, terwijl ik vroeger niet eens zo veel ‘last’ van hem had omdat ik hem beschouwde als helper; hij hielp mij immers een beter mens te worden. Ik zie hem nu eerder als brenger van ongeluk, verdriet en onzekerheid; iemand die mijn hele leven lang mij beperkt en mij leuke dingen ontneemt. Ik ben bijvoorbeeld een midweek op vakantie geweest met mijn vriend, zijn beste vriend en diens vriendin. Deze vakantie was ik zo druk met mij druk maken of ik wel leuk gezelschap was en geen zeikerd (vanwege mijn paniekklachten), dat ik erg stressvolle dagen heb gehad en achteraf negatief op de vakantie terugkijk omdat de Dictator besloot bij thuiskomst de momenten uit te vergroten waarop anderen mij misschien lastig, vervelend of irritant hebben vonden. (Terwijl dit misschien helemaal niet aan de hand was.)

Imagine if we obsessed about the things we loved about ourselves.

Gezien mijn therapeut binnenkort een aantal weken met zomervakantie gaat en mijn Dictator de laatste weken heel erg veel aanwezig is, vroeg ik haar of zij iets praktisch weet om (sneller) een beter zelfbeeld te krijgen. Ze raadde mij een zelfhulpboek aan genaamd ‘Negatief zelfbeeld’ door Manja de Neef. Het is een boek waar je structureel oefeningen in kunt doen, die zullen helpen om de gewoonten en gedachten rondom een negatief zelfbeeld langzaam af te leren. Ik ga na het schrijven van deze blog beginnen in dit boek en ben erg benieuwd.


Toch moet ik niet alleen de Dictator minder macht geven, maar ook mijn omgeving. Op de één of andere manier hecht ik nog zoveel waarde aan wat anderen denken en vinden, dat ik soms nog steeds wel eens kwijt raak wat nou mijn eigen normen en waarden en zijn en wat de normen en waarden van een ander zijn. Voorbeeld: op dit moment zit ik thuis zonder werk. Ook al ben ik actief op zoek naar vrijwilligerswerk, ik voel dat sommige mensen in mijn omgeving soms wel een beetje oordelen over dat ik zoveel thuis ben. Ik wil dan zo graag anderen duidelijk maken dat het geen keuze is, maar noodzaak; dat ik echt niet anders kan. Terwijl; wie ben ik verantwoording verplicht? Ik weet zelf wat goed voor mij is en vrienden en familie zouden mij goed genoeg moeten kennen om te bedenken dat ik niet anders kan en wel degelijk een harde werker ben ondanks al mijn klachten. Echte vrienden (en familie eigenlijk ook), zouden juist steunend en begripvol moeten zijn. Ook zouden ze kunnen bedenken dat ik ook zonder werk wel degelijk invulling aan mijn leven kan geven, dus dat ze (naast werk) ook interesse zouden kunnen tonen in hoe het gaat met mij en mijn hobby’s en of het opknappen van ons appartement allemaal lukt. Ik merk nu dat sommige mensen helemaal niets aan mij (durven) vragen, waardoor ik mij nog meer alleen voel in mijn situatie. Natuurlijk is dit niet allemaal de schuld van mijn omgeving (niemand heeft schuld), maar heb ik zelf ook een aandeel in hoe anderen mij bejegenen. Ik heb immers last van zelfstigma, wat soms kan leiden tot een ‘selffulfilling prophecy’; dat anderen de negatieve dingen over mezelf ook gaan geloven omdat ik mij er een beetje naar ga gedragen.

