De december dingen

Het is al best lang geleden dat ik wat heb geschreven voor mijn blog, dus werd het weer eens tijd. Het is December. Dé maand waarin heel Nederland terugblikt op het afgelopen jaar. Niet alleen het journaal of de caberatiers, maar ook veel individuen schrijven via social media over hoe hun persoonlijke jaar was. In sommige gevallen zelfs hoe het afgelopen decennium verlopen is, want we naderen een heel getal, namelijk: 2020.
Zelf word ik een beetje verdrietig als ik denk aan terugblikken. Ik heb immers niet de dingen bereikt die ik had willen bereiken. Sterker nog; ik zit sinds de zomer van 2018 al ziek thuis. Ook word ik komend jaar 30. Yikes…

Maar, inmiddels zie ik gelukkig ook de dingen die ik wel bereikt heb. Nu daar nog vooral op zien te focussen.

Hello 2020

Hoe ik het had bedacht

Toen ik in de zomer van 2018 mijn diploma uitreiking had, had ik al flink last van burn-out klachten. Gelukkig lukte het om mijn uitreiking bij te wonen en voor het eerst in mijn leven zo’n ceremonie mee te maken waarin mijn diploma werd overhandigd. Ik bedacht dat als ik die zomer genoeg rust zou nemen, ik in het najaar dan wel een intensieve EMDR-behandeling zou kunnen volgen die al tijden op de planning stond wegens het nog hebben van cPTSS klachten. Daarna zou ik in de zomer van 2019 al wel aan het werk zijn in de ggz als SPH’er/ggz-agoog. Ik zou in mijn rol als voltallig werknemer in plaats van stagiaire meer vertrouwen krijgen in mijn kunnen en het gevoel hebben dat mijn harde werken tijdens mijn studie nu beloond werd, door groeien in mijn carrière en ergens een waardevolle bijdrage aan te kunnen leveren.

Buiten mijn werk om, zou ik mij ook veel beter voelen; ik zou grotendeels hersteld zijn van mijn psychische klachten en meer energie hebben om te kunnen genieten van het leven. Ik zou therapie dus niet meer nodig hebben en al uit therapie zijn gegaan.
Misschien zou ik bijvoorbeeld ook een mooie verre reis hebben gemaakt met mijn vriend en/of een tof muziekfestival hebben bezocht en wellicht zou ik inmiddels al steeds meer toe zijn aan het starten van een gezin.

Maar ja, nogmaals, dit liep dus anders. Spoiler: ik zat vooral thuis en ondernam weinig. Verwacht dus vooral geen spannend verhaal. 😅
Het jaar 2019 is voor mij vooral een jaar geweest van verwachtingen bijstellen.

Hoe het anders liep

Ik volgde inderdaad een intensieve EMDR-behandeling, maar het idee was om dit bij een instelling te volgen gespecialiseerd in cPTSS klachten, die tegelijk aandacht zouden hebben voor mijn lichamelijke stressklachten tijdens de behandeling. Helaas bleek er echter geen instelling te bestaan die cPTSS klachten behandelen die zijn ontstaan door emotionele verwaarlozing; ik werd afgewezen en viel ook bij andere instellingen steeds buiten de boot. Vrijwel alle cPTSS behandelingen blijken gericht op mensen die oorlog, (seksueel) geweld of een ernstig ongeluk hebben meegemaakt. Ook lijkt er geen eenduidige definitie te zijn voor complexe PTSS, omdat alleen ‘reguliere’ PTSS in de DSM V (het handboek dat in de psychiatrie gebruikt wordt om te diagnosticeren) staat beschreven. Voor mij is complexe PTSS dat mijn trauma’s verweven zijn met mijn persoonlijkheid door o.a. emotionele verwaarlozing in mijn jeugd. Dit zijn bijvoorbeeld bepaalde opvattingen over mezelf als: ‘ik ben een slecht mens’, waardoor ik nog steeds in het dagelijks aanloop tegen bijvoorbeeld veel onzekerheid en zelfkritiek wegens een laag zelfbeeld. Dit heeft niet alleen invloed op mijn persoonlijk functioneren, maar ook beroepsmatig functioneren; ik heb bijvoorbeeld telkens het idee dat ik faal, ook wanneer dit niet zo is. Bij het verder brainstormen, kwamen mijn vrijgevestigde therapeut en ik tot de conclusie dat een nog resterende optie zou zijn om reguliere EMDR te volgen, maar dan een intensieve, op maat gemaakte variant, met schematherapie elementen. (Lees verder hoe dat ging in dit blog) Het duurde dus even voordat dit allemaal georganiseerd en opgestart was, waardoor ik in december/januari pas echt kon starten met de behandeling.
Het EMDR-traject heeft wel veel geholpen; ik word inmiddels veel minder getriggerd door bijvoorbeeld ambulances en sirenes en heb nog nauwelijks nachtmerries en herbelevingen!
Helaas had ik nog wel steeds last van andere klachten…

Het jaar 2018, maar ook grotendeels 2019, stonden voor mij – naast het bijstellen van mijn verwachtingen – vooral in het teken van uitzoeken waarom ik mij dagelijks zo beroerd bleef voelen. Toen ik afstudeerde en last had van de paniekaanvallen, dacht ik dat ik oververmoeid was en de zomervakantie hard nodig had om bij te komen. Ik nam die zomer dan ook genoeg rust; ik moest wel, want ik kon nauwelijks wat ondernemen door vage lichamelijke klachten. Helaas bleven de klachten echter ook na de zomer, waardoor solliciteren voor een baan er echt nog niet in zat…

De klachten varieerden van paniekaanvallen (ineens zonder concrete aanleiding erg duizelig en misselijk voelen, in zweet uitbreken), tot een lamme linkerarm en pijn op de borst. Dit bleek gelukkig een borstbeenontsteking naast de paniekaanval symptomen, maar je kunt je misschien voorstellen hoe angstaanjagend het is als je dat nog niet weet. Het zijn bij toeval soortgelijke symptomen als bij een hartinfarct. Een borstbeenontsteking kan o.a. ontstaan door een verkeerde houding of door veel hyperventileren, volgens mijn huisarts.
Ook had ik last van mijn gebit, maar de tandarts kon niets vinden. Dit bleek te komen door spanning in mijn kaken; ik lijk overdag mijn kaken op elkaar te klemmen wanneer ik gespannen ben. Die pijn straalt dan door naar mijn tanden. Ook kreeg ik pijn bij mijn hals, in mijn oor, in mijn hoofd (wat bleek te komen door slechte samenwerking tussen mijn ogen), in mijn buik… Ik heb in ieder geval veel tijd doorgebracht bij de huisarts. Soms verliet ik de praktijk met een diagnose of verwijzing, maar vaker met alleen tranen, een gevoel van machteloosheid en schaamte en het idee dat het allemaal tussen mijn oren zat.

De huisarts legde uit dat de niet te verklaren klachten waarschijnlijk voortkomen vanuit stress en spanning en dat ik de term ‘SOLK’ maar eens moest opzoeken. SOLK staat voor Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten. Hiermee wordt bedoeld dat er lichamelijk klachten zijn die al langer bestaan en waarbij met een medisch onderzoek geen ziekteoorzaak gevonden is(Centrum voor SOLK, 2015). Toen ik de term had opgezocht kwam ik erachter dat het iets is wat dus vaker voorkomt bij mensen. Wat erg hielp, want ik kreeg het gevoel dat ik de klachten inbeeldde, terwijl dat dus niet het geval is bij SOLK; de klachten zijn echt, alleen de oorzaak is onduidelijk/onbekend.

- Bij 30-50% van mensen bij huisarts is sprake van SOLK. - Bij 40-60% van mensen bij specialist is sprake van SOLK. - Half miljoen Nederlanders heeft ernstige SOLK. - 2,2 x hogere medische consumptie dan gemiddelde patiënt. (Multidisciplinaire richtlijn SOLK en Somatoforme Stoornissen, Trimbos, 2010) - Grote lijdensdruk. - Forse belemmeringen sociale relaties en werkverzuim. - Frequent terugkerende patiënten op spreekuur huisarts, dikke patiëntendossiers, veelvuldig bezoek alternatieve genezers (ook daar onvoldoende resultaat)!! CENTRUM VOOR SOLK.
Bron: Centrum voor SOLK, via Google.

Vervolgens begon de zoektocht, want met lichamelijke klachten waar je geen grip op krijgt, bleek alleen psychotherapie niet genoeg. Ik volgde dus eerst een intensief EMDR traject op maat in de hoop dat het naast de (c)PTSS klachten, het ook de lichamelijke stressklachten zou verminderen. Helaas gebeurde dit niet. Vervolgens heb ik ook mensendieck en psychosomatische fysiotherapie geprobeerd, wat enigszins hielp om de paniekaanvallen beter te kunnen hanteren en aan te voelen komen, maar de meer ongrijpbare klachten zoals hevige hoofdpijn, maagklachten, pijn op de borst en andere pijnklachten bleven.
Ondertussen bleef ik de huisarts bezoeken, want tja, een nieuwe klacht kon net zo goed wél iets lichamelijks zijn. Hier was mijn huisarts het overigens mee eens gelukkig en soms bleek dat dus ook het geval, zoals bij de verwijzing naar een oogarts voor de hoofdpijn.
Juist wanneer de klachten geen oorzaak leken te hebben werd ik nóg angstiger. Het hielp ook niet dat ik via social media en andere kanalen enge verhalen bleef horen over mensen die plotseling ernstige ziektes bleken te hebben. Ik ging mezelf steeds meer een hypochonder voelen naarmate de angst toenam en ging mij hierdoor ook nog ontzettend schamen voor deze angsten.

Strip

Dokter: "Ik heb goed nieuws: u heeft helemaal niets!"
Patiënte: "Dat niets zo'n pijn kan doen..."

Gelukkig bleef mijn huisarts (en ook de andere huisartsen binnen de praktijk) geduldig en begripvol. En gelukkig namen ze elke keer mijn klachten serieus en werd ik bij elke nieuwe klacht onderzocht. Zo had ik een keer iets hards gevoeld in mijn borst. Gezien er heel veel kanker in verschillende vormen voor is gekomen binnen allebei de kanten van mijn familie, waarvan 4 familieleden – waaronder mijn moeder – zijn overleden, raakte ik nu helemaal angstig. Ook bleek mijn moeders zus ooit borstkanker te hebben gehad, dus ik werd direct verwezen voor een mammografie. Uiteindelijk werd dit vanwege mijn relatief jonge leeftijd een echo (gelukkig maar want dit was niet pijnvrij geweest met een borstbeenontsteking), maar gelukkig was er niets te zien op de echo en was de zwelling misschien wel onderdeel van de ontsteking bij mijn borstbeen.
Ik realiseerde me dat mijn angst heel erg voortkomt vanuit de ervaring van mijn moeders ziekte van dichtbij te hebben meegemaakt en vooral het stuk waar ik haar zag lijden door pijn tot ze overleed. In deze zin leken de angsten toch voor te komen vanuit deze traumatische tijd.

It's not the future you are afraid of. It's the fear of the past repeating itself that haunts you.

Angstig leven

Het ging er steeds meer op lijken dat mijn angst de lichamelijke klachten in stand houden. Vooral angst voor pijn lijden of na een lang ziekbed komen te overlijden, maar ook angst voor andere dingen die in het leven kunnen gebeuren. Dit terwijl ik eerder in mijn leven echt niet zoveel angsten had als nu. Ik ben echt een angsthaas geworden het laatste jaar en erger me dan ook heel vaak aan mezelf.

Uiteindelijk besefte ik me, dat ik deze angsten altijd wel heb gehad, maar mijn depressies deze angsten heel goed konden dempen. Gezien ik vanaf kinds af aan vaker depressief ben geweest en daardoor eigenlijk altijd weinig zin en vertrouwen had in wat het leven te bieden heeft, had ik daarmee ook een coping. Als het van jou toch allemaal niet hoeft, maakt het niet uit wat er gebeurt. Die nonchalance door mijn suïcidale gedachten, zorgden ervoor dat ik niet angstig hoefde te zijn, want stel dat ik morgen onder een auto zou komen, dan was ik toch gelijk van al mijn problemen af. Prima. Ik kom er dus nu pas achter dat ik als kind nooit heb geleerd om op een gezonde manier met angsten om te gaan. Zelfs niet de existentiële angsten die iedereen wel herkent en bij het leven horen.

Dankzij jarenlange therapie en het fijne leven dat ik samen met mijn vriend heb opgebouwd, raakte ik heel langzaam van mijn depressies af en kreeg ik steeds meer zin in het leven. Tegelijk werd ik dus onbewust ook ineens heel angstig, want wat wil ik eigenlijk van het leven? Vroeger dacht ik dat ik nooit de 30 zou halen. Mijn broer heeft immers nooit de 20 gehaald. Het was op de een of andere manier een soort gegeven voor mij dat ik maar kort zou leven door de depressies. En nu word ik over 4 maanden al 30 jaar oud…
Naast dat ik het gevoel heb niet precies te weten wat ik verder wil in het leven (ik hoefde immers eerst nooit verder te kijken dan 30), is het ook maar heel onzeker wat ik kan halen uit het leven, want er kan van alles gebeuren waardoor het allemaal niet lukt. Ik heb bijvoorbeeld een sterke kinderwens en mijn beste vriendin is net voor het eerst moeder geworden. Door dit van dichtbij mee te maken bij haar en hoe zwaar de eerste maanden zijn met een pas geboren baby, zal ik misschien ook mijn verwachting moeten bijstellen dat ik dit zelf ooit ga kunnen. Vooral als ik nog zoveel last heb van allerlei klachten; ik was vroeger zelf een KOPP-kind (kind van een ouder met psychische problemen) en heb gewerkt met KOPP-kinderen. Moet ik wel het risico nemen dat mijn eigen kind misschien ook KOPP-problematiek ontwikkelt? Kan mijn partner dit wel aan?

Als ik dit zo typ klinkt het ook wel ontzettend suf en vol doemscenario’s, want er kan altijd wat gebeuren in het leven, daar doe je niets aan, maar het is wel echt wat onbewust in mijn hoofd gebeurt, waardoor ik de laatste tijd last heb van allerlei verschillende angsten. Ik woon bijvoorbeeld in een flat en wanneer ik vanuit mijn appartement boven mij mensen hoor rennen (op de galerij), denk ik gelijk: ‘O nee, er is brand, ik moet ook gaan rennen’. Terwijl de kans groter is dat het kinderen zijn die al spelend en rennend richting de lift rennen. Alleen daar denk ik dan weer niet gelijk aan. Tegen de tijd dat ik dat heb bedacht, voel ik de adrenaline al door mijn lijf gieren en zijn al mijn spieren weer gespannen. Hoe vaker dit gebeurt, hoe meer vage pijnklachten ik weer krijg. Het is dus onderhand een vicieuze cirkel geworden.

Het lastige was dat er de laatste weken ook wat heftige dingen in mijn omgeving gebeurden. Goede vrienden van mijn schoonfamilie kwamen plotseling om in een heftig auto-ongeluk, een ander familielid in mijn schoonfamilie blijkt kanker te hebben (al is het nog onduidelijk wat voor vorm en waar precies) en mijn schoonmoeder werd vorige week onwel en moest per ambulance naar het ziekenhuis gebracht worden.
Gelukkig is het familielid stabiel en voelt diegene zich goed ondanks de diagnose. Verder bleek het met mijn schoonmoeder achteraf allemaal mee te vallen. Toch voelde het even alsof mijn angsten werkelijkheid werden; dat mensen waar ik veel om geef plotseling (ernstig) ziek worden. Ik ben bang dat het verleden zich steeds zal blijven herhalen en ik steeds dierbaren in mijn omgeving blijf verliezen. Dit is natuurlijk niet zo, maar in alle emotie kostte het mij veel moeite om die angst als irreëel te blijven zien.
Daarnaast heb ik ook een paar weken terug een uitvaart moeten bijwonen, gezien de opa van mijn vriend (op een mooie leeftijd) overleed. Sinds het overlijden van mijn moeder zijn bepaalde plekken zoals ziekenhuizen en uitvaartcentra een bron van PTSS triggers, waardoor ik helaas weer een aantal dagen last heb gehad van beelden en enkele herbelevingen ondanks het recente EMDR-traject. Ik heb me dan ook gerealiseerd dat ik voor dit soort situaties altijd wel kwetsbaar zal blijven en hier in de toekomst maar rekening mee moet houden, naast de normale emoties die de gebeurtenissen oproepen.
Toch ben ik blij dat het ondanks de beelden e.d. het toch is gelukt om de uitvaart bij te wonen en mijn schoonfamilie tot steun te zijn.
Het blijft helaas nog even een moeilijke tijd omdat er nog zoveel onzekerheid heerst rondom het schoonfamilielid dat nog ziek is, maar ook hier moet ik net als de rest van de familie toch proberen om van het positieve uit te gaan. De diagnose kanker heeft namelijk gelukkig niet in alle gevallen een slechte afloop.