Ik ben dus constant in gevecht met mijn dictator en dus met mezelf. Zo bijvoorbeeld ook over muziek maken. Sinds de middelbare school mis ik het om op te treden. Daar deed ik immers aan schooltoneelvoorstellingen en trad ik op zodra er een muziekavond georganiseerd werd. Na de middelbare school ben ik zo nu en dan zanglessen blijven volgen. Niet alleen omdat ik in de loop der jaren een goede band heb gekregen met mijn zangdocente, maar ook omdat zingen nog steeds iets is wat ik leuk vind ondanks dat ik er een haat-liefde-verhouding mee heb. Deze wordt veroorzaakt door de Dictator die mij blijft voorhouden dat ik beter kan stoppen met zingen/muziek maken en al helemaal met optreden, omdat ik toch niet goed (genoeg) ben.
Wanneer ik de Dictator heb genegeerd en toch heb opgetreden, ben ik zo gefocust op de reacties van mijn omgeving, dat het voelt alsof ik een zesde zintuig heb ontwikkeld waarmee ik aan mensen hun gezicht of uitspraken denk te zien of horen wanneer iemand het niet goed of niet leuk vond. Natuurlijk heb ik geen zesde zintuig en is het de Dictator die alles negatief kleurt of al het negatieve eruit filtert. Dit heeft er mede voor gezorgd dat ik stopte als zangeres bij mijn bandje en überhaupt stopte met zingen/muziek maken. Tot ik kort geleden besloot dat ik mij niet wil laten tegenhouden door die klootzak van een Dictator. Dat ik wil optreden en muziek maken omdat ik het leuk vind en niet omdat ik het wel of niet goed kan. Inmiddels heb ik mij opgegeven om in september een half uur lang bij een evenement op te treden. Alleen ik en mijn gitaar. Ondertussen heb ik al 100 keer spijt gehad en gehuild van ellende (door de Dictator dus), maar het is iets wat ik wil overwinnen omdat ik dit mezelf anders weer misgun en mezelf dingen blijf misgunnen…


Mijn therapeut gaf afgelopen week aan: ‘Het zal erg lang duren voordat je geen last meer zult hebben van je Dictator. Hij is immers zo lang al onderdeel van je leven. Misschien kom je ook nooit helemaal van hem af, maar het is zeker mogelijk om hem minder macht te geven!’

Hij is immers ergens ook nuttig; o.a. dankzij hem heb ik een sterk ontwikkeld reflectievermogen waar ik niet alleen tijdens therapie, maar ook tijdens mijn studie veel aan gehad heb. Hij is alleen op dit moment niet gezond voor mij. De dictator moet minder macht krijgen en dus afgezet worden. In de toekomst zal hij uiteindelijk een duidelijk afgebakende functie krijgen, waarin ik zelf bepaal hoe hij kan bijdragen aan zelfreflectie, zonder dat hij de totale macht grijpt.
Een gehoorzame en milde Dictator. Het klinkt onmogelijk. Het zal in dat geval dan denk ik ook tijd worden om zijn naam te veranderen…

Een liedje van Yentl en De Boer, die hun dictator ‘de slechte raadgever’ noemen.
“Bang voor wat er gebeurt, als ik dat mannetje laat gaan…”



Psychiatrisch patiënt studeert voor hulpverlener

Zo luidt de titel van het interview over mij en mijn blog in de Folia. De voorpagina van het magazine was duidelijk niet gemaakt door de interviewster. Tijdens het interview hadden we het over de missie van mijn website: het verminderen van stigma over psychische problemen. De zin op het voorblad leek die boodschap juist tegen te spreken; het kwam nogal bot over. Ik ben al jaren niet meer opgenomen geweest en dus al een tijd geen psychiatrisch patiënt meer. De enige die mij nu nog cliënt noemt – niet direct natuurlijk – is een vrijgevestigde psychotherapeut. Ik probeer juist heel erg mezelf niet meer te zien als cliënt of patiënt, maar als Lyka: dochter, vriendin en bijna hulpverlener. In dit artikel wil ik uiteenzetten hoe het is om te studeren voor hulpverlener, terwijl ik zelf nog hulpverlening nodig heb.

Cliënt carrière
Vanaf mijn 14e tot en met mijn 26e ben ik bijna non-stop in therapie geweest. De oplettende lezer heeft het al door: juist, ik ben nu 26 jaar oud en dus al 12 jaar in therapie. De korte periode bij een kinderpsychiater toen ik 6 jaar was, hierbij niet meegeteld. In al die tijd is er maar een periode van 4 maanden geweest waarin ik geen therapie had; een periode waarop ik het zonder wilde proberen. Al gauw bleek dat ik daar nog niet klaar voor was: het ‘uit therapie gaan’. Wel is het nog steeds mijn doel, vandaar ook de naam van mijn website en blog.

under-construction-2Vanaf kleins af aan zijn er dingen in mijn leven gebeurd (in vaktermen: life-events) die een grote impact hadden op mij en mijn directe omgeving. Deze gebeurtenissen hebben mij  gevormd tot wie ik nu ben. Daarbij horen o.a. enkele copingsmechanismen die ik toentertijd nodig had om te overleven, maar mij nu helaas juist belemmeren in mijn leven. Een vraag die ik wel eens voorbij hoor komen: waarom maakt de één nare dingen mee en kan diegene gelukkig verder leven, terwijl de ander psychisch ziek wordt en zich vervolgens door het leven heen moet ploeteren? Door mijn opleiding weet ik dat het te maken kan hebben met erfelijke aanleg of met aangeboren temperament wat je gevoeliger kan maken voor het ontwikkelen van psychische ziekten. Zo heb ik met mijn  persoonlijkheidskenmerk ‘perfectionisme’, statistisch gezien meer kans op het ontwikkelen van een depressie, burn-out en/of misschien wel een eetstoornis. Daarnaast denk ik dat het ook te maken kan hebben met omgevingsfactoren; een warm nest had mij denk ik beter kunnen ondersteunen in zware tijden, dan een afstandelijk nest dat het eigenlijk zelf ook niet zo goed weet door eigen moeilijkheden.
Of iemand anders niet ziek geworden zou zijn door hetzelfde meegemaakt te hebben als ik, is moeilijk te achterhalen. Psychische ziekten komen namelijk in mijn familie vaker voor dan alleen bij mij.

De reden dat ik op het moment nog steeds hulpverlening nodig heb?
Een oud-therapeute legde het als volgt uit: “Je hebt je leven lang jezelf aangeleerd om te dealen met bepaalde situaties; je hebt copingsmechanismen ontwikkeld. Deze mechanismen waren destijds nodig om deze periodes te kunnen ‘overleven’, maar zijn nu juist belemmerend geworden in je leven omdat de situatie van toen inmiddels anders is. Het aanleren van deze mechanismen hebben jaren geduurd, dus je kunt verwachten dat het afleren van deze mechanismen ook flink wat jaren nodig zal hebben.”

Hulpverlener carrière
carl-jung-quoteEind juni dit jaar heb ik – als ik niet nog meer vertraging oploop – mijn derdejaarsstage afgerond en hoef ik alleen nog maar mijn vierdejaarsscriptie te doen. In de zomer van 2018 zal ik dan eindelijk afgestudeerd zijn en mag ik mezelf officieel hulpverlener (SPH’er) noemen.
Nog steeds is mijn identiteit als hulpverlener een zoektocht. Dit hoort natuurlijk bij de opleiding en je beroepsontwikkeling als student. Bij mij heeft het echter ook te maken met het feit dat ik zelf altijd nog in therapie ben geweest tijdens mijn opleiding. Dit maakte dat ik wel eens last had van rol verwarring. Denk aan rollenspellen moeten doen, terwijl je nog een voltijd dagbehandeling volgt en van college naar therapie vliegt en andersom. Om even een beeld te schetsen: 11:00 uur was ik patiënt en groepsgenoot bij de dagopening, om 13:00 uur was ik hulpverlener in een rollenspel bij het vak gespreksvaardigheden, om 15:00 uur weer moeder van een groepsgenoot te spelen bij de therapie psychodrama.
Toen ik mijn eerste derdejaarsstage ging lopen had ik ook last van rol verwarring in contact met mijn therapeute. Op stage kreeg ik steeds leuker contact met collega-hulpverleners en ook buiten werktijden kreeg ik wel eens lift naar het busstation waarbij een behandelaar wat vertelde over haar privéleven. Tijdens mijn therapie zat ik dan weer tegenover een behandelaar, de mijne, die helemaal niets loslaat over haar privéleven en verwacht dat ik vooral over mezelf praat. Hierdoor voelde ik me in een patiënten-/cliënten rol gedrukt, terwijl het op stage steeds meer lukte om mezelf als hulpverlener te gaan zien. Inmiddels heb ik hier in therapie nog maar weinig last van. Het helpt dat mijn psychotherapeute mij naast als cliënt, ook benadert als een mede-hulpverlener; ze vraagt eerst of ik een begrip ken voordat ze een hele uitleg geeft en we kunnen praten in vaktermen. Dit vind ik erg fijn en niet alleen bevorderlijk voor de behandelrelatie, maar ook voor mijn herstel.