Wat te doen aan SOLK

Op een gegeven moment had mijn vrijgevestigde psychotherapeut het idee dat haar ‘behandelrepertoire’ op was en mij niet meer kon helpen bij mijn overgebleven klachten. Iets wat best logisch is, want zij is immers niet gespecialiseerd in lichamelijke klachten en ik had van haar in de tussentijd al veel psychotherapie, schematherapie en EMDR mogen krijgen die mij in andere opzichten veel verder in mijn herstel hebben gebracht.
Toch riep dit bij mij heel wat gevoelens op vanuit mijn angst, namelijk dat ik was ‘uitbehandeld’; een hopeloos geval waar het nooit meer mee goedkomt. Dit werd versterkt door het feit dat mijn therapeute steeds meer begon over therapie afbouwen. De timing van het vaker hebben over therapie afbouwen terwijl ik mij al zo ellendig voelde, versterkte de angst dat zij het opgaf en er niets meer te doen is aan mijn overgebleven klachten. Ik zou vanaf nu een waardeloos leven moeten lijden met elke dag pijntjes en ongemakken, waardoor ik vrijwel niets kan ondernemen en dat zou ik dus niet volhouden. Omdat ik al bijna 1,5 jaar last heb van deze klachten (wat al eindeloos voelt), zat ik er erg doorheen en kon ik niet meer rationeel naar de situatie kijken. Ik kreeg toch weer last van depressieve gedachten; elke dag thuis zitten en mij fysiek beroerd voelen, trok ik mentaal niet meer. Als ik zo nog jaren verder moet leven, wíl ik niet meer leven.
Tegelijk was ik bang dat mijn therapeute vond dat ik mij aanstel; dat ik prima zou moeten kunnen verder leven met deze klachten en dat ik onterecht nog onder de klachten lijd. Zoiets als; andere mensen hebben het pas moeilijk, jij hebt geen recht om het moeilijk te hebben. Iets wat vaker in mijn jeugd tegen mij gezegd is, waardoor ik soms nog (onbewust) in dit ‘minderwaardigheids-schema’ schiet.
Natuurlijk wil ik uiteindelijk afbouwen, maar wel pas als mijn leven met de psychische klachten dragelijk is. Ik had verwacht dat we het pas over afbouwen zouden gaan hebben als ik zelf het gevoel had zonder therapie te kunnen. Het was mijn einddoel en iets waar ik naar uitkeek om wanneer het goed genoeg met mij ging te kunnen zeggen; ‘ik denk dat ik nu wel zonder kan’. Iets wat ik in deze situatie natuurlijk niet bepaal voel gezien de lichamelijke klachten, waar ik tot nu toe maar niet vanaf kom, een psychische oorzaak lijken te hebben.

Met behulp van veel gesprekken met mijn omgeving en mijn therapeut, lukte het uiteindelijk weer mezelf te herpakken. Mijn therapeut stelde me gerust dat we echt niet abrupt zouden stoppen met therapie en dat we echt nog aan de slag gaan met overgebleven klachten waar zij mij nog wel bij kan helpen. Ze verzekerde me dat het therapie afbouwen geen vast proces is, als in; nog 10 sessies en dan stoppen we. Maar dat het een proces en fase is waarin ik zal gaan oefenen zonder therapie en daardoor langzaam meer vertrouwen ga krijgen in dat ik ook zonder kan. Iets wat ik inmiddels steeds vaker ervaar, ondanks de afgelopen periode met een hoop nare gebeurtenissen. Wel bleef ik mij naar voelen over het afbouwen, om de manier waarop het gestart is en dat ik er zelf totaal nog niet mee bezig was; ik zat volop in een ‘ik voel me ellendig en wil er wat aan doen’-modus. Therapie was het enige wat mij het gevoel gaf grip te hebben op de situatie. Uiteindelijk bleek het een grote denkfout van mij te zijn; ik dacht hoe intensiever de therapie, hoe sneller en beter ik van mijn klachten af raak.
Ik ging het wat meer begrijpen toen mijn therapeute de uitleg gaf dat ik voor psychotherapie begrippen, al vrij lang therapie krijg. Dit had ik nooit geweten; ik had het idee dat psychotherapie altijd een behandeling was van meerdere jaren, waardoor ik blijkbaar een verkeerd beeld had gevormd van hoe een psychotherapie-traject werkt en hoe het afbouw-proces zou gaan.
De hele situatie gaf mij het gevoel heel afhankelijk van therapie te zijn, terwijl ik dat in wezen niet meer zo ben als dat ik dat wel was als kind. Op mijn 14e kreeg ik voor het eerst therapie en had ik door een beperkt netwerk en instabiele thuissituatie therapie echt nodig, omdat ik alleen daar de steun en begeleiding kreeg die ik nodig had op mijn leeftijd (met depressieve klachten, persoonlijkheidsproblematiek en trauma’s). De laatste jaren zag ik therapie alleen nog als het middel om te bereiken dat ik uiteindelijk op eigen kracht verder kan, maar wel wanneer ik daar echt klaar voor was. Namelijk, met minder klachten, zodat het dagelijks leven dragelijker zou zijn. Nogmaals, dit was een jaar van verwachtingen bijstellen, want er bestaat een kans dat ik nooit helemaal van sommige van mijn klachten af raak. In dat geval zou therapie blijven krijgen natuurlijk ook zinloos zijn.


Hoe dan ook, uiteindelijk bespraken mijn therapeut en ik dat het ook goed zou zijn om inderdaad naar andere mogelijkheden te kijken wat betreft de lichamelijke klachten. Zij opperde een consult bij een van haar collega’s. Ik stemde in. Dit bleek iemand te zijn die veel werkt met SOLK-klachten (deels ook in een ziekenhuis) en verder lichaamsgerichte CGT geeft, in combinatie met yin yoga of running therapie. Uit dit consult is uiteindelijk gekomen dat ik een keer met haar mocht kennismaken, waarna al snel bleek dat zij mij zelf wel zou kunnen helpen.

Een paar gesprekken en wat vragenlijsten verder, ga ik 2 januari inderdaad starten met een lichaamsgerichte CGT/running therapie traject bij deze therapeute. Dit gaf mij frisse moed en hoop dat het toch goed kan komen, iets wat ik de laatste tijd erg nodig had.
Zij kon mij overigens uitleggen aan de hand van de ‘window of tolerance theorie’ dat wanneer mensen, zoals bij een burn out, langere tijd zich in de hyperarousal bevinden (zie dit blog met uitleg hierover), ze ook terecht kunnen komen in een zogeheten hyperfreeze. Dat betekent dat je lichaam zich zo lang in een staat van paraatheid bevindt, dat dit een soort van de nieuwe basis modus wordt. In de hyperarousal maakt je lichaam zich als het ware klaar om te vechten of te vluchten, in mijn geval dus ook wanneer er geen daadwerkelijk gevaar dreigt, maar door de angst voelt het wel zo. Omdat je lichaam zich hiervoor klaar maakt, activeert het bepaalde delen in je lichaam, maar deactiveert het ook bepaalde delen van je lichaam. Zo is het bekend dat je spijsvertering minder goed werkt in stressvolle situaties, want dat helpt je toch niet om te vechten of vluchten. Ook gaat je weerstand omlaag, omdat je lichaam energie spaart voor de directe dreiging, griepvirussen e.d. doen er dan even niet toe.
In de hyperfreeze sta je dus eigenlijk dagelijks in de overlevingsstand tussen de hyperarousal en de window in, in plaats van in de normaalstand (binnen de window dus).
Hierover kon ik niet echt artikelen vinden als bron, dus het kan zijn dat ik het verkeerd navertel, maar dit is hoe ik het dus zelf van deze therapeute heb begrepen en heb onthouden. Dus ik hoop dat het een beetje klopt. Het klinkt in ieder geval wel logisch en het verklaart goed waarom die vage klachten bij mij zo lang aanhouden.

De bedoeling van de therapie wordt om door te wandelen, joggen, hardlopen, maar ook te zitten (rust nemen), door middel van mijn hartslag te bepalen wanneer ik rust nodig heb. Tijdens die rust moet mijn lichaam zich weer leren herstellen naar de normaalstand. Dus door intervallen met activiteit en rust, moet mijn lichaam dit weer beter gaan leren herkennen en zich hier ook weer aan gaan aanpassen, zodat ik écht weer kan gaan ontspannen. Tegelijk bouw ik weer conditie op, want deze is erg achteruitgegaan gezien ik door de klachten niet meer goed durfde te bewegen. Wat ook begrijpelijk is, gezien de klachten bij bewegen erger werden en ik hier geen grip op had. De hartslag meter zou hierbij moeten helpen in het begin. Wanneer ik binnen de groene zone zit, gaat het prima en wanneer ik bij oranje rood kom, moet ik rust nemen. Op een gegeven moment leer ik hierin ook experimenteren is de bedoeling. Dus ik moet het weer gaan aandurven om grenzen te verleggen, maar niet over mijn grenzen te gaan. Dat wordt de uitdaging. Daarna moet ik ook de hartslag meter gaan afbouwen, dus zelf weer leren aanvoelen waar mijn echte grenzen liggen en wat mijn lichaam nodig heeft.

Hopelijk heb ik als ik weer een beetje kan vertrouwen op mijn lichaam en mij weer sterker en fitter ga voelen, ook al minder last van de overige angsten, maar zo niet, dan hoop ik dat ik ook daar binnenkort nog vanaf kom.

Mijn omgeving en werk

Just because you can't see it or understand it, doesn't mean it doens't excist.

Het duurde voor mij erg lang voor ik echt ging begrijpen wat mijn klachten precies zijn, hoe ze ontstaan en hoe ik er vanaf kan komen. Ondertussen moest ik telkens veel afspraken afzeggen. Ik begon aan vrijwilligerswerk omdat ik dacht dat het mij zou helpen weer een ‘werkconditie’ op te bouwen, dus dat het mij zou helpen met re-integreren als starter, maar helaas moest ik mij zó vaak op het laatste moment ziek melden door de klachten…
Normaal gesproken als je je niet zo lekker voelt, kijk je even aan hoe het gaat en ga je in de meeste gevallen met eventueel wat pijnstilling, toch naar je werk. Bij mij zorgden de klachten voor paniek en de paniek weer voor klachten, wat maakte dat ik zelfs met een paracetamolletje alsnog kotsmisselijk, duizelig en/of met veel pijn of maagklachten op bed lag of op de wc zat. Dit was lastig uit te leggen aan mijn vrijwilligerswerk, al ben ik altijd heel eerlijk geweest over mijn klachten. Dus afgelopen jaar heb ik tot twee keer aan toe helaas al moeten stoppen toen ik pas net was begonnen met vrijwilligerswerk. Ik snap ook dat het voor anderen lastig te begrijpen is, ik snapte het zelf immers amper. En vrijwilligerswerk is natuurlijk vrijwillig, maar niet vrijblijvend.

Naast vrijwilligerswerk, merkte ik ook dat sommige mensen in mijn directe omgeving moeite hadden met het begrijpen van mijn situatie. Wanneer ik vrijwilligerswerk gevonden had, hoorde ik opmerkingen als ‘o gelukkig ga je weer wat doen, dat thuiszitten is ook niets’. Nu was ik het daar volkomen mee eens, want van thuiszitten worden de meeste mensen écht niet vrolijk, ik dus ook niet. Alleen voelde ik toch ook een beetje een oordeel verstopt in dat zinnetje. Ik merkte dat sommige mensen zich maar moeilijk konden inleven in waarom ik thuiszat. Mijn klachten hadden immers geen diagnose, dus het zou allemaal wel meevallen. Het leek alsof ze vonden dat ik thuis zitten wel prettig vond en het wel makkelijk vond om niet te werken. Zelf had ik dit oordeel ook ergens; ik voelde me zwak en lui, terwijl ik nooit iemand ben geweest die de kantjes ervan loopt. Ik ben juist perfectionistisch, wil het graag goed doen en heb veel doorzettingsvermogen.
Plus, hard werken is in deze maatschappij zelfs een soort statussymbool, zelfs als het de gezondheid schaadt. Ook moet je maar gewoon doorgaan als je je niet goed voelt en al helemaal geen hulp accepteren, want het is pas knap als je het allemaal zelf doet. Ook gaan we vaak veel te laat naar de huisarts, want ‘ik piep niet zo snel’.
Dit zijn dingen die ik vaak zie en hoor in mijn omgeving en waar ik onbewust ook aan wil voldoen. Dat dit niet lukt en dat het zelfs niet lukt mee te komen met de dagelijkse dingen zoals (betaald) werk volhouden, maakt dat ik mij voel als een mislukkeling, terwijl ik ergens weet dat bovenstaande opvattingen ook niet goed zijn voor je mentale en fysieke gezondheid. Dat ik (buiten mezelf om) steeds meer begrijp waarom mensen met een beperking zich uitgesloten voelen binnen deze prestatiegerichte maatschappij.

Hoe dan ook, de huisarts moest mij steeds helpen herinneren dat mijn klachten wél echt waren en dat ze inderdaad heel vervelend kunnen zijn.
Elke keer wanneer het stuk liep met vrijwilligerswerk, werd ik bevestigd in mijn faalangst. Ik bleef immers falen; het wilde maar niet lukken om mij niet ziek te voelen.
De klachten hebben mij ook tot het inzicht gebracht, dat de burn-out, of hoe je het ook wilt nemen, altijd al sluimerde. Daar bedoel ik mee, dat zover ik me kan herinneren, ik al snel (lichte) lichamelijke klachten en stress kreeg bij spannende situaties, die voor de meeste mensen niet spannend zijn. Zoals als kind een brood moeten kopen bij de bakker, maar ook als volwassene tijdens een stage pauze houden en sociale interactie moeten aangaan met collega’s. Ik kon ook dan ineens misselijk of duizelig worden, oftewel een lichte versie van de paniekaanvallen die ik de laatste jaren heb ervaren. De onzekerheid en faalangst hebben mij altijd veel energie gekost en veel stress gebracht. Ik hoop dan ook dat wanneer ik ga werken, ik wat meer zelfvertrouwen ga krijgen zodat ik meer energie kan stoppen in het werk in plaats van mijn angst en onzekerheid verbergen.

Ik besefte mij overigens dat ik wellicht hulp nodig heb bij het re-integreren, naast een behandeling voor mijn lichamelijke klachten. Als starter re-integreren blijkt namelijk een hele klus; ik ben nog steeds ziek dus geen een werkgever staat te springen om mij aan te nemen, ik heb afgezien van stages nog geen werkervaring en ik heb zelf momenteel nog weinig idee van wat ik aan kan qua werk en wat dus realistisch is in mijn situatie. Ik heb mij daarom aangemeld bij een organisatie (los van het UWV) die mij willen gaan helpen bij het vinden van (betaald) werk en re-integreren. Er is helaas een wachtlijst, dus ik ben eind januari, begin februari pas aan de beurt, maar dat geeft me aan de andere kant ook tijd om eerst aan mijn klachten te werken met het running therapie/CGT traject.
Intussen probeer ik aan te sterken om weer vrijwilligerswerk te kunnen doen om hier vast langzaam mee te kunnen starten, maar wellicht wil ik nu te veel, te snel. Iets waar ik telkens tegenaanloop. Wederom; verwachtingen bijstellen.