Een andere moeilijkheid tijdens mijn studie is altijd geweest: wat vertel ik wel en wat vertel ik niet?
Toen ik net begon met mijn studie voelde ik dat er zo goed als geen ruimte was voor eigen ervaringen. Vaak heb ik in een college gezeten waar ik redelijk wat aan kennis had kunnen aanvullen bij de aangeboden stof vanuit mijn eigen ervaring, maar heb altijd stilzwijgend aangehoord wat ik al wist of waar ik een nuance in aan had kunnen brengen. Dat klinkt misschien arrogant (vooral voor iemand die in therapie werkt aan een beter zelfbeeld), maar ik had me bijvoorbeeld voor mijn studie al veel ingelezen over mijn eigen diagnoses en daarmee al heel wat theoretische kennis opgedaan met betrekking tot psychopathologie. Een ander voorbeeld: meerdere keren heb ik geluisterd naar een ervaringsdeskundige die in de les zijn/haar ervaringsverhaal kwam vertellen, terwijl ik met een soortgelijk ervaringsverhaal zat te luisteren en te acteren alsof horen over bijv. een crisisopname ook voor mij nieuw was. Ik had de angst dat als ik zou vertellen dat ik zelf psychisch ziek ben en redelijk wat ervaring heb met behandelingen in de GGZ, docenten en medestudenten mij als incompetent zouden zien als hulpverlener. Je moet immers zelf helemaal psychisch gezond zijn om hulpverlener te kunnen zijn, heerst het idee.
Gedurende mijn studie heb ik veel last (gehad) van zelfstigma;
ik heb vaak de angst dat ik nooit een goede hulpverlener kan zijn omdat het mij nooit zal lukken volledig te herstellen. Ook vul ik soms in voor anderen (collega’s, medestudenten en directe omgeving), dat zij mij meer zien als cliënt/patiënt dan hulpverlener als ik vertel over mijn ervaring(-skennis).

Wat is zelfstigma?
“Bijna de helft van mensen met een psychische aandoening lijdt onder zelfstigma. Je vindt zelf dat je geen knip voor de neus waard bent vanwege je aandoening. Of je vindt vooroordelen van anderen over jou terecht.

Als je je bewust bent van je eigen stigma’s kun je hieraan werken om dat te verbeteren en er minder last van te hebben. Het kan je zelfbeeld in gunstige zin bevorderen.
Zelfstigma is meestal een proces van jaren. Klachten ontstaan vaak in de prille jeugd in familiekring. Je voelt je bijvoorbeeld thuis of op school afgewezen, wordt niet betrokken bij gesprekken. Dit leidt regelmatig tot angst voor sociale situaties. Ook nog jaren later. Als je psychische aandoening stelselmatig is onderkend, maakt je dat gevoeliger voor zelfstigma”

Bron: Samen sterk zonder stigma

Afgezien van zelfstigma, heb ik ervaren dat er binnen de opleiding ook daadwerkelijk weinig ruimte was voor de eigen ervaring van studenten. Dat terwijl je regelmatig hoort dat een groot aantal studenten SPH gaan studeren omdat zij zelf of in hun omgeving te maken hebben gehad met psychische ziekten. Gelukkig lijkt hier verandering in te komen!

Lyka, hulpverlener en slechts nog een beetje ziek
broken-objectsHet is mijn persoonlijke leerdoel tijdens de resterende tijd van mijn studie om mijn twee identiteiten: hulpverlener en cliënt, niet los van elkaar te zien, maar dat zij samenkomen als geheel. De leerlijn om ervaringskennis te ontwikkelen die mijn opleiding sinds kort aanbiedt, helpt mij daarbij! Als ik afstudeer, ben ik dankzij deze leerlijn niet alleen SPH’er, maar ook ervaringsdeskundige. Het hielp ook ontzettend dat mijn docenten van de vierdejaars minor vorig jaar aan zelfonthulling hebben gedaan: het bleek dat ook zij hulpverlener zijn met eigen ervaring in de GGZ. Het kan en mag dus! Ook ontkracht het mijn angst: deze mensen hebben nog steeds in enige mate last van psychische problematiek, maar zijn toch competent als hulpverlener én docent.
Zo helpt ook het op Twitter volgen van hulpverleners als Menno Oosterhoff, Remke van Staveren en Clara Koek-Michels voor mij om deze angst te ontkrachten. Deze mensen zijn voor mij ook een inspiratie en voorbeeld omdat zij in de (social) media openlijk uitkomen voor hun diagnose, maar daarnaast ook tweeten als enige andere deskundige psychiater. Daarmee dragen zij bij aan het doorbreken van het taboe en het stigma.

Ik moet zeggen, mijn herstel duurt dan wel lang, maar het komt steeds dichterbij: ik heb ontzettend veel stappen gezet sinds mijn eerste behandeling en kan nu al zeggen dat ik van ver ben gekomen. Ook in het ontwikkelen van mijn beroepsidentiteit zit schot: ik weet in ieder geval dat ik mijn eigen ervaring niet meer bij mij wil dragen als geheim, terwijl ik het ook kan inzetten om toekomstige cliënten te helpen. Op mijn (tweede derdejaars) stage ben ik daar al mee begonnen: ik loop op het moment stage in de GGZ jeugdpreventie (van angst en depressie) en werk o.a. met kinderen van ouders met psychische problematiek (KOPP-kinderen genoemd). Tegen mijn collega’s ben ik beetje bij beetje steeds opener over mijn eigen ervaring. Gelukkig zien ook zij het als meerwaarde en stimuleren zij mij juist om mijn ervaring in te zetten tijdens de preventiecursussen. Het bewijs is een super lieve kerstkaart dat ik kreeg met de tekst: “We zijn zo blij dat je bij ons stage bent komen lopen. Door je persoonlijke, verdrietige, verhaal, kun jij onze kinderen juist veel kracht bieden!” Dan heb je toch een top stageplek getroffen?!?!

Zelf merk ik dat ik door mijn ervaring een sterk analytisch vermogen heb; observeren en signaleren zijn sterke kanten van mij. Door de scherp afgestelde antennes die ik vroeger nodig had om de sfeer in huis aan te voelen en me zo nodig terug te trekken, voel ik nu (op stage) sneller aan wie in een groep zich niet goed voelen of zich anders gedragen. Ook trekken de stille- en teruggetrokken kinderen sneller naar mij toe dan naar sommige andere collega’s, omdat zij het waarschijnlijk als prettig ervaren dat ik zelf ook introvert ben en stil/rustig overkom. Zo is het voorgekomen dat kinderen die bijna nooit wat zeggen, wel met mij ineens een gesprek aangaan. Ook zie ik de stille kindjes minder snel over het hoofd dan collega’s; ik was immers zelf ook een stil- en teruggetrokken kind, dus ik herken bijvoorbeeld dat zij zich onzichtbaar kunnen maken in een groep.
Best wel toffe voordelen van zelf een moeilijke thuissituatie te hebben gehad, toch?
Toch zal ik realistisch moeten blijven kijken naar mijn gezondheid en functioneren; ik heb niet voor niets vertraging opgelopen tijdens mijn studie. Het volgen van een opleiding is door het ziek zijn erg zwaar. De mogelijkheid dat ik door mijn gezondheid (nog) niet in staat ben te werken na mijn studie, moet ik helaas in mijn achterhoofd houden…

depressiegala-foto

Morgen is het Depressiegala. Een evenement waar ik vorig jaar aanwezig was terwijl ik mijn diagnose (zware, chronische depressie) met mij meesleepte. Dit jaar ben ik aanwezig zonder zware depressie, dus de enige vorm van slepen dat je morgen zal kunnen zien, zal de sleep zijn van mijn galajurk. Mocht je mij morgen spotten (met mijn vriendlief), kom gerust gedag zeggen! Je kunt mij herkennen aan de glimlach op het gezicht.