Don’t look back, look now

The only time you should look back, is to see how far you've come.

Voordat ik terechtkwam bij de lichaamsgerichte therapeut, heb ik het kort met mijn huidige therapeut nog gehad over ACT: een vorm van therapie dat is gebaseerd op mindfulness. Ik heb zoals je misschien in mijn blogs hebt gemerkt, namelijk sterk de neiging om terug te blikken en vooruit te kijken. Dit hoeft niet perse slecht te zijn, maar in mijn geval zorgt het ervoor dat ik te veel terugkijk op nare gebeurtenissen of te kritisch ben naar mezelf in het reflecteren op situaties (de Dictator). Óf heel angstig word van de toekomst, omdat het me onzeker maakt omdat ik niet wat er gaat gebeuren of juist te veel verwacht en makkelijk teleurgesteld/terneergeslagen raak wanneer het anders loopt dan ik had gewild.
Een voorbeeld van dit laatste; ik had dus gehoopt een betaalde baan te hebben en therapie volledig afgebouwd te hebben voor mijn 30e. Niet gelukt, geen ramp, maar wel balen omdat ik deze verwachting had.

Bij ACT richt je je op het focussen op het hier-en-nu, wat ik dus goed zou kunnen gebruiken. Het is dus niet zo dat ik deze therapie ga volgen binnenkort, maar ik probeer er wel zelf wat meer mee bezig te zijn. Zo probeer ik ook nu te kijken naar wat er NU allemaal wél goed gaat, in plaats van wat er niet goed gaat (wat dus genoeg is als je leest wat ik tot nu toe allemaal heb geschreven in dit blog). Ik probeer mezelf weer een beetje terug te vinden; de versie die krachtiger, positiever (en gezelliger) is dan ik de afgelopen 1,5 jaar was. Wie weet helpt dit lijstje maken hierbij.

De afgelopen 10 jaar heb ik wel:
– een intensieve klinische psychotherapie jeugdbehandeling van ruim een jaar afgerond;
– tijdens deze behandeling de opleiding Social Work gestart;
– jaar 1 van deze voltijd hbo-opleiding ondanks tegelijk de voltijd behandeling nog volgen, met een dikke voldoende afgerond;
– voor het eerst op mezelf gaan wonen;
– een boosterbehandeling voor anorexia nervosa in een eetstoorniskliniek afgerond;
– een gezond BMI gekregen ondanks nog steeds schommelingen in gewicht door de jaren heen;
– zowel gestopt met automutilatie, als mezelf wegen;
– opnieuw met een hbo-opleiding gestart, dit keer SPH aan een andere hogeschool;

na een auditie aangenomen bij een soort vooropleiding van een gerenommeerde musical-opleiding (helaas uit onzekerheid gelijk gestopt, maar door de auditie komen was voor mij destijds genoeg);
– bijna mijn propedeuse cum laude behaald;
– 2 studieblokken tegelijk gedaan om mijn propedeuse op tijd te kunnen halen, omdat ik het laatste studieblok van mijn propedeuse heb moeten missen om voor mijn vader te kunnen zorgen die moest revalideren van een herseninfarct;
– op tijd mijn propedeuse behaald én jaar 2 dankzij enkele herkansingen;
– het honours programma ingeruild voor het traject binnen de opleiding waarmee je als professional je eigen ervaringskennis leert ontwikkelen en inzetten;
– verliefd geworden op een hele leuke man en hem ook verliefd op mij laten worden;

– gitaar leren spelen (m.b.v. YouTube bij gebrek aan een docent);
– een voltijdstage op één maand na bijna afgerond, ondanks slechte stagebegeleiding en doelgroep die niet bij mij paste.
– gaan samenwonen met die leuke man in mijn studentenwoning van 23m2;

– een akoestisch bandje begonnen als zangeres, samen met een gitarist en toetsenist;
– hersteld van een zware depressie en opleiding opnieuw opgepakt, minor uit 4e jaar bijna in één keer afgerond;

werd geïnterviewd door de FOLIA over het verhaal dat ik schreef, gebaseerd op mijn klinische opname in de jeugdpsychiatrie;
– voor het eerst opgetreden met mijn bandje;
– vanuit Rome per trein naar Florence en Venetië gereisd met vriendlief, ondanks het hebben van paniekklachten;
– meegewerkt aan de muziektheatervoorstelling ‘Vind je het gek?!’ over psychische kwetsbaarheid van theatermaakster Nynka Delcour;
– derdejaars voltijd stage opnieuw gestart, dit keer in de jeugd-ggz preventie hoek;
– derdejaars voltijd stage behaald met dikke voldoende, plus ik mocht na mijn stage blijven werken onder het mom van vrijwilliger, tot ik mijn diploma zou halen en kon solliciteren;
– een appartement gekocht samen met nog steeds diezelfde leuke man;

– werd geïnterviewd door een journaliste van VICE over mijn blog en mijn missie om psychische kwetsbaarheid meer bespreekbaar te maken.
– scriptie in één keer met een voldoende behaald (over als professional je eigen ervaringskennis inzetten);
– het 4e en laatste jaar van mijn opleiding afgerond ondanks burn-out klachten en eerdere studievertraging/gezondheidsproblemen, met als laatste cijfer een 9;
– met behulp van lotgenoten op social media een EMDR Survivalgids geschreven die dagelijks nog steeds ingezet en gelezen wordt door traumatherapeuten en mensen die EMDR gaan volgen;
– zelf een intensief EMDR-traject afgerond;

– voor het eerst een lied geschreven;
– een vrijwilligersplek gevonden als ervaringsdeskundige, waar ook nog ruimte is voor herstel;
– langzaam gestart met volledig therapie afbouwen voor het eerst sinds mijn 14e;

– voor het eerst opgetreden als singer-songwriter en een eigen nummer live gespeeld;
– een babyshower mogen organiseren voor mijn beste vriendin;
– niet opgegeven met blijven zoeken naar wat helpt om van de SOLK af te komen…


wordt vervolgd in 2020.

Ik hoop dat jullie in deze periode ook kunnen kijken naar wat je allemaal wél hebt. Zelf vind ik dit dus best moeilijk, maar als het lukt blijkt het gelukkig vaak meer te zijn dan je in eerste instantie denkt…

Merry Everything 
&
Happy Always

Liefs,
Lyka


De Dictator & ik

Een tijd geleden, in een vorig artikel, heb je kunnen lezen over de ‘De dictator in mijn hoofd’. Hierin beschreef ik mijn dag en de invloed die de Dictator hierover uitoefende. Maar wie is hij nou precies? Hoe ziet hij eruit? Hoe is hij tot stand gekomen? En hoe kom ik in ’s hemelsnaam van hem af? Eerder schreef ik ook een blogartikel over onveilige hechting, genaamd ‘Slecht gehecht?’, waar dit artikel enigszins op aanhaakt. In dit schrijfsel zal ik beschrijven wat emotionele verwaarlozing precies is en zal ik mijn eigen ervaringen omtrent dit thema delen. Ook kun je lezen hoe ik bezig ben om van de gevolgen van emotionele verwaarlozing af te komen. Ik publiceerde dit artikel al eerder, maar heb intussen wat aanpassingen gedaan om het onderwerp voor mijn gevoel zo goed mogelijk te belichten.

Bestand 16-08-17 17 38 19

“Je kunt mij niet eens fatsoenlijk schetsen!” – De Dictator

Persoonsomschrijving
De Dictator is een criticus. Nog erger dan een Volkskrant recensent. Wat je ook doet of zegt, het is eigenlijk nooit goed. Gaat er iets wel een keer goed? Nou, dan wijst hij je er dringend op te her-evalueren, want er is altijd zat om te verbeteren en er zijn altijd gênante, domme fouten die je over het hoofd heb gezien. (Al zijn ze van meer dan 10 jaar geleden.)
Ik maakte laatst deze snelle schets van hem,  met enkele van zijn kenmerkende quotes. Zijn uiterlijk wil nog wel eens veranderen, maar dit is hoe ik hem op het moment voor mij zie.

Onzichtbaar beschadigd
Een thema als emotionele verwaarlozing vind ik lastig om over te schrijven, omdat het voelt als aan aanklacht tegen mijn ouders. Iets wat ik in mijn blogs zoveel mogelijk probeer te vermijden; ik probeer het vooral bij mezelf te houden. In dit artikel zal ik dit wederom nastreven. Helaas is het in dit geval lastiger om het niet over mijn ouders te hebben, gezien dit blogartikel zal gaan over mijn jeugd en opvoeding. Daarom wil ik vooraf gezegd hebben; mijn ouders waren door meerdere factoren simpelweg niet in staat om het anders te doen; er was absoluut geen opzet in het spel! Ze deden hun best en zij hielden van mij op hun eigen manier, daar ben ik van overtuigd. Regelmatig komt er dan ook in mij op: ‘maar zo erg was het bij mij toch allemaal niet?’ Ik had immers een dak boven mijn hoofd, eten, drinken, speelgoed… En ook de gedachte: ‘misschien was ik gewoon een overgevoelig, aanstellerig kind’. Het feit is alleen dat ik nog steeds kamp met psychische klachten, die volgens de theorie tot de gevolgen van emotionele verwaarlozing herleid zouden kunnen worden. Ik ben als kind beschadigd, maar dit is van de buitenkant niet te zien.

Er zijn verschillende vormen van kindermishandeling bekend. Emotionele verwaarlozing is één van deze vormen. Bij kindermishandeling denken we al snel vooral aan slaan en schoppen, toch komt emotionele verwaarlozing het meeste voor in Nederland, blijkt uit de Tweede Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (PDF).
Emotionele verwaarlozing moet niet verward worden met emotionele mishandeling, waar kinderen worden uitgescholden en gekleineerd.
Bij emotionele verwaarlozing gaat het meer om dingen die ouders nalaten: ze geven een kind geen genegenheid, aandacht, emotionele steun en bevestiging. Of ze gedragen zich heel onvoorspelbaar, waardoor een kind geen veiligheid voelt.
Het is vaak heel moeilijk te ontdekken of je emotioneel verwaarloosd bent. Want anders dan bij kindermishandeling of misbruik –waar het gaat om dingen die je aangedaan zijn-, gaat het bij verwaarlozing om wat er NIET was en wat je je NIET herinnert. Emotionele verwaarlozing brengt ongemerkt schade toe aan iemands leven.

Veel ouders bedoelden het goed, maar zijn door verschillende redenen niet in staat adequaat op hun kinderen te reageren. Kenmerkend is dat ouders totaal in beslag worden genomen door eigen problemen. Een aantal risicofactoren voor emotionele verwaarlozing zijn:

  • 087abf93d686a09b1be8461cc637f260Een slechte relatie tussen ouder en kind. De ouders luisteren niet naar het kind, negeren het of ondernemen geen activiteiten met het kind;
  • Weinig zelfreflectie of zelfvertrouwen bij de ouder;
  • Stress of boosheid bij de ouder;
  • Ouders hebben psychische problemen, zijn verslaafd, een licht verstandelijke beperking of hebben agressieproblemen;
  • Een ouder staat er alleen voor, is werkloos of er is sprake van een groot gezin;
  • Het kind heeft een gebrek aan sociale vaardigheden. Het is mogelijk dat het daardoor niet goed zijn behoeften bij zijn ouders kan aangeven. Ook kan het zijn dat het kind door de ouders als moeilijk in de omgang wordt beschouwd.

‘Veel ouders kampen zelf met een jeugdtrauma en hebben daardoor emotionele en/of gedragsproblemen en een negatief zelfbeeld’, zegt klinisch psycholoog Carlijn de Roos, werkzaam bij Psychotraumacentrum GGZ Kinderen en Jeugd Rivierduinen.
‘Gelukkig zijn er effectieve behandelingen om ouders te helpen bij de verwerking van hun trauma. Soms moet de zorg voor het gezin dan tijdelijk worden overgenomen door familie of professionele gezinszorg.’

De gevolgen
Volgens Janine Jansens, psycholoog en coach, groeien kinderen die emotioneel verwaarloosd zijn op met diverse moeilijkheden. Hieronder volgt een opsomming van deze voorkomende moeilijkheden die zij noemt:

  • “Worstelen met gevoelens van leegte. Sommige mensen voelen het als een fysiek gevoel; een leeg gevoel in hun borstkas, anderen ervaren het als emotionele gevoelloosheid.
  • Tegen- afhankelijkheid: een sterke drijfveer om niemand nodig te hebben. Je zou het ook ‘de angst om afhankelijk te zijn’ kunnen noemen. Mensen die tegen – afhankelijk zijn vermijden het zoveel mogelijk om hulp te vragen. Ze willen niet de schijn wekken hulpbehoevend te zijn of zich zo te voelen. Ze doen veel moeite om niet op een ander te hoeven rekenen, zelfs als het ze veel kost.
  • Omdat je weinig feedback krijgt over jezelf tijdens je jeugd weet je eigenlijk niet zo goed wat je kwaliteiten en je zwakten zijn. Dit gaat niet zozeer over een laag zelfbeeld (hoewel dat wel klopt voor de meeste mensen die emotioneel verwaarloosd zijn), maar over het feit dat een onrealistisch zelfbeeld hebt.
  • Weinig compassie voor jezelf, en heel veel voor anderen. Of simpeler gezegd: je bent veel strenger voor jezelf dan je voor anderen bent.
  • Gevoelens van schuld en schaamte en zich afvragen: “Wat is er mis met mij?” Als je leert dat je gevoelens er niet mogen zijn, dan leer je ze te verbergen. Omdat er in je jeugd geen duidelijk nare dingen gebeurd zijn zoals mishandeling of misbruik, herinner je jeugd als in principe in orde, misschien zelfs wel gelukkig. Dus wat is er dan mis met je als je je niet gelukkig voelt?
  • Boos zijn op jezelf komt ook vaak voor. Vaak is die boosheid een uiting van schaamte die nog een stap verder wordt gezet.
  • Een voortdurend onderliggende angst om ‘door de mand te vallen’: “Als ze me werkelijk zouden kennen zouden ze me niet aardig vinden”. Het is je basale fatale overtuiging zoals: “Ik ben niet de moeite waard” of “Ik ben dom”. Het is het ‘antwoord’ dat je zelf gevonden hebt op de vraag wat er mis is met je dat je geen aandacht krijgt.
  • Moeite met emotioneel voor jezelf en anderen te zorgen
  • Slechte zelf-discipline hebben. Junk-food eten, teveel uitgeven.. Moeite met dingen doen die moeten, zoals huistaken of sporten of deadlines halen.
  • Je weinig bewust zijn van je eigen emoties en die van anderen en die ook moeilijk kunnen identificeren of omschrijven.”

Naast deze omschreven moeilijkheden is door recent onderzoek bekend geworden dat emotionele verwaarlozing een specifiek verband heeft met depressies en sociale angst. Hersenscans laten verder zien dat de prefrontale cortex – het hersengebied dat een belangrijke rol speelt in het omgaan met stress – kleiner is bij mensen die in hun jeugd emotioneel zijn verwaarloosd. Hun amygdala – het gebiedt dat reageert op dreiging – lijkt veel scherper afgesteld, waardoor mensen eerder angst ervaren.

Bij het vaststellen van persoonlijkheidsstoornissen wordt ook als één van de kenmerken: traumatische/negatieve emotionele ervaringen in de jeugd genoemd, waaronder o.a. emotionele verwaarlozing. Bij het ontstaan van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis wordt omschreven: “Als je bijvoorbeeld opgroeit in een gezin waar je ouders erg afstandelijk, kritisch en ogenschijnlijk weinig betrokken bij je zijn zal je eerder een negatief idee over jezelf ontwikkelen. Je leert als kind niet dat je oké bent zoals je bent. Indien er een angstige aanleg aanwezig is, kan dit leiden tot terughoudendheid in contacten met anderen. En ondanks dat je daarmee ook positieve ervaringen uit de weg gaat, wordt de vermijding niet doorbroken.”

Het angstige en sombere kind
Als kind was ik erg stil, verlegen en teruggetrokken. Ik was angstig in nieuwe situaties en vooral met nieuwe mensen. Sociaal contact vond ik doodeng. Ik durfde niet eens brood te kopen bij een bakker. Dan kwam ik thuis en deed ik alsof ik het vergeten was. Ik durfde niet te zeggen dat ik niet durfde en mijn ouders namen aan dat ik gewoon geen zin had. Dus ze werden boos.

Ook huilde ik veel als kind terwijl ik niet eens wist waarom. Achteraf denk ik dat het kwam omdat ik mij ongelukkig en somber voelde, maar dat ik maar heel weinig besef had van de verschillende soorten gevoelens en hoe je deze uit. Het leek dus alsof ik huilde zonder reden terwijl ik eigenlijk gewoon niet door had dat ik verdriet en somberheid voelde. Wederom werden mijn ouders boos, want je moet alleen huilen als je een goede reden hebt, anders niet. Toen mijn broer was overleden werd mijn vader ook wel eens boos omdat ik huilde. Mijn huilen leek mijn moeder immers nog verdrietiger te maken. Ik stopte vervolgens alle gevoelens rondom mijn broers overlijden weg, die tijdens mijn pubertijd weer naar de oppervlakte kwamen. Ik kreeg daarom op mijn 14e speltherapie waar ik voor het eerst leerde over het bestaan van de verschillende gevoelens, om uiteindelijk mijn eigen gevoelens van elkaar te kunnen onderscheiden.

Mijn moeder kwam trouwens uit Zuidoost Azië. Daar zijn de ideeën over opvoeding ongetwijfeld anders dan in Nederland. Ik kreeg dan ook wel eens een ‘pedagogische tik’ wanneer ik niet luisterde. Een keer toen mijn Aziatische oma in Nederland was, speelde ik zonder het te vragen (vergeten) bij een buurkindje waardoor mijn moeder en oma mij kwijt waren. Toen ik terecht was kreeg ik zo’n harde tik dat ik blauwe plekken op mijn billen had. Waarschijnlijk zijn ze hier toch wel van geschrokken, want daarna kreeg ik geen tikken meer. Natuurlijk weet ik wel dat dit in Nederland niet oké is en op mijn opleiding leer ik dat dit valt onder de noemer kindermishandeling. Toch vond ik de pijn van de tikken niet erg; wel de gevoelens van angst, onrecht en machteloosheid zijn mij bijgebleven. Toen ik net kon schrijven schreef ik voor moederdag een keer een briefje aan mijn moeder waarin ik vertelde dat ik fijn zou vinden als ze wat liever voor mij zou zijn. Niet echt een leuk moederdagcadeau, dat snap ik, maar toch vind ik dat dit geen tik verdiende. Het was toch maar een vraag? En ik vroeg het achteraf waarschijnlijk niet voor niks… Voortaan hield ik mijn mening en wensen maar voor me.

Mijn vader had altijd al een kort lontje; hij kon heel snel erg boos worden. Dit kon door van alles komen. Irritatie wanneer het klussen niet lukte, ruzie met mijn moeder en ook wel wanneer ik iets stoms had gedaan (zoals vergeten mijn fiets op slot te zetten op school waarna deze werd gestolen). Hij kon dan op zijn Amsterdams vloeken en tieren, maar ook hardhandig met spullen en deuren omgaan. Later bleek dat dit o.a. kwam doordat hij diabetes had. Hij zei hier later over dat hij zich nooit kon herinneren wanneer dit gebeurde; hij was het kwijt. Een systeemtherapeute zei hier een keer op: “Ja dat kan wel zo zijn, maar Lyka blijft er mee zitten”. Hij leek zich dit niet te realiseren.

broken cup“Als er iets is kun je altijd naar ons toekomen”, zeiden mijn ouders regelmatig. Toch had ik niet het gevoel dat dit ook daadwerkelijk kon. Ze hadden dit graag gewild, dat geloof ik wel. Toen ik bijvoorbeeld 7 jaar was en mijn ouders een periode veel ruzie hadden, vond ik een keer serviesscherven onder de verwarming. Ik vroeg ongerust aan mijn moeder: ‘gaan jullie scheiden?’ Ze zei: ‘Nee joh! Hoe kom je daar nou bij.’ En we hebben het er nooit meer over gehad, terwijl de ruzies bleven. Mijn ouders zijn dan ook nooit gescheiden, maar er  was nog wel vaak (passieve) boosheid naar elkaar en er werd nauwelijks liefde naar elkaar getoond. Nooit ben ik fysiek pijn gedaan, maar als ik terugkijk was ik als kind vermijdend naar mijn vader toe omdat ik bang was voor hem en zijn boosheid. Ik hoorde vanaf mijn kamer immers een keer hoe hij tijdens een ruzie met mijn moeder een zware eetkamertafel in één beweging omgooide. Vervolgens vroeg mijn moeder mij om hem weer te halen omdat het eten klaar was. Met lood in mijn schoenen liep ik de trap op. Er gebeurde niks, maar ik was doodsbang.

Ik ontwikkelde een angst voor boosheid en onvoorspelbaar gedrag. Een angst waar ik overigens tijdens een opname voor klinische psychotherapie met jongeren (met o.a. borderline problematiek) vaak aan werd blootgesteld. Ook daar vloog er regelmatig iets door de leefgroep.

Het wereldvreemde en sombere kind
Als kinvisibleind dacht ik ook dat ik dom, onhandig en nergens echt goed in was. Ik was zo stil en verlegen, dat ik regelmatig over het hoofd werd gezien. Thuis, maar ook op school. Het leek wel alsof ik mezelf onzichtbaar kon maken. Dat voelde veilig, want dan werd er tenminste niet op mij gelet en viel het niet op als ik iets stoms of fout deed. Ook zonderde ik me af van andere kinderen. Ik leek het fijn te vinden alleen te zijn, bovendien kon ik dan niet gekwetst of verlaten worden. Ik had het idee dat als mensen mij echt leerden kennen, zij mij al snel zat zouden zijn. In mijn eentje had ik ook geen last van onvoorspelbaar gedrag van anderen; ik hoefde niet bang te zijn. Daarnaast was mijn broer van de één op andere dag overleden, dus ik hield er rekening mee dat mensen zomaar uit je leven konden verdwijnen.
Het alleen zijn zorgde ook dat ik mij zelfstandig, onafhankelijk en sterk voelde. Dat dacht ik tenminste. Achteraf gezien hield ik mezelf voor de gek, alleen had ik dat destijds nog niet door. Pas de laatste jaren besefte ik me dat ik mij al die tijd ‘in mijn eentje’ ook eenzaam, somber en verdrietig heb gevoeld. Ik voelde een leegte en voel deze nog steeds. Ik kon echter niet vatten wat dit gevoel precies was en waardoor ik dat gevoel had, waardoor ik mezelf toch blijf afzonderen. Inmiddels was ik het gewend…

Verder was ik ook altijd een nogal gevoelig kind. Als ik had gezongen onder de douche werden er wel eens grappen gemaakt door mijn ouders: ‘Ik hoorde net een valse kat op het dak’. En toen ik een keer blij was met mijn schoolfoto werd er gegrapt: ‘Niet zo’n kapsones hè!’. Het waren schijnbaar onschuldige grappen. Er werd dan ook wel achteraan gezegd; grapje hoor! Maar desondanks ben ik het gaan geloven. Soms waren het ook geen grappen: ik liet bijvoorbeeld vaker trots een tekening zien waar ik een 9 voor had gekregen bij het vak tekenen op de middelbare school, waarop mijn moeder dan zoiets zei als: ‘Je bent zeker het lievelingetje van de leraar, hè?’
Mijn ouders vonden het überhaupt lastig om enthousiast te reageren op iets dat ik vertelde; ik het vaak het gevoel dat zij mij niet hoorden of het hen gewoonweg niet interesseerden. “Oké.” of “Oké, leuk.”, kon er vaak nog vanaf, maar meer ook niet. Soms was de reactie na mijn verhaal: “Oké. Hoe gaat het met je cijfers?” Het leek het enige te zijn wat ze van mij wilden horen.

Ook kon mijn moeder mij vergelijken met mijn overleden broer; ‘Angelo bood wel altijd aan te helpen met de afwas’, ‘Angelo was niet zo rommelig als jij.’ Het voelde voor mij alsof ik nooit goed genoeg was en dat het beter was geweest als ik was doodgegaan in plaats van Angelo. Op mijn 14e geloofde ik hier zo in, dat de neiging om ook zelfmoord te plegen steeds sterker werd. Gelukkig had ik inmiddels therapie en probeerden mijn therapeuten mij ervan te overtuigen dat ik er wel mocht zijn. Ik weet nog dat mijn ouders een keer erg schrokken omdat zij hoorden van mijn mentrix dat ik het idee had dat zij niet van mij hielden. Ze gaven mij een knuffel en een kus op mijn hoofd en zeiden dat ze wel degelijk van mij hielden. Toch kon ik het niet geloven; ik kreeg immers wisselende boodschappen, het verwarde me juist. Waarom dacht en voelde ik dat zij niet van mij hielden als het wel zo was? Lag het allemaal aan mij? Was ik zó raar dat ik dit dacht of verzon?
Uiteindelijk liet mijn moeder mij na een lang ziekbed haar dagboek achter. We wisten op een gegeven moment dat ze zou gaan overlijden en ze wilde mij iets van haarzelf achterlaten. Ze schreef blijkbaar over al haar gevoelens rondom haar ziekbed, want in het dagboek was heel wat kritiek aan mij en mijn vader te lezen. Ik las dat ik lui en onverantwoordelijk was en dat zij zich zorgen maakte hoe ik zou worden als ik eenmaal volwassen was.

Het verwarde kind
Mijn ouders hanteerden de opvoedstijl: volwassenen hebben altijd gelijk. Dit komt denk ik voort uit hun eigen opvoeding/cultuur. Mij werd dan ook niet vaak wat gevraagd; ik moest juist doen wat er van mij gevraagd werd. Als middelbare scholier kwam ik bij het vak Nederlands in de problemen: hoe moest ik immers debatteren als ik geen mening had? Als 19-jarige was ik nog steeds compleet in de war: ik had mij mijn hele jeugd aangepast aan het voldoen aan verwachtingen van anderen en was mezelf ondertussen kwijt geraakt. Op de één of andere manier had ik het idee dat anderen mij wel zouden vertellen hoe ik mijn leven zou moeten leven. Blijkt het dat ik dat zelf moet invullen! Hoe moest ik nu in ’s hemelsnaam een (volwassen) identiteit vormen? Ik raakte in een identiteitscrisis.

Waar ik eigenlijk nog het meeste schaamte- en schuldgevoelens over had, was het fantaseren over leven in een ander gezin, met andere ouders. Ik was bijvoorbeeld erg jaloers op het gezinsleven van vriendinnen als ik bij hen thuis was. Achteraf gezien leek het erop dat ik op zoek was naar een moederfiguur; eerst in mijn juffen op de basisschool en later bij de leraressen van mijn middelbare school. Vooral mijn mentrix van de brugklas. Zij werd als een soort idool voor mij; ik wilde net zo worden als zij. Ook wilde ik vaak bij haar zijn. Iets waar ik me erg schuldig over voelde, gezien mijn eigen moeder ondertussen was gediagnosticeerd met kanker en hier later ook aan overleed. Pas later begreep ik dat ik die vrouwelijke docenten zo opzocht omdat ik van hen de aandacht, steun en zorg kreeg dat ik ook thuis zocht, maar niet vond. Tijdens mijn middelbare schooltijd gaf ik het op en ging ik blijkbaar elders op zoek naar wat ik nodig had.

De behoefte om vrouwelijke voorbeeldfiguren op te zoeken en op hen te leunen, heb ik inmiddels niet meer. Op dit moment worstel ik wel nog steeds met gevoelens van eenzaamheid en het gevoel hebben dat ik ‘alleen op de wereld’ ben. Dit gevoel komt bijvoorbeeld op wanneer ik geconfronteerd wordt met de manier waarop mijn schoonouders met mijn vriend omgaan; hij kan altijd op hen terugvallen en ze zijn geïnteresseerd in wat hij te vertellen heeft. De gedachten; ‘op wie kan ik terugvallen?’ en ‘wie luistert naar mij?’, geven dan veel verdriet.

De geboorte van de Dictator
geboortedictatorDe Dictator vindt zijn oorsprong in mijn jeugd. Toen hij nog niet bestond, was het niet hij die kritisch op mij was, maar mijn ouders. In therapie werd mij voorgelegd dat mijn ouders vroeger te hoge eisen aan mij stelden. Zelf herinner ik me dat ik vooral te horen kreeg wat ik niet goed deed of beter kon doen, dan dat wat ik wel goed deed. Ik kreeg het gevoel dat ik nooit iets goed deed. Er was sprake van voorwaardelijke liefde in plaats van onvoorwaardelijke liefde.

Mijn tienerdagboeken staan vol schaamte en schuldgevoelens. Na twee dagboeken hield ik het maar voor gezien want ik werd alleen maar somber van het schrijven en het doorlezen ervan. Regelmatig schreef ik ‘Ik haat je’,  ‘waarom ben je zo stom?’ en ‘ik snap niet dat mijn vriendinnen mij nog steeds niet zat zijn’.
Toch had ik niet echt door dat ik een laag zelfbeeld had. Ik vond mezelf zelfs regelmatig narcistisch en egoïstisch. Dat ik niet veel waard was, was dan ook voor mij de waarheid en geheel logisch. Op mijn 14e deed ik mezelf voor het eerst pijn om mezelf te straffen en mijn gevoelens te verdoven. Rond mijn 14e kreeg ik ook voor het eerst last van suïcidale gedachten; ‘ik voeg niets toe aan het leven van anderen en ik ben iedereen tot last, dus ik kan er maar beter niet zijn’. Tijdens schematherapie een jaar geleden, moest ik praten tegen degene die zo hard is voor mezelf (Lees: tegen een stoel). Voor het ‘aanspreek-gemak’ gaven we hem een naam: De Dictator. (Mijn interne criticus, niet de stoel.)

Niet alleen qua innerlijk, maar ook qua uiterlijk had ik altijd al weinig zelfwaardering. Ik vond mezelf altijd al klein en mollig. Het klein zijn kan ik nog steeds niets aan doen, maar het mollig zijn wel. Uiteindelijk ontwikkelde ik rond mijn 20e een eetstoornis; De Dictator ging zich ook nog eens met mijn eetpatroon bemoeien. Mijn huidige behandelaar wees mij eens op dit filmpje (gemaakt door Lentis GGZ) over de interne stem bij een eetstoornis. Ze had gelijk; het filmpje beeldt precies uit hoe de Dictator/eetstoornis tegen mij praat. Het werd al snel duidelijk dat de functie van mijn eetstoornis is, dat ik mijn zelfwaardering haal uit afvallen en weinig eten.
De oorzaak van de eetstoornis is ook een manier van (slechte) coping; een manier om controle over een situatie terug te krijgen. Ik begon immers met het rommelen met eten tijdens de opname in de jongerenkliniek, waar ik mij door het onvoorspelbare gedrag van anderen erg onveilig heb gevoeld. Ik wilde mezelf beschermen door voor anderen (dus ook de therapeuten) te verbergen dat ik zo angstig was. Restrictief/weinig eten, zorgde voor een (schijn)controle. Ik kon mij hierdoor gek genoeg toch wat veiliger voelen, want ik had de ‘macht’ over mijn eigen eetpatroon en niemand anders mocht hier aankomen.