depressiegala

De dictator in mijn hoofd

Na talloze beginsels van nieuwe schrijfsels te hebben weggestopt in het conceptmapje, besluit ik nu een nieuwe poging te doen. Schrijven over hetgeen dat er op het moment (naast de depressie) voor zorgt dat het schrijven (en het dagelijks leven) niet wil lukken: de dictator in mijn hoofd. Hier volgt een verslag van mijn dag om een beeld van hem te kunnen schetsen.

De ochtend
Toen ik vanmorgen wakker werd, was het nog rustig. Het was even spannend toen ik vannacht naar de WC ging, want zodra de dictator ontwaakt begint hij gelijk hele verhalen. Heel irritant en moeilijk te behappen zo op de vroege ochtend zonder mijn eerste kop koffie. Dit keer lukte het gelukkig zonder hem wakker te maken, waardoor ik weer snel in slaap viel en redelijk wat slaap wist te pakken. Niet zoveel als ik zou willen helaas, want het in slaap vallen ging gisterenavond moeizaam. De dictator was op dreef en was niet zo aardig tegen me. Opmerkelijk, voor een dictator.
“Het wil niet zo vlotten met je scriptie, hè? Je hebt je plan van aanpak nog niet eens ingeleverd en de deadline is al geweest. O ja, dat doet me er aan denken dat je dat tentamen van je minor ook nog moet herkansen. Misschien is de deadline voor die herkansing zelfs ook al geweest. Wanneer heb je trouwens voor het laatst een les bijgewoond? Misschien mag je nu de lessen wel niet eens meer bijwonen omdat je te vaak afwezig bent geweest. Heb je daar al over nagedacht?”
Inmiddels dus wel. Dank je wel dictator. Trouwens, als je het niet heel erg vind: ik probeer namelijk te slapen.

“Ja zeg. Het is voor je eigen bestwil hè! Jij wil toch hulpverlener worden? Hoe gaat dat je ooit lukken als het je niet eens lukt om een college bij te wonen?! Door zo’n hulpverlener zou ik als cliënt niet geholpen willen worden hoor. Heb ik straks een afspraak, ligt mijn hulpverlener depressief in bed. Nou, klaar ben je als cliënt. Je klasgenoten en docenten nemen je nu vast ook niet meer serieus nu ze je zo meemaken. Die denken vast ‘nou, ze vertelde wel dat ze het een en ander heeft meegemaakt en die ervaring zou in principe goed ingezet kunnen worden in de beroepspraktijk, maar nu ik weet dat ze nu nog steeds ziek is vind ik het onverantwoord haar nog op te leiden tot hulpverlener. Hoe wil ze anderen gaan helpen als ze haar bed niet uit kan komen?’.”
‘Hou op.’, zei ik hardop. ‘Huh?’, mompelde mijn vriend slaperig. ‘Niks’, mompelde ik terug. Stilte. Eindelijk.
“Je moet wel zorgen dat je nu toch wel eens in slaap gaat vallen, want je hebt morgen een lange dag voor de boeg. Eerst therapie, dan school… Hoe laat heb je eigenlijk therapie?”
Weet ik niet, was ik vergeten op te schrijven kwam ik vanavond achter dus heb mijn therapeute gemaild.
“Jezus, val je dat mens nu al weer lastig met een mail? Hoeveel mails heb je nu wel niet gestuurd de laatste maand?!”
Ja goed, meer dan normaal, maar dat was deze maand toevallig wat meer nodig. Bovendien stuur ik netjes een mail en geen SMS, want straks heeft ze geen werktelefoon en stoor ik haar ’s avonds laat met haar werk.
“Nou poeh, poeh, netjes hoor. Als je gewoon je afspraak goed in je agenda had geschreven, had je haar helemaal niet hoeven storen.”
Goed. Als jij het zegt.
“Oké, als dat jouw houding is. Arme vrouw. Arme vorige therapeuten trouwens die met jou als cliënt zaten opgescheept. Die zijn vast nog steeds opgelucht dat ze van je af zijn… als ze inmiddels zelf niet in therapie zitten.”
‘Stop.’, zei ik hardop. Ik wil slapen, zei ik niet hardop. Mijn vriend legt ondertussen half slapend, maar toch liefdevol zijn hand op mijn bovenarm.
“Je houdt nu zelfs je vriend wakker die straks om 6:00 uur de deur uit moet om de hele dag hard te werken en mensen te verplegen in de psychiatrie. En wat voer jij nou uit in een week? Noem überhaupt maar eens iemand die jij hebt verzorgt of geholpen de afgelopen maand? Ik wed dat je helemaal niets op kunt noemen.”
‘Hou je kut kop!’, mompel ik nijdig en schrik van mijn eigen gevloek. Voorheen vloekte ik heel zelden, maar het lijkt de laatste tijd met een vaart toe te nemen.
‘Het gaat echt niet hè?’, vraagt mijn vriend, die nu inderdaad wakker is. Fuck.
‘Nee.’
‘Dan ga je toch nog even gamen?’
‘Daar raakte ik vanmiddag alleen maar gefrustreerd van.’
‘Doe je toch dat andere spel?’
‘Ga ik doen inderdaad. Je bent lief, ga maar weer slapen.’