De boze volwassene
Het heeft lang geduurd voordat ik boosheid kon ervaren. Tijdens mijn klinische opname op mijn 19e voor klinische psychotherapie, kwam dit dan ook veel aan bod. “Ik ben nooit boos”, hield ik vol. Er werd zo vaak aan mij gevraagd of ik boos was door de therapeuten, dat ik er bijna boos van werd. (Wellicht hun tactiek.)
Tijdens deze opname, leerde ik dat ik wel degelijk boos werd, alleen nooit op anderen. Als ik wel boosheid ervoer, internaliseerde dit zich; ik legde de schuld altijd bij mezelf om vervolgens vreselijk kwaad te worden en mezelf te straffen door middel van zelfbeschadiging. Mijn therapeuten zagen dit regelmatig gebeuren, maar ik had het zelf niet door. Een voorbeeld is toen ik tijdens psychomotorische therapie (PMT) een basketbal tegen mij hoofd kreeg. Na de PMT werd ik door de therapeute gevraagd even te blijven. Ze vroeg: “Ben je niet boos op je groepsgenoot?”. “Nee”, antwoordde ik, verbaasd om haar vraag. “Maar hij zag dat je aan de andere kant van de zaal was en smeet alsnog onbezonnen de bal door de zaal”, opperde ze. “Had ik maar niet in de weg moeten lopen”, zei ik met volle overtuiging.
Doordat ik thuis uit angst voor boosheid van mijn ouders nooit mijn eigen boosheid durfde te uiten, is het naar binnen geslagen. Hier hoort ook bij dat ik andere mensen op een voetstuk plaatste en mezelf daar ver onder. Natuurlijk is het dan mijn schuld en niet dat van mijn groepsgenoot.

Inmiddels gaat het uiten van boosheid beter. Ik mag vaker boos zijn van mezelf en het lukt steeds beter om dit niet te internaliseren. Ik merk dan ook dat ik boosheid ervaar over hoe de dingen vroeger gelopen zijn en daarmee ervaar ik ook boosheid naar mijn ouders toe. Dit laatste vind ik het moeilijkste, want ik wil hen niets kwalijk nemen. Er zijn natuurlijk ook goede herinneringen aan mijn jeugd en aan mijn ouders, alleen is het lastige dat deze herinneringen en gevoelens onderdrukt worden door de nare herinneringen en gevoelens van de trauma’s.

Ondanks de moeilijke band (en ondanks de boosheid die ik tegenwoordig wel voel) probeer ik er te zijn voor mijn vader. Ik ben immers het enige gezinslid dat hij nog heeft. Op zijn manier is hij er ook voor mij en houdt hij van mij. De acceptatie dat ik emotionele steun, genegenheid, aandacht etc. nog steeds elders moet zoeken blijft tot op heden confronterend en verdrietig, maar gelukkig vind ik dit tegenwoordig allemaal wel bij mijn lieve zorgzame vriend en bij mijn lieve gezellige vrienden en vriendinnen. Het is dan ook de kunst om los van mijn vader een leven op te bouwen, maar om toch een manier te vinden om hem (op een voor mij gezonde manier) bij mijn leven te blijven betrekken. Op het moment heb ik veel behoefte aan afstand, om het recente besef en de bijbehorende herinneringen een plek te kunnen geven. Gezien mijn vader ook kampt met lichamelijke klachten, zorgt dit wel eens voor dilemma’s; hoe kan ik er voor hem zijn zonder over mijn grenzen te gaan? Toen hij 5 jaar geleden een herseninfarct kreeg, was ik bijvoorbeeld tijdelijk mantelzorger. Ik zorgde graag voor hem, maar ik had zelf niemand om op terug te vallen. Deze omstandigheden, gecombineerd met een depressie en opbouwen van medicatie, zorgden ervoor dat ik in een flinke crisis terecht kwam en een zelfmoord poging deed die (gelukkig) mislukte.

Mijn littekens
self-hatred-2-2Door mijn studie las ik voor het eerst over emotionele verwaarlozing. Ik wist hiervoor niet dat dit bestond. Ik vertelde in therapie dat ik mezelf hier (gek genoeg) in herkende. Mijn therapeute legde vervolgens uit dat dit kan kloppen. Na het bestuderen van de kenmerken en mogelijke gevolgen van emotionele verwaarlozing aan het begin van dit artikel, herken ik heel wat hiervan bij mezelf en bij mijn ouders. Sindsdien is er wat betreft de problemen die ik nog steeds ervaar een hoop voor mij op zijn plek gevallen.

Wat ik er in het dagelijks leven van merk is dat ik elke dag weer gek wordt van de interne “stem” van De Dictator in mijn hoofd. Vroeger had ik zelfbeschadiging als coping, maar tegenwoordig heb ik als coping om mij te verweren tegen deze constante kritiek; “Hou op” of “Stop” zeg ik dan hardop. Soms lijkt het alsof ik lijd aan een soort gilles de la tourettes, gezien ik ook kan vloeken op de dictator. Helaas vloek ik nog meestal op mezelf. “Stomme trut”, “ik haat je” of erger, floept er regelmatig hardop uit. Het is niet ideaal, maar ik kan me redelijk inhouden in gezelschap en het zorgt in ieder geval niet meer voor blijvende littekens op mijn armen. Ook ga ik er natuurlijk vanuit dat dankzij therapie ik uiteindelijk geen last meer zal hebben van de Dictator, maar vervangen zal worden door een milde, gezonde, kritische stem.

De Dictator zorgt er nog steeds voor dat ik tijdens mijn studie en stages zelfvertrouwen tekort kom, waardoor ik niet optimaal kan functioneren. Ik kan de gedachten soms redelijk opzij zetten en als het goed gaat geeft mijn studie en stage mij juist zelfvertrouwen, maar toch is de terugkerende feedback van docenten en stagebegeleiders nog altijd dat ik té bescheiden ben, soms kwetsbaar overkom en nog meer zelfvertrouwen mag uitstralen. Iets wat ik erg moeilijk vind door de overvloed aan kritische gedachten tijdens mijn bezigheden. Helaas heb ik er ook last van wanneer ik thuis op de bank zit, waardoor kunnen ontspannen en genieten van vrije tijd ook moeizaam gaat. Constant ben ik aan het piekeren en aan het malen om vervolgens mezelf te zitten haten.

Het stomme is dat ik dit zó ontzettend zat ben en rationeel gezien ook wel weet dat De Dictator “gewoon maar” een patroon is dat mij vroeger hielp (te overleven) en mij nu juist belemmert… Toch is hij zo hardnekkig en vastgeroest dat ik nog iedere dag in dit patroon vastloop. In therapie loop ik er tegenaan dat ik het allemaal prima kan rationaliseren en kan verwoorden, maar het lijkt alsof het gevoel achterblijft; het voelt als of de Dictator gelijk heeft, al weet ik beter.

Het is niet uitzichtloos
b2b2803c7f823157b11d6b4ffe8ea012Onlangs namen de eetproblemen weer toe, wat mij óók nog eens leek te gaan belemmeren tijdens mijn stage. Ik nam daarom het verstandige besluit (al zeg ik het zelf) om mij (wederom) aan te melden bij een centrum voor eetstoornissen voor een behandeling. Na wat intakegesprekken kreeg ik te horen dat zij adviseren om eerst een traumabehandeling te doen, omdat de eetstoornis en mijn lage zelfbeeld uit de trauma’s voortkomen. Eerst traumabehandeling zou zorgen voor een stabielere basis om aan de eetstoornis te gaan werken.

Uit ervaring weet ik inmiddels dat traumabehandeling zoals EMDR mij zodoende ontregelt dat ik al helemaal niet goed kan functioneren (zie ook blogartikel ‘De EMDR-sessies (deel 2)’). Als alternatief stelde mijn behandelaar voor om een andere vorm van traumaverwerking te gaan doen: imaginatie rescripting. Dit is een interventie dat onderdeel is van schematherapie, maar zich richt op het anders gaan interpreteren van nare gebeurtenissen in de vroege jeugd. Inmiddels zijn we hiermee gestart. Samen met de therapeut ben ik gaan kijken waar ik de afgelopen week tegenaan ben gelopen. Vervolgens zijn we teruggegaan naar een gebeurtenis in mijn jeugd die mij doet denken aan de gebeurtenis van afgelopen week. Zo barstte ik bijvoorbeeld een keer in tranen uit toen mijn vriend zei: ‘Ja hoor, ga maar lekker op de bank zitten, ik ruim de boodschappen wel op.’ We schrokken allebei van mijn heftige reactie, maar mijn vriend al helemaal omdat hij het als grapje bedoelde; hij wist ook wel dat ik het per ongeluk was vergeten. Ik voelde me ontzettend schuldig en realiseerde me dat het mij deed denken aan de opmerking van mijn ouders vroeger. Wanneer ik bijvoorbeeld vergat de hond uit te laten, werden ze boos en noemden zij mij lui en onverantwoordelijk.
In therapie moest ik dan tot in detail vertellen hoe de situatie vroeger ging. Vervolgens zei mijn behandelaar dat zij in de situatie zou stappen en zij dan bijvoorbeeld tegen mijn ouders van toen: “Het is niet fair om Lyka onverantwoordelijk te noemen. Ze is het vergeten en dat kan gebeuren. Ze is nog maar een kind en zoveel kinderen vergeten een klusje in huis te doen. Door zo streng voor haar te zijn beschadigen jullie haar zelfbeeld. Het mag wel een tandje minder!”
Vervolgens vraagt mijn behandelaar hoe dit voor mij is en of er nog wat moet gebeuren. In andere situaties is het voorgekomen dat wij in de fantasie samen mijn ouders uit huis hebben gezet zodat ik op een veilige manier mijn verdriet kon uiten. Ook heeft mijn behandelaar in zo’n fantasie gewoonweg gevraagd naar wat mij bezighield als kind; ze toonde interesse in mij als kind en gaf hiermee warmte en aandacht. Gek genoeg herinnerde ik mij weer dingen die ik deed als kind (zoals mw. Zuurtje en mw. Pruimpje naspelen van Telekids) en moest er zelfs om lachen.
Het doel van deze therapie is om andere conclusies te gaan trekken uit deze gebeurtenissen. In plaats van: “Ik ben een slecht kind” of “Ik ben niets waard”, zal ik bijvoorbeeld moeten gaan denken: “Mijn ouders stelden te hoge eisen” en “Ik mag er zijn”. Oftewel, in termen van schematherapie; het versterken van de gezonde volwassene. Beetje bij beetje lukt dit steeds meer. We gaan ons nu richten op het versterken van zelfcompassie, gezien ik ergens nog steeds het gevoel heb dat ik een verschrikkelijk kind was dat niet beter verdiende.

Wanneer ik ben afgestudeerd wil ik overigens dan toch een traumabehandeling gaan volgen; ik heb dan immers weer de tijd en het is praktisch en prettig om geen last meer te hebben van de trauma’s wanneer ik een baan ga zoeken en anderen ga begeleiden bij hun herstelproces.
Bij het maken van een nieuw behandelplan, bleek dat ik meer vooruit ben gegaan dan ik dacht. Ik word o.a. minder overspoeld door gevoelens, dissocieer niet meer tijdens therapie en ben mij steeds meer bewust wanneer ik last heb van een bepaald schema, waardoor ik anders kan handelen. De gezonde volwassene staat al veel meer op de voorgrond. Het is dus zeker niet uitzichtloos, al kan het nog vaak zo voelen.

KOPP
Ik schreef al eerder over mijn eigen ervaring omtrent KOPP (kinderen van ouders met psychische problematiek). (Hier te lezen.)
Toch wil ik KOPP nog een keer benoemen omdat ik in therapie een belangrijke ontdekking deed. Het blijft speculeren, maar mijn behandelaar gaf aan dat ik het zo kan zien dat allebei mijn ouders psychisch ziek waren en zijn. Ze waren beide getraumatiseerd en er was waarschijnlijk sprake van depressie en van (borderline) persoonlijkheidsproblematiek. Door deze psychische problematiek waren zij gewoonweg niet in staat om mij de zorg te bieden die ik nodig had. Hoe kun je immers liefde geven, als je zelf nooit liefde hebt gekregen? Mijn moeder verweet mij dat ik afstandelijk en vermijdend naar haar was tijdens haar ziektebed, maar hoe kon ik emotioneel beschikbaar zijn als zij dat niet voor mij was? We leefden in een gezinssysteem waar ieder behoefte had aan emotionele steun, maar geen van ons kon het elkaar geven…

Het vergeten kind
Tijdens het schrijven van dit stuk merk ik dat ik mij schuldig en ondankbaar voel. Ook ben ik bang dat ik mijn ouders hierdoor in een wel heel kwaad daglicht heb gesteld, ook al heb ik geprobeerd het zoveel mogelijk bij mezelf te houden. Nogmaals: mijn ouders valt niets kwalijk te nemen. Zij hebben zelf een zware jeugd en een zwaar leven gehad, dus hoe konden zij ook anders? Toch vind ik het belangrijk over dit thema te schrijven. Emotionele verwaarlozing wordt immers snel over het hoofd gezien en is ook in mijn geval helaas niet op tijd opgemerkt. Dit roept op dit moment dan ook vragen op: waarom werd er niet ingegrepen?

Hoe dan ook, bij tijdige signalering kan een hoop leed, voor zowel ouders als kinderen worden bespaard! Bij de KOPP-groepen waar ik stage liep, zag ik immers hoe ouders en kinderen weer naar elkaar toegroeiden, door de ondersteuning die aan beiden werd aangereikt. Mijn behandelaar beschreef laatst dat een oud-cliënt van haar iets zei over dit thema wat haar is bijgebleven en wat nu ook bij mij is blijven hangen:
“Het kind dat om aandacht schreeuwt en om zich heen slaat en schopt redt zich wel. Let alsjeblieft ook op het kind dat zich ondertussen verstopt achter de gordijnen. Die heeft óók hulp nodig”. Met andere woorden; zie deze stil en teruggetrokken kinderen alsjeblieft niet over het hoofd!

Tot slot nog advies van klinisch psycholoog Carlijn de Roos aan hulpverleners, dat ik zelf als toekomstig hulpverlener ook zeker in acht zal nemen:

“Kaart een vermoeden van emotionele verwaarlozing altijd bij de ouders aan. Vraag hoe het gaat met de opvoeding en of er hulp nodig is. Voor lichte klachten zijn er allerlei preventieve opvoedcursussen. Heeft het kind forse problemen, zoals een depressie, dan komt de ggz in beeld. Bij grote zorgen over de veiligheid van het kind kun je een melding bij het AMK doen.”

 

Bronnen:
https://www.linkedin.com/pulse/emotionele-verwaarlozing-last-van-wat-er-niet-gebeurd-janine-janssens/
http://www.augeomagazine.nl/nl/magazine/4068/703592/blauwe_plekken_op_de_ziel.html
https://www.depsycholoog.nl/emotionele-verwaarlozing/
https://www.zorgwelzijn.nl/emotionele-verwaarlozing-bron-voor-depressie-en-angst-zwz016157w/
Multidisciplinaire richtlijn Persoonlijkheidsstoornissen (PDF)
https://www.deviersprong.nl/persoonlijkheidsstoornissen/de-ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/kenmerken/
http://www.schematherapieopleidingen.nl/wp-content/uploads/2016/10/Slides-Fine-Tuning-IR-NL.pdf
Lentis GGZ ‘Door Dik en Dun’ (YouTube)

Psychiatrisch patiënt studeert voor hulpverlener

Zo luidt de titel van het interview over mij en mijn blog in de Folia. De voorpagina van het magazine was duidelijk niet gemaakt door de interviewster. Tijdens het interview hadden we het over de missie van mijn website: het verminderen van stigma over psychische problemen. De zin op het voorblad leek die boodschap juist tegen te spreken; het kwam nogal bot over. Ik ben al jaren niet meer opgenomen geweest en dus al een tijd geen psychiatrisch patiënt meer. De enige die mij nu nog cliënt noemt – niet direct natuurlijk – is een vrijgevestigde psychotherapeut. Ik probeer juist heel erg mezelf niet meer te zien als cliënt of patiënt, maar als Lyka: dochter, vriendin en bijna hulpverlener. In dit artikel wil ik uiteenzetten hoe het is om te studeren voor hulpverlener, terwijl ik zelf nog hulpverlening nodig heb.

Cliënt carrière
Vanaf mijn 14e tot en met mijn 26e ben ik bijna non-stop in therapie geweest. De oplettende lezer heeft het al door: juist, ik ben nu 26 jaar oud en dus al 12 jaar in therapie. De korte periode bij een kinderpsychiater toen ik 6 jaar was, hierbij niet meegeteld. In al die tijd is er maar een periode van 4 maanden geweest waarin ik geen therapie had; een periode waarop ik het zonder wilde proberen. Al gauw bleek dat ik daar nog niet klaar voor was: het ‘uit therapie gaan’. Wel is het nog steeds mijn doel, vandaar ook de naam van mijn website en blog.

under-construction-2Vanaf kleins af aan zijn er dingen in mijn leven gebeurd (in vaktermen: life-events) die een grote impact hadden op mij en mijn directe omgeving. Deze gebeurtenissen hebben mij  gevormd tot wie ik nu ben. Daarbij horen o.a. enkele copingsmechanismen die ik toentertijd nodig had om te overleven, maar mij nu helaas juist belemmeren in mijn leven. Een vraag die ik wel eens voorbij hoor komen: waarom maakt de één nare dingen mee en kan diegene gelukkig verder leven, terwijl de ander psychisch ziek wordt en zich vervolgens door het leven heen moet ploeteren? Door mijn opleiding weet ik dat het te maken kan hebben met erfelijke aanleg of met aangeboren temperament wat je gevoeliger kan maken voor het ontwikkelen van psychische ziekten. Zo heb ik met mijn  persoonlijkheidskenmerk ‘perfectionisme’, statistisch gezien meer kans op het ontwikkelen van een depressie, burn-out en/of misschien wel een eetstoornis. Daarnaast denk ik dat het ook te maken kan hebben met omgevingsfactoren; een warm nest had mij denk ik beter kunnen ondersteunen in zware tijden, dan een afstandelijk nest dat het eigenlijk zelf ook niet zo goed weet door eigen moeilijkheden.
Of iemand anders niet ziek geworden zou zijn door hetzelfde meegemaakt te hebben als ik, is moeilijk te achterhalen. Psychische ziekten komen namelijk in mijn familie vaker voor dan alleen bij mij.

De reden dat ik op het moment nog steeds hulpverlening nodig heb?
Een oud-therapeute legde het als volgt uit: “Je hebt je leven lang jezelf aangeleerd om te dealen met bepaalde situaties; je hebt copingsmechanismen ontwikkeld. Deze mechanismen waren destijds nodig om deze periodes te kunnen ‘overleven’, maar zijn nu juist belemmerend geworden in je leven omdat de situatie van toen inmiddels anders is. Het aanleren van deze mechanismen hebben jaren geduurd, dus je kunt verwachten dat het afleren van deze mechanismen ook flink wat jaren nodig zal hebben.”

Hulpverlener carrière
carl-jung-quoteEind juni dit jaar heb ik – als ik niet nog meer vertraging oploop – mijn derdejaarsstage afgerond en hoef ik alleen nog maar mijn vierdejaarsscriptie te doen. In de zomer van 2018 zal ik dan eindelijk afgestudeerd zijn en mag ik mezelf officieel hulpverlener (SPH’er) noemen.
Nog steeds is mijn identiteit als hulpverlener een zoektocht. Dit hoort natuurlijk bij de opleiding en je beroepsontwikkeling als student. Bij mij heeft het echter ook te maken met het feit dat ik zelf altijd nog in therapie ben geweest tijdens mijn opleiding. Dit maakte dat ik wel eens last had van rol verwarring. Denk aan rollenspellen moeten doen, terwijl je nog een voltijd dagbehandeling volgt en van college naar therapie vliegt en andersom. Om even een beeld te schetsen: 11:00 uur was ik patiënt en groepsgenoot bij de dagopening, om 13:00 uur was ik hulpverlener in een rollenspel bij het vak gespreksvaardigheden, om 15:00 uur weer moeder van een groepsgenoot te spelen bij de therapie psychodrama.
Toen ik mijn eerste derdejaarsstage ging lopen had ik ook last van rol verwarring in contact met mijn therapeute. Op stage kreeg ik steeds leuker contact met collega-hulpverleners en ook buiten werktijden kreeg ik wel eens lift naar het busstation waarbij een behandelaar wat vertelde over haar privéleven. Tijdens mijn therapie zat ik dan weer tegenover een behandelaar, de mijne, die helemaal niets loslaat over haar privéleven en verwacht dat ik vooral over mezelf praat. Hierdoor voelde ik me in een patiënten-/cliënten rol gedrukt, terwijl het op stage steeds meer lukte om mezelf als hulpverlener te gaan zien. Inmiddels heb ik hier in therapie nog maar weinig last van. Het helpt dat mijn psychotherapeute mij naast als cliënt, ook benadert als een mede-hulpverlener; ze vraagt eerst of ik een begrip ken voordat ze een hele uitleg geeft en we kunnen praten in vaktermen. Dit vind ik erg fijn en niet alleen bevorderlijk voor de behandelrelatie, maar ook voor mijn herstel.

Een andere moeilijkheid tijdens mijn studie is altijd geweest: wat vertel ik wel en wat vertel ik niet?
Toen ik net begon met mijn studie voelde ik dat er zo goed als geen ruimte was voor eigen ervaringen. Vaak heb ik in een college gezeten waar ik redelijk wat aan kennis had kunnen aanvullen bij de aangeboden stof vanuit mijn eigen ervaring, maar heb altijd stilzwijgend aangehoord wat ik al wist of waar ik een nuance in aan had kunnen brengen. Dat klinkt misschien arrogant (vooral voor iemand die in therapie werkt aan een beter zelfbeeld), maar ik had me bijvoorbeeld voor mijn studie al veel ingelezen over mijn eigen diagnoses en daarmee al heel wat theoretische kennis opgedaan met betrekking tot psychopathologie. Een ander voorbeeld: meerdere keren heb ik geluisterd naar een ervaringsdeskundige die in de les zijn/haar ervaringsverhaal kwam vertellen, terwijl ik met een soortgelijk ervaringsverhaal zat te luisteren en te acteren alsof horen over bijv. een crisisopname ook voor mij nieuw was. Ik had de angst dat als ik zou vertellen dat ik zelf psychisch ziek ben en redelijk wat ervaring heb met behandelingen in de GGZ, docenten en medestudenten mij als incompetent zouden zien als hulpverlener. Je moet immers zelf helemaal psychisch gezond zijn om hulpverlener te kunnen zijn, heerst het idee.
Gedurende mijn studie heb ik veel last (gehad) van zelfstigma;
ik heb vaak de angst dat ik nooit een goede hulpverlener kan zijn omdat het mij nooit zal lukken volledig te herstellen. Ook vul ik soms in voor anderen (collega’s, medestudenten en directe omgeving), dat zij mij meer zien als cliënt/patiënt dan hulpverlener als ik vertel over mijn ervaring(-skennis).

Wat is zelfstigma?
“Bijna de helft van mensen met een psychische aandoening lijdt onder zelfstigma. Je vindt zelf dat je geen knip voor de neus waard bent vanwege je aandoening. Of je vindt vooroordelen van anderen over jou terecht.

Als je je bewust bent van je eigen stigma’s kun je hieraan werken om dat te verbeteren en er minder last van te hebben. Het kan je zelfbeeld in gunstige zin bevorderen.
Zelfstigma is meestal een proces van jaren. Klachten ontstaan vaak in de prille jeugd in familiekring. Je voelt je bijvoorbeeld thuis of op school afgewezen, wordt niet betrokken bij gesprekken. Dit leidt regelmatig tot angst voor sociale situaties. Ook nog jaren later. Als je psychische aandoening stelselmatig is onderkend, maakt je dat gevoeliger voor zelfstigma”

Bron: Samen sterk zonder stigma

Afgezien van zelfstigma, heb ik ervaren dat er binnen de opleiding ook daadwerkelijk weinig ruimte was voor de eigen ervaring van studenten. Dat terwijl je regelmatig hoort dat een groot aantal studenten SPH gaan studeren omdat zij zelf of in hun omgeving te maken hebben gehad met psychische ziekten. Gelukkig lijkt hier verandering in te komen!

Lyka, hulpverlener en slechts nog een beetje ziek
broken-objectsHet is mijn persoonlijke leerdoel tijdens de resterende tijd van mijn studie om mijn twee identiteiten: hulpverlener en cliënt, niet los van elkaar te zien, maar dat zij samenkomen als geheel. De leerlijn om ervaringskennis te ontwikkelen die mijn opleiding sinds kort aanbiedt, helpt mij daarbij! Als ik afstudeer, ben ik dankzij deze leerlijn niet alleen SPH’er, maar ook ervaringsdeskundige. Het hielp ook ontzettend dat mijn docenten van de vierdejaars minor vorig jaar aan zelfonthulling hebben gedaan: het bleek dat ook zij hulpverlener zijn met eigen ervaring in de GGZ. Het kan en mag dus! Ook ontkracht het mijn angst: deze mensen hebben nog steeds in enige mate last van psychische problematiek, maar zijn toch competent als hulpverlener én docent.
Zo helpt ook het op Twitter volgen van hulpverleners als Menno Oosterhoff, Remke van Staveren en Clara Koek-Michels voor mij om deze angst te ontkrachten. Deze mensen zijn voor mij ook een inspiratie en voorbeeld omdat zij in de (social) media openlijk uitkomen voor hun diagnose, maar daarnaast ook tweeten als enige andere deskundige psychiater. Daarmee dragen zij bij aan het doorbreken van het taboe en het stigma.

Ik moet zeggen, mijn herstel duurt dan wel lang, maar het komt steeds dichterbij: ik heb ontzettend veel stappen gezet sinds mijn eerste behandeling en kan nu al zeggen dat ik van ver ben gekomen. Ook in het ontwikkelen van mijn beroepsidentiteit zit schot: ik weet in ieder geval dat ik mijn eigen ervaring niet meer bij mij wil dragen als geheim, terwijl ik het ook kan inzetten om toekomstige cliënten te helpen. Op mijn (tweede derdejaars) stage ben ik daar al mee begonnen: ik loop op het moment stage in de GGZ jeugdpreventie (van angst en depressie) en werk o.a. met kinderen van ouders met psychische problematiek (KOPP-kinderen genoemd). Tegen mijn collega’s ben ik beetje bij beetje steeds opener over mijn eigen ervaring. Gelukkig zien ook zij het als meerwaarde en stimuleren zij mij juist om mijn ervaring in te zetten tijdens de preventiecursussen. Het bewijs is een super lieve kerstkaart dat ik kreeg met de tekst: “We zijn zo blij dat je bij ons stage bent komen lopen. Door je persoonlijke, verdrietige, verhaal, kun jij onze kinderen juist veel kracht bieden!” Dan heb je toch een top stageplek getroffen?!?!

Zelf merk ik dat ik door mijn ervaring een sterk analytisch vermogen heb; observeren en signaleren zijn sterke kanten van mij. Door de scherp afgestelde antennes die ik vroeger nodig had om de sfeer in huis aan te voelen en me zo nodig terug te trekken, voel ik nu (op stage) sneller aan wie in een groep zich niet goed voelen of zich anders gedragen. Ook trekken de stille- en teruggetrokken kinderen sneller naar mij toe dan naar sommige andere collega’s, omdat zij het waarschijnlijk als prettig ervaren dat ik zelf ook introvert ben en stil/rustig overkom. Zo is het voorgekomen dat kinderen die bijna nooit wat zeggen, wel met mij ineens een gesprek aangaan. Ook zie ik de stille kindjes minder snel over het hoofd dan collega’s; ik was immers zelf ook een stil- en teruggetrokken kind, dus ik herken bijvoorbeeld dat zij zich onzichtbaar kunnen maken in een groep.
Best wel toffe voordelen van zelf een moeilijke thuissituatie te hebben gehad, toch?
Toch zal ik realistisch moeten blijven kijken naar mijn gezondheid en functioneren; ik heb niet voor niets vertraging opgelopen tijdens mijn studie. Het volgen van een opleiding is door het ziek zijn erg zwaar. De mogelijkheid dat ik door mijn gezondheid (nog) niet in staat ben te werken na mijn studie, moet ik helaas in mijn achterhoofd houden…

depressiegala-foto

Morgen is het Depressiegala. Een evenement waar ik vorig jaar aanwezig was terwijl ik mijn diagnose (zware, chronische depressie) met mij meesleepte. Dit jaar ben ik aanwezig zonder zware depressie, dus de enige vorm van slepen dat je morgen zal kunnen zien, zal de sleep zijn van mijn galajurk. Mocht je mij morgen spotten (met mijn vriendlief), kom gerust gedag zeggen! Je kunt mij herkennen aan de glimlach op het gezicht.

depressiegala

Lang zal ze leven?

Waarschuwing vooraf: denk goed na of je dit artikel wilt lezen. Ik wil het taboe op zelfmoord doorbreken door er over te schrijven, wetende dat het onderwerp ook triggerend kan zijn wanneer je al kampt met gedachten aan de dood.
Herken je deze gedachten: praten kan helpen… echt. www.113online.nl

 


De laatste tijd lijkt er in de media veel te doen omtrent het onderwerp euthanasie/zelfmoord. Zo raakte de Levenseindekliniek in opspraak door de gelijknamige documentaire, stonden de kranten vol met het bericht dat BN’er Wim Brands zichzelf van het leven heeft beroofd en hoorde ik afgelopen week het bizarre nieuws dat in een Canadees dorpje op één dag 11 mensen een zelfmoordpoging deden. Daarnaast was het afgelopen week in Amerika ‘Depression Awareness week’. In other news: ik ben vandaag jarig. Dit leek me een uitstekende gelegenheid om dit onderwerp te bespreken en daarmee te proberen het taboe te doorbreken.

Cijfers
Veel mensen in Nederland krijgen in hun omgeving ooit met suïcide of een poging daartoe te maken. Gemiddeld maken jaarlijks zo’n 1500 mensen in Nederland een einde aan hun leven. Het aantal mensen dat erover denkt, ligt veel hoger: boven de 400.000. Van deze mensen doet bijna een kwart een suïcidepoging. Bij 14.000 mensen zijn de gevolgen hiervan zo serieus dat ziekenhuisopname nodig is.
Vrouwen overwegen vaker dan mannen om hun leven te beëindigen en doen ook meer pogingen. Twee keer zoveel mannen maken daadwerkelijk een einde aan hun leven. Jongeren in de puberteit en ouderen zijn een extra kwetsbare groep. Eén op de zes jongeren denkt wel eens aan suïcide. Die gedachten kunnen uitmonden in zelfverwonding of pogingen tot suïcide. In driekwart van de gevallen gebeurt dat impulsief en/of onder invloed van alcohol of drugs. Ouderen maken verhoudingsgewijs vaak een einde aan hun leven. Verklaringen hiervoor zijn met name depressie, eenzaamheid, verlies, conflicten in de familie en lichamelijke aandoeningen.
Bron: Fonds Psychische Gezondheid

Hoe komt het?
Volgens Alen Frances in het boek ‘Stemming en Stoornis‘ komen gedachten omtrent zelfdoding voort uit de door de depressie veroorzaakte sterke vervormingen van het cognitief denken. Iemand met suïcidale gedachten is er van overtuigd geraakt dat het leven met zijn/haar hele toekomst niets meer zal worden of minstens even ellendig zal zijn als het heden. Hij of zij verliest het feit uit het oog, of kan niet geloven, dat bijna iedereen met een depressie er weer bovenop kan komen en dan zowel het verleden als de toekomst er heel anders (realistischer) uit zal zien (Frances & First, 1999).
Met andere woorden: suïcidale gedachten zijn een verstoring in het denken.

e67bab2b9e81539a794beb1d38ffe7f2In het boek ‘Piekeren over zelfdoding‘ staat dat gedachten aan zelfdoding vaak ontstaan in reactie op problemen die groot en onoplosbaar lijken. Denken aan zelfdoding kan dan ook een vorm van zelfbescherming(/copingsstrategie) zijn: je beschermt jezelf hiermee tegen een nog groter onheil, door te moeten leven met een uitzichtloos toekomstperspectief, door te moeten leven met ondraaglijke gevoelens van eenzaamheid, of door te moeten leven en te voelen dat je helemaal geen gevoel meer hebt zoals voorkomt bij een depressieve aandoening. Sommige mensen geven bijvoorbeeld aan dat zij euthanasie zouden willen plegen wanneer zij dement zouden worden of na een ongeluk zouden moeten leven als ‘kasplantje’. Ook hierbij is de gedachte aan zelfdoding een geruststellende en/of beschermende gedachte. Het wordt pas problematisch, wanneer je geen controle meer hebt over gedachten aan zelfdoding en je blijft hangen in eindeloze piekergedachten. In het Frans wordt piekeren dan ook treffend torturer l’esprit genoemd: het martelen van de geest (Kerkhof & van Spijker, 2012).