Terwijl ik de playstation aanzet, hoor ik de dictator afdruipen. Hij heeft een hekel aan gamen en vindt het maar kinderachtig en zinloos tijdverdrijf. Tijd waarin ik iets nuttigs had kunnen doen. Ik ben het ergens met hem eens, maar sinds mijn vriend zichzelf met kerst een playstation 4 cadeau deed, is het tot nu toe de enige manier die ik heb kunnen vinden om de dictator stil te krijgen.
“Je had er ook voor kunnen kiezen om eens een studieboek te lezen of aan je scriptie te werken.”
Ja, dank je wel voor je input dictator. Ik ben Far Cry 4 al aan het opstarten. Wil je weten wat voor missie ik ga doen? En weg is hij.

Na een kop koffie is het tijd om richting therapie te vertrekken. Mijn therapeute had inmiddels gesmst dat de afspraak om 11:00 uur zou zijn. Toen bleek dat ik 30 minuten ruimer had ingeschat dan het in realiteit zijn en daardoor te laat bij therapie aankwam, merkte ik dat de dictator inmiddels ook was opgestart. Bij aanvang vroeg de therapeute of ik iets wilde drinken. Ik sloeg het aanbod af. Vervolgens merkte ik bij het praten aan de pijn en mijn hese stem, dat ik toch wel meer last had van keelpijn dan ik dacht (een gevolg  van de dagelijkse, soms ook “vocale”, huilbuien).
‘Sorry, ik heb best wel veel last van mijn keel.’
‘Wil je dan toch niet wat water drinken?’
‘Ja, sorry.’
“Zeg dan gelijk dat je wat wil drinken stomme trut. Nu moet ze het weer helemaal gaan halen.”

Desondanks was het in dit geval niet heel erg dat de dictator weer in vorm begon te raken, want tijdens de therapie hebben we het er toch onder andere over gehad hoe ik de dictator minder de ruimte kan geven. Het tegenspreken begon aardig te lukken, maar de afgelopen twee weken leek de dictator wel gas te hebben bijgezet.