Het Fonds Psychische Gezondheid stelt in hun brochure over suïcide dat mensen die een einde aan hun leven maken, op het moment dat ze dat doen bijna altijd depressief zijn. Toch is een depressie zelden de enige oorzaak van een suïcide. De meeste mensen met een depressie maken geen einde aan hun leven, maar de kans dat ze dat doen is wel groter dan bij mensen die geen depressie hebben. Extra risico lopen mensen die net met antidepressiva zijn begonnen. Het duurt enkele weken voordat deze medicijnen tot verbetering van de stemming leiden. In die periode is de kans op suïcide verhoogd. Het is niet duidelijk waarom dat zo is. Het is wel een reden om dan extra alert te zijn.
Alen Frances noemt in zijn boek een andere situatie waarin men extra alert moet zijn, namelijk; wanneer iemand met een zware depressie wat meer energie lijkt te krijgen. Dit komt doordat wanneer er sprake is van een ernstige depressie, mensen vaak niet de fut of besluitvaardigheid hebben om de gedachten over zelfdoding om te zetten in acties. Het kan zo maar zijn dat wanneer iemand weer opkrabbelt, wel weer voldoende fit is om een actie als zelfdoding inderdaad uit te voeren, maar nog niet om van tevoren met rationele gedachten de consequenties van deze actie te overzien.

Risicofactoren
In het vorige kopje werd duidelijk dat niet alleen het hebben van een depressie een oorzaak hoeft te zijn voor het hebben van suïcidale gedachten. Uit onderzoek is bekend dat suïcide vaker voorkomt bij mensen die al eerder een poging hebben gedaan.  Hier volgt een opsomming van een aantal risicofactoren van suïcide:Hold on pain ends lyka

  •  Psychische problemen. Mensen met een depressie of depressieve klachten, schizofrenie, een psychose, persoonlijkheidsstoornissen of een alcohol- of drugsverslaving vormen een belangrijke risicogroep.
  • Traumatische of schokkende ervaringen. Nare gebeurtenissen uit het verre of recente verleden zijn een risicofactor. Zoals de dood van een dierbare, seksueel misbruik, lichamelijke of emotionele mishandeling of marteling, dreigende pijnlijke onthullingen en abrupt verlies van vrijheid of sociale status.
  • Eerdere ervaringen met suïcide (in de omgeving). De helft van de mensen die een einde aan hun leven maken, heeft dat eerder geprobeerd. Suïcide komt ook vaker voor bij mensen die dit in hun omgeving hebben meegemaakt. Deze mensen kunnen suïcide als een mogelijke oplossing van problemen gaan romantiseren of raken ‘aangestoken’ door de voorbeelden. Suïcide komt ook in bepaalde families en regio’s meer voor dan in andere.
  • Iemands persoonlijkheid. Een verhoogd risico lopen mensen die impulsief of agressief op problemen reageren, erg onzeker zijn over zichzelf, moeilijk problemen kunnen oplossen, erg streng voor zichzelf zijn en erg zwart-wit denken, makkelijk in de war of teleurgesteld raken of snel wanhopig zijn.
  • Sociale kenmerken. Van mensen in moeilijke sociale of economische situaties is bekend dat zij een groter risico lopen. Voorbeelden zijn mensen die erg eenzaam zijn, mensen met een ernstige lichamelijke aandoening of dodelijke ziekte, asielzoekers en vluchtelingen die een marginaal bestaan leiden. Ook ouderen boven tachtig jaar en jongeren in de puberteit lopen een groter risico.Bron: Fonds Psychische Gezondheid

muchpainNaast bovenstaande risicofactoren, spelen factoren als draagkracht en draaglast ook een rol. De draaglast (belasting) wordt gevormd door factoren en eisen uit je omgeving die spanning veroorzaken. De draagkracht (belastbaarheid) wordt bepaald door jouw mogelijkheden om stress te voorkomen en er mee om te gaan. Wanneer de draaglast zwaarder weegt dan de draagkracht, is het risico op suïcide groter.

Hoe voelt suïcidaliteit?

“Neem het refrein van Heb je even van mij van Frans Bauer. Je hebt het in je hoofd en het gaat er niet meer uit. Je hoort het tijdens het koffie zetten, onder de douche, in de auto naar je werk. Je hoort het als je in bed ligt. Het houdt niet op, wat je ook probeert. Je kunt er zelfs niet meer van slapen, zelfs niet na drank of pillen. Na een week heb je, uitgeput, nog maar één wens: dat het stopt.
Zo voelen mensen zich die aan zelfmoord denken, zegt hoogleraar suïcidepreventie Ad Kerkhof. Ze willen ontsnappen aan zich herhalende kwellende gedachten. Ze willen niet dood, ze willen dat het ophoudt. Het piekeren, de chaos in hun hoofd.”

Bron: http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/02/10/in-sommige-talen-is-er-geen-woord-voor-depressie-1589204

Voor mij voelt suïcidaliteit o.a. hoe deze hoogleraar – met een onfortuinlijke naam wat betreft zijn specialisme – dit hierboven beschrijft; op een gegeven moment overheersen de gedachten niet alleen mijn denken, maar ook mijn gevoel, mijn hele dag en mijn leven. Alles in mij lijkt er mee bezig te zijn. Bomen zijn dan niet meer zomaar bomen, maar zijn wel/niet te beklimmen en wel/niet afgelegen genoeg. Medicijnen zijn niet meer om beter van te worden, maar een middel van vergiftiging. Elke viaduct die ik zie is geen overbrugging van een weg, maar doet mij denken aan de zelfmoord van mijn broer.

Ik weet dan heus wel dat het geen oplossing is voor de problemen die ik ervaar, maar ik voel mij dan zo wanhopig dat het wel de enige oplossing lijkt om heftige gevoelens zoals intens verdriet, schaamte en minderwaardigheid niet meer te hoeven voelen. Te ontsnappen aan gevoelens van ondraaglijk lijden. Ook ben ik heus wel bezig met wat het met mijn omgeving zou doen: voor mijn vader zou het bijvoorbeeld betekenen dat het laatste overgebleven lid van zijn gezin ook overlijdt. Dat doet echt nog wel wat met me, maar tóch blijft de mogelijkheid van dood gaan verleidelijk. Ik weet immers geen andere manier meer om er mee om te gaan. Daarbij zie ik geen toekomst meer; alles lijkt uitzichtloos.

Mijn ervaringen
Zoals je in vorige artikelen op mijn blog hebt kunnen lezen en zoals het staat geschreven in mijn GGZ dossier, heeft mijn broer zichzelf gesuïcideerd toen ik 6 jaar oud was. Ik kreeg dus op jonge leeftijd niet alleen al te maken met het thema ‘dood’, maar ook thema’s als  rouw en suïcide.

Op latere leeftijd begon ik zelf Storms don't last foreversuïcidaliteit te ervaren; toen ik 14 jaar was werd ik niet alleen gediagnosticeerd met een depressie, maar raakte ik er van overtuigd dat ík had moeten sterven in plaats van mijn broer. Dit had o.a. te maken met schuldgevoelens over mijn broers dood en een laag zelfbeeld. Door middel van therapie raakte ik de overtuiging dat ik maar beter dood kon zijn wat meer kwijt.
Toch bleef ik last houden van suïcidale gedachten naast het hebben van een depressie. Op 17-jarige leeftijd kwamen de suïcidale gedachten voort uit het hebben van een moeilijke thuissituatie; een moeder die terminaal ziek was en daarnaast een slechte band hebben met beide ouders. Ik voelde me moedeloos en machteloos over de situatie en had het gevoel dat ik de situatie en het leven niet meer aan kon. Uiteindelijk gingen de zelfmoordgedachten over in het maken van plannen en leidde dit tot een crisisopname.
Ook na het overlijden van mijn moeder hield ik dit gevoel én de suïcidale gedachten. Toen mijn vader 3 jaar geleden een herseninfarct kreeg en het daardoor even onzeker was of hij het zou overleven, had ik wederom een depressie en was ik ook net bezig met het opbouwen van antidepressiva. De suïcidale gedachten begonnen toe te nemen toen mijn vader al een aantal weken bezig was met revalideren en ik in de tussentijd twee maanden alleen in mijn ouderlijk huis zat. Deze gedachten (en wellicht ook het medicijnengebruik) leidden op mijn 23e uiteindelijk tot een eerste zelfmoordpoging; in vaktermen een tentamen suïcide, waarvoor ik (gelukkig) niet ben geslaagd.

Voor mijn gevoel heeft het thema ‘suïcide’ altijd al een rol in mijn leven gespeeld. Het is voor mij zelfs iets geworden wat normaal is. Dit komt denk ik o.a. doordat ik vrede heb met de zelfmoord van mijn broer; ik neem het hem niet kwalijk en denk ongeveer te begrijpen waarom hij het heeft gedaan, maar mis hem wel ontzettend.
Het zou kunnen dat ik onbewust gedurende mijn leven gek genoeg suïcide ben gaan romantiseren. Dit terwijl ik dus zelf heb ervaren wat het teweeg kan brengen bij de directe omgeving…
De manier waarop mijn moeder over mijn broer sprak na zijn overlijden hielp denk ik ook bij het romantiseren. Ik werd na zijn dood regelmatig met hem vergeleken; “Angelo ruimde wel altijd zijn kamer op” of “Angelo bood wel altijd uit zichzelf aan te helpen met de afwas”.
Daarnaast wist ik dus al vroeg van het bestaan van zelfdoding af. Het zou kunnen zijn dat als ik in mijn jeugd niet was geconfronteerd met een suïcide, dat ik zelf minder snel aan suïcide zou hebben gedacht als optie. Uit onderzoek is immers gebleken dat een suïcide in het gezin een risicofactor kan zijn. Daarnaast leed ook mijn (half-)broer aan een depressie, net als de moeder van mijn vader, de broer van mijn moeder en inmiddels mijn vader zelf. Er zou dus ook van een erfelijke factor sprake kunnen zijn, van beide kanten van mijn familie.

‘Lang zal ik leven’ als doel
Zoals ik eerder al benoemde, ben ik vandaag jarig. Zesentwintig jaar ben ik geworden. Een hele prestatie vind ik zelf gezien mijn wensen en poging om een einde te maken aan mijn bestaan. Het vieren van mijn verjaardag voelt dan ook dubieus; op dit moment heb ik namelijk ook last van suïcidale gedachten, al kan ik ze inmiddels veel beter relativeren dan vroeger. Toch zijn ze er wel en zorgt dat ervoor dat ik moeite heb met het vieren van mijn 26-jarig bestaan, omdat ik soms nog steeds liever had gewild dat ik er al niet meer was geweest. Hoe het komt dat ik er nog steeds ben?

ad kerkhofIk denk omdat het nu vaker lukt om andere keuzes te maken. Dit is gelukt dankzij therapie. Na de mislukte poging stemde ik bijvoorbeeld in om met mijn behandelaar door middel van het boek ‘Piekeren over zelfdoding‘ te werken aan het tegengaan van de overheersende gedachten aan zelfmoord. Door de oefeningen die gebaseerd zijn op cognitieve gedragstherapie, leerde ik de gedachten accepteren; het is niet erg dat ze er zijn en je kunt ze zelfs leren controleren. Dat kan door o.a. gedachten uit te dagen en jezelf alternatieve gedachten eigen te maken. Dankzij dit boek ben ik minder angstig voor mijn gedachten aan zelfdoding en lukt het beter om gedachten als ‘ik kan het niet meer aan’ of ‘het zal nooit beter worden’ te relativeren.

Dat de neiging om een zelfmoordpoging te doen minder is geworden komt vooral doordat ik mij minder eenzaam voel. Ondanks het hebben van lieve, steunende vrienden heb ik vaak ervaren dat ik er in moeilijke tijden alleen voor stond. Dit heeft voornamelijk te maken met mijn hechtingsproblemen. Sinds ik twee jaar geleden een relatie kreeg, is het gevoel van eenzaamheid aanzienlijk afgenomen. Er is nu iemand waar ik mee samen woon die erg veel van mij houdt en zelfs een leven met mij zou willen opbouwen. kinderen
Zelf wil ik – ondanks mijn suïcidale gedachten – ook oud worden met mijn vriend. Een mooi toekomstperspectief en een krachtige motivatie om toch maar te blijven leven.
Verder heb ik mezelf in suïcidale periodes vaak afgevraagd: wat zou ik nog willen behalen in het leven? Het antwoord is altijd geweest: moeder worden. Mijn kinderwens is voor mij altijd een sterk motief geweest om het leven toch nog wat langer vol te houden.

Hoe anderen mij hebben geholpen in periodes van suïcidaliteit is vooral door te zeggen: “Ik kan/wil je niet missen” of “Ik wil je zo graag nog langer kennen”. Zelfs mijn behandelaar zei eens iets als: “Ik zou het vreselijk vinden als je dood zou gaan”. Al vond ik het op het moment zelf – pardon – ontzettend klote om aan te moeten horen, het kwam wel keihard binnen. Na een enorm schuldgevoel was er dan af en toe ook ruimte om te voelen en te realiseren dat zij dit oprecht menen. Deze uitspraken hebben veel impact gehad; ze zijn me immers nog altijd bijgebleven.

Suïcidepreventie
Ironisch genoeg, werd niet lang na mijn eigen zelfmoordpoging via mijn tweedejaarsstage (bij een maatjesproject) een suïcidepreventie cursus aangeboden. Na het behalen van dat certificaat mag ik mezelf officiëel ‘Gatekeeper in suïcidepreventie‘ noemen.

“De gatekeeperstraining heeft tot doel zelfmoord tijdens je werk bespreekbaar te durven maken en wanhoop en gedachten aan zelfmoord beter te leren herkennen. Door in gesprek te gaan, zelfmoord te durven benoemen, aandachtig te luisteren en iemand de weg naar hulp te wijzen, zal deze persoon meer geneigd zijn deze hulp aan te nemen.
In de gatekeeperstraining krijg je praktische tips en handvatten om met zelfmoord in je werk om te gaan. Je oefent gespreksvoering en durven benoemen van zelfmoord (gedachten).”

Een dergelijke cursus zou ik iedereen aanraden die in zijn/haar werk te maken kan krijgen met suïcidaliteit, zoals docenten en hulpverleners. Stichting 113online biedt ook een  gatekeeperstraining aan. Als hulpverlener i.o. tijdens mijn stage in de psychiatrie, heb ik namelijk naast aan mijn eigen ervaring erg veel gehad aan de handvatten die de gatekeeperstraining mij geboden heeft.

Wil je meer weten over suïcide? Bezoek dan 113online.nl of bekijk documentaires als ‘Strohalm en ‘To my loved ones. Beide documentaires geven een goed beeld van hoe het is om last te hebben van zelfmoordgedachten, maar ‘To my loved ones’ gaat voornamelijk over jongeren en laat ook zien wat suïcidaliteit met de omgeving doet.
Bekijk ook deze pagina over heersende misverstanden over suïcide en test of jij gelooft in mythes of feiten.

Mocht je op andere manieren in aanraking komen met suïcidaliteit zoals in je vriendenkring en/of social media? Op deze site vind je enkele tips hoe je diegene kunt steunen en hoe je hier  mee om kunt gaan. Facebook doet sinds kort ook aan zelfmoordpreventie. Zo hebben zij nu een knop waarmee je een status kunt rapporteren van iemand waarvan je vermoedt dat hij/zij kampt met suïcidale gedachten.af09dd7c-847e-4102-8978-e8d6b01d92f6-1020x612

Nogmaals; heb je zelf last van suïcidale gedachten? Schroom niet om hulp te vragen.
Hoe moeilijk het ook kan zijn om te geloven:  je bent niet alleen en je bent het waard.
Zelf heb ik in tijden van crisis wel eens de site van 113online bezocht en gebruik gemaakt van de chat of het crisistelefoonnummer 0900-0113.
feeling suicidal noteEen groot artikel voor een groot onderwerp.
Een heftig onderwerp ook, waarbij het extra moeilijk was om er luchtigheid en humor in te houden. Een onderwerp waar nog steeds een taboe op rust. Zowel in de samenleving als in de hulpverlening. Belangrijk dus dat dit onderwerp wel besproken wordt.
Help je mee?