De middag
Onderweg naar huis belde mijn vriend op tijdens zijn lunchpauze om te vragen hoe therapie is gegaan. Ik zag namelijk erg tegen de afspraak op en was bang een huilbui te krijgen, aangezien ik al ander halve week elke dag 1 huilbui of meer heb gehad. Nu is huilen bij therapie wel vervelend, maar niet zo heel erg (de dictator vindt van wel), ware het niet dat ik op een gegeven moment ook weer moet kunnen stoppen omdat de volgende cliënt zit te wachten en ik vervolgens met een betraande plofkop over straat moet in het drukke centrum.
Uiteindelijk dus geen huilbui gehad, dat scheelt. Slechts een paar tranen gelaten en redelijk uit mijn woorden kunnen komen op een kleine black-out na.
“Jankerd.”
Bemoei je er niet mee! Zie je? Ik blijf het tegenspreken in ieder geval proberen.
“Wat wil je ervoor? Een medaille?”
Juist. Negeren dan maar.

‘Ik ga maar niet naar school vandaag. Merk dat ik nu alweer erg moe ben en zo in slaap kan vallen. Bovendien ben ik bang dat ik op school een huilbui ga krijgen, dus ik duik zo mijn bed maar weer in’, vertel ik mijn vriend.
‘Snap ik. Doe je goed.’, zegt hij begripvol.
“Lui varken”, oordeelt de dictator.

Terwijl ik inmiddels uitgeteld op bed lag, leek de dictator energie voor tien te hebben. Ik voorzag dat als ik zou gaan proberen te slapen dat óf de dictator me wederom wakker zou houden, óf dat behalve ik, ook de dictator na het middagdutje meer energie zou hebben en mij vannacht wéér wakker zou houden.
Dan maar mezelf wakker en de dictator gedeisd houden; weer gaan gamen.

De avond
Zelfs de dictator lijkt nu toch ook moe te zijn. Niet gek, aangezien hij zelf ook niet heel veel slaap heeft gekregen. Toen ik na het gamen om 00:30 uur weer een poging deed om te gaan slapen, was hij alweer van de partij. Op de momenten dat ik probeer te slapen is hij trouwens ook echt op zijn best. Wellicht is hij nu dan ook zijn energie aan het opsparen om zo direct weer los te gaan.

Tijdens het schrijven is hij natuurlijk ook van de partij geweest. Het heeft niet voor niets 3 uur geduurd voordat het eindelijk af was. Die dictator. Wat zou ik graag van hem af willen. Toch weet ik dat hij ergens ook een waardevolle functie heeft. Jezelf kunnen bekritiseren is op zich een gezonde en wenselijke kwaliteit. Zodra die kritische stem alles behalve mild is, een eigen leven gaat leiden en al een leven lang voor tirannie zorgt, ‘wordt het wel eens tijd dat er een coup gepleegd wordt’, zoals mijn therapeute laatst treffend verwoorde.

Baas in eigen hoofd. De dictator mag dus blijven, al wordt hij dan wel flink gedegradeerd. Moet hij maar lief doen (,zoals Kim Jong-il op het plaatje).

Extra uitleg
Voor wie geen idee heeft waar bovenstaande tekst over gaat, maar bewonderenswaardig genoeg toch bij dit kopje is beland (of gewoon naar beneden heeft gescrold):

Sinds een paar maanden krijg ik individuele schematherapie bij een vrijgevestigde psychotherapeut. Schematherapie is lastig in het kort uit te leggen, dus dat houd je nog te goed. ‘De dictator’ is de naam die ik heb gegeven aan één van de modi, namelijk: ‘de bestraffende ouder’. Het komt erop neer dat ik de ‘bestraffende stem’ van mijn ouders uit mijn jeugd heb geïnternaliseerd en daardoor last heb gekregen van  het schema ‘meedogenloze normen/overmatig kritisch’.
De dictator ben ik dus in feite zelf. Ik hoor dan ook niet echt een stem. Het zijn in feite mijn eigen gedachten en oordelen die mezelf de grond in boren. Op dit punt ben ik me er bewust van dat ik dit doe en wil er graag vanaf, maar het voelt alsof ik er weinig controle over heb en deze gedachten een eigen leven leiden.

Wanneer de dictator wat minder het roer in handen heeft (en de depressie wat is afgenomen), zal ik overigens wat uitgebreider ingaan op het fenomeen schematherapie.

Follow my blog with Bloglovin