Nog even alle links op een rij:

 

Bronnen:
Frances, A., & First, M. B. (1999). Stemming en Stoornis. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.
Kerkhof, A., & van Spijker, B. (2012). Piekeren over zelfdoding. Amsterdam: Uitgeverij Boom.
Fonds Psychische Gezondheid. (sd). Suïcide. Opgehaald van Fonds Psychische Gezondheid: http://www.psychischegezondheid.nl/suicidebrochure
http://www.nrc.nl/handelsblad/2016/02/10/in-sommige-talen-is-er-geen-woord-voor-depressie-1589204

De dictator in mijn hoofd

Na talloze beginsels van nieuwe schrijfsels te hebben weggestopt in het conceptmapje, besluit ik nu een nieuwe poging te doen. Schrijven over hetgeen dat er op het moment (naast de depressie) voor zorgt dat het schrijven (en het dagelijks leven) niet wil lukken: de dictator in mijn hoofd. Hier volgt een verslag van mijn dag om een beeld van hem te kunnen schetsen.

De ochtend
Toen ik vanmorgen wakker werd, was het nog rustig. Het was even spannend toen ik vannacht naar de WC ging, want zodra de dictator ontwaakt begint hij gelijk hele verhalen. Heel irritant en moeilijk te behappen zo op de vroege ochtend zonder mijn eerste kop koffie. Dit keer lukte het gelukkig zonder hem wakker te maken, waardoor ik weer snel in slaap viel en redelijk wat slaap wist te pakken. Niet zoveel als ik zou willen helaas, want het in slaap vallen ging gisterenavond moeizaam. De dictator was op dreef en was niet zo aardig tegen me. Opmerkelijk, voor een dictator.
“Het wil niet zo vlotten met je scriptie, hè? Je hebt je plan van aanpak nog niet eens ingeleverd en de deadline is al geweest. O ja, dat doet me er aan denken dat je dat tentamen van je minor ook nog moet herkansen. Misschien is de deadline voor die herkansing zelfs ook al geweest. Wanneer heb je trouwens voor het laatst een les bijgewoond? Misschien mag je nu de lessen wel niet eens meer bijwonen omdat je te vaak afwezig bent geweest. Heb je daar al over nagedacht?”
Inmiddels dus wel. Dank je wel dictator. Trouwens, als je het niet heel erg vind: ik probeer namelijk te slapen.

“Ja zeg. Het is voor je eigen bestwil hè! Jij wil toch hulpverlener worden? Hoe gaat dat je ooit lukken als het je niet eens lukt om een college bij te wonen?! Door zo’n hulpverlener zou ik als cliënt niet geholpen willen worden hoor. Heb ik straks een afspraak, ligt mijn hulpverlener depressief in bed. Nou, klaar ben je als cliënt. Je klasgenoten en docenten nemen je nu vast ook niet meer serieus nu ze je zo meemaken. Die denken vast ‘nou, ze vertelde wel dat ze het een en ander heeft meegemaakt en die ervaring zou in principe goed ingezet kunnen worden in de beroepspraktijk, maar nu ik weet dat ze nu nog steeds ziek is vind ik het onverantwoord haar nog op te leiden tot hulpverlener. Hoe wil ze anderen gaan helpen als ze haar bed niet uit kan komen?’.”
‘Hou op.’, zei ik hardop. ‘Huh?’, mompelde mijn vriend slaperig. ‘Niks’, mompelde ik terug. Stilte. Eindelijk.
“Je moet wel zorgen dat je nu toch wel eens in slaap gaat vallen, want je hebt morgen een lange dag voor de boeg. Eerst therapie, dan school… Hoe laat heb je eigenlijk therapie?”
Weet ik niet, was ik vergeten op te schrijven kwam ik vanavond achter dus heb mijn therapeute gemaild.
“Jezus, val je dat mens nu al weer lastig met een mail? Hoeveel mails heb je nu wel niet gestuurd de laatste maand?!”
Ja goed, meer dan normaal, maar dat was deze maand toevallig wat meer nodig. Bovendien stuur ik netjes een mail en geen SMS, want straks heeft ze geen werktelefoon en stoor ik haar ’s avonds laat met haar werk.
“Nou poeh, poeh, netjes hoor. Als je gewoon je afspraak goed in je agenda had geschreven, had je haar helemaal niet hoeven storen.”
Goed. Als jij het zegt.
“Oké, als dat jouw houding is. Arme vrouw. Arme vorige therapeuten trouwens die met jou als cliënt zaten opgescheept. Die zijn vast nog steeds opgelucht dat ze van je af zijn… als ze inmiddels zelf niet in therapie zitten.”
‘Stop.’, zei ik hardop. Ik wil slapen, zei ik niet hardop. Mijn vriend legt ondertussen half slapend, maar toch liefdevol zijn hand op mijn bovenarm.
“Je houdt nu zelfs je vriend wakker die straks om 6:00 uur de deur uit moet om de hele dag hard te werken en mensen te verplegen in de psychiatrie. En wat voer jij nou uit in een week? Noem überhaupt maar eens iemand die jij hebt verzorgt of geholpen de afgelopen maand? Ik wed dat je helemaal niets op kunt noemen.”
‘Hou je kut kop!’, mompel ik nijdig en schrik van mijn eigen gevloek. Voorheen vloekte ik heel zelden, maar het lijkt de laatste tijd met een vaart toe te nemen.
‘Het gaat echt niet hè?’, vraagt mijn vriend, die nu inderdaad wakker is. Fuck.
‘Nee.’
‘Dan ga je toch nog even gamen?’
‘Daar raakte ik vanmiddag alleen maar gefrustreerd van.’
‘Doe je toch dat andere spel?’
‘Ga ik doen inderdaad. Je bent lief, ga maar weer slapen.’

Terwijl ik de playstation aanzet, hoor ik de dictator afdruipen. Hij heeft een hekel aan gamen en vindt het maar kinderachtig en zinloos tijdverdrijf. Tijd waarin ik iets nuttigs had kunnen doen. Ik ben het ergens met hem eens, maar sinds mijn vriend zichzelf met kerst een playstation 4 cadeau deed, is het tot nu toe de enige manier die ik heb kunnen vinden om de dictator stil te krijgen.
“Je had er ook voor kunnen kiezen om eens een studieboek te lezen of aan je scriptie te werken.”
Ja, dank je wel voor je input dictator. Ik ben Far Cry 4 al aan het opstarten. Wil je weten wat voor missie ik ga doen? En weg is hij.

Na een kop koffie is het tijd om richting therapie te vertrekken. Mijn therapeute had inmiddels gesmst dat de afspraak om 11:00 uur zou zijn. Toen bleek dat ik 30 minuten ruimer had ingeschat dan het in realiteit zijn en daardoor te laat bij therapie aankwam, merkte ik dat de dictator inmiddels ook was opgestart. Bij aanvang vroeg de therapeute of ik iets wilde drinken. Ik sloeg het aanbod af. Vervolgens merkte ik bij het praten aan de pijn en mijn hese stem, dat ik toch wel meer last had van keelpijn dan ik dacht (een gevolg  van de dagelijkse, soms ook “vocale”, huilbuien).
‘Sorry, ik heb best wel veel last van mijn keel.’
‘Wil je dan toch niet wat water drinken?’
‘Ja, sorry.’
“Zeg dan gelijk dat je wat wil drinken stomme trut. Nu moet ze het weer helemaal gaan halen.”

Desondanks was het in dit geval niet heel erg dat de dictator weer in vorm begon te raken, want tijdens de therapie hebben we het er toch onder andere over gehad hoe ik de dictator minder de ruimte kan geven. Het tegenspreken begon aardig te lukken, maar de afgelopen twee weken leek de dictator wel gas te hebben bijgezet.

De middag
Onderweg naar huis belde mijn vriend op tijdens zijn lunchpauze om te vragen hoe therapie is gegaan. Ik zag namelijk erg tegen de afspraak op en was bang een huilbui te krijgen, aangezien ik al ander halve week elke dag 1 huilbui of meer heb gehad. Nu is huilen bij therapie wel vervelend, maar niet zo heel erg (de dictator vindt van wel), ware het niet dat ik op een gegeven moment ook weer moet kunnen stoppen omdat de volgende cliënt zit te wachten en ik vervolgens met een betraande plofkop over straat moet in het drukke centrum.
Uiteindelijk dus geen huilbui gehad, dat scheelt. Slechts een paar tranen gelaten en redelijk uit mijn woorden kunnen komen op een kleine black-out na.
“Jankerd.”
Bemoei je er niet mee! Zie je? Ik blijf het tegenspreken in ieder geval proberen.
“Wat wil je ervoor? Een medaille?”
Juist. Negeren dan maar.

‘Ik ga maar niet naar school vandaag. Merk dat ik nu alweer erg moe ben en zo in slaap kan vallen. Bovendien ben ik bang dat ik op school een huilbui ga krijgen, dus ik duik zo mijn bed maar weer in’, vertel ik mijn vriend.
‘Snap ik. Doe je goed.’, zegt hij begripvol.
“Lui varken”, oordeelt de dictator.

Terwijl ik inmiddels uitgeteld op bed lag, leek de dictator energie voor tien te hebben. Ik voorzag dat als ik zou gaan proberen te slapen dat óf de dictator me wederom wakker zou houden, óf dat behalve ik, ook de dictator na het middagdutje meer energie zou hebben en mij vannacht wéér wakker zou houden.
Dan maar mezelf wakker en de dictator gedeisd houden; weer gaan gamen.

De avond
Zelfs de dictator lijkt nu toch ook moe te zijn. Niet gek, aangezien hij zelf ook niet heel veel slaap heeft gekregen. Toen ik na het gamen om 00:30 uur weer een poging deed om te gaan slapen, was hij alweer van de partij. Op de momenten dat ik probeer te slapen is hij trouwens ook echt op zijn best. Wellicht is hij nu dan ook zijn energie aan het opsparen om zo direct weer los te gaan.

Tijdens het schrijven is hij natuurlijk ook van de partij geweest. Het heeft niet voor niets 3 uur geduurd voordat het eindelijk af was. Die dictator. Wat zou ik graag van hem af willen. Toch weet ik dat hij ergens ook een waardevolle functie heeft. Jezelf kunnen bekritiseren is op zich een gezonde en wenselijke kwaliteit. Zodra die kritische stem alles behalve mild is, een eigen leven gaat leiden en al een leven lang voor tirannie zorgt, ‘wordt het wel eens tijd dat er een coup gepleegd wordt’, zoals mijn therapeute laatst treffend verwoorde.

Baas in eigen hoofd. De dictator mag dus blijven, al wordt hij dan wel flink gedegradeerd. Moet hij maar lief doen (,zoals Kim Jong-il op het plaatje).

Extra uitleg
Voor wie geen idee heeft waar bovenstaande tekst over gaat, maar bewonderenswaardig genoeg toch bij dit kopje is beland (of gewoon naar beneden heeft gescrold):

Sinds een paar maanden krijg ik individuele schematherapie bij een vrijgevestigde psychotherapeut. Schematherapie is lastig in het kort uit te leggen, dus dat houd je nog te goed. ‘De dictator’ is de naam die ik heb gegeven aan één van de modi, namelijk: ‘de bestraffende ouder’. Het komt erop neer dat ik de ‘bestraffende stem’ van mijn ouders uit mijn jeugd heb geïnternaliseerd en daardoor last heb gekregen van  het schema ‘meedogenloze normen/overmatig kritisch’.
De dictator ben ik dus in feite zelf. Ik hoor dan ook niet echt een stem. Het zijn in feite mijn eigen gedachten en oordelen die mezelf de grond in boren. Op dit punt ben ik me er bewust van dat ik dit doe en wil er graag vanaf, maar het voelt alsof ik er weinig controle over heb en deze gedachten een eigen leven leiden.

Wanneer de dictator wat minder het roer in handen heeft (en de depressie wat is afgenomen), zal ik overigens wat uitgebreider ingaan op het fenomeen schematherapie.

Follow my blog with Bloglovin

“Vrolijk” kerstfeest

Als kind waren de kerstdagen mijn favoriete feestdagen. Samen met mijn moeder het huis versieren en een kerstontbijt maken, kaarsjes aan, buiten overal prachtige verlichting, cadeaus kopen voor elkaar… Nu zijn het voor mij de moeilijkste feestdagen. Onder andere omdat mijn moeder – die kerst net zo leuk vond als ik – er niet meer is. Dit jaar gaat mijn vader op vakantie en heeft mijn vriend nachtdienst met de kerst. Tsja. Wordt het een eenzame kerst?

Kindertijd
Kerst was voor mij als kind inderdaad een feest. Natuurlijk vanwege het uitwisselen van cadeaus, maar ook omdat ik de versiering en lichtjes zo sprookjesachtig en knus vond. Een nadeel was wel dat er rond kerst ook wel irritaties waren tussen mijn ouders. Mijn vader had namelijk niet zo heel veel met de kerst en zat liever thuis dan zich in een pak te hijsen en op bezoek bij familie te moeten gaan. Al helemaal als mijn moeder niet op tijd klaar was met zich klaarmaken.
Wat mijn moeder en ik minder gemeen met elkaar hadden was het Rooms Katholieke geloof. Zij ging op kerstavond en/of kerstochtend graag naar de kerk voor een kerstviering. Ik vond het samen liedjes zingen in de kerk nog wel leuk, maar werd als kind angstig en verdrietig door de gruwelijke schilderijen en beelden van een bloedende Christus waardoor ik toch liever niet ging.
Desondanks heb ik fijne herinneringen aan de kerstdagen van vroeger met het gezin en met de rest van de familie.

Pubertijd
Als tiener vond ik het nog steeds leuk om het huis te versieren. Nu meer naar eigen smaak. Nog steeds kon ik genieten van de kerstlichtjes, maar kreeg wel meer last van de irritaties en grimmige sfeer in het gezin. Ik had immers al last van depressiviteit.
Kerst werd pas echt moeilijk toen mijn moeder ziek werd. Ze ontdekte dat ze een agressieve vorm van huidkanker had dat erg moeilijk te behandelen zou zijn. Sindsdien voelde kerst vieren al gek. We wisten niet hoeveel kerstdagen we nog zouden vieren als ‘incompleet compleet gezin’ (mijn broer was al overleden).
Op de dag van kerstavond 2006 (ik was toen 16 jaar), gisteren bijna 10 jaar geleden besef ik me nu, kregen we te horen dat mijn moeder niet langer dan een jaar te leven zou hebben. De kanker was uitgezaaid in vitale organen… De volgende dag vierden we dus bewust haar laatste kerst en onze laatste kerst samen. Bizar. En het gaf een bepaalde druk; alsof alles leuk en gezellig moest zijn, want een andere kans om kerst te vieren met mijn moeder zouden we niet meer krijgen. Helaas dreef de ziekte van mijn moeder ons nog meer uit elkaar. Mijn moeder leed in haar eentje, terwijl ze mij en mijn vader beschuldigde dat wij te weinig voor haar deden en er te weinig voor haar waren. Tegelijkertijd leed mijn vader in zijn eentje onder de druk van voor zijn vrouw zorgen en voltijd wisseldiensten draaien op zijn werk, terwijl ik in mijn eentje leed onder de druk van mijn moeder helpen, de havo doen en last hebben van een depressie. Wel haalde mijn moeder veel kracht en steun uit haar geloof.

Later
Toen mijn moeder een half jaar later net overleden was, probeerden mijn vader en ik onze band te verbeteren en er de volgende kerst toch samen wat van te maken. Ik weet nog dat we in een restaurant zaten met z’n tweeën op 1e kerstdag en dat mijn vader erg stil was. “Gaat het wel, pap?”
Toen hij opzij keek zag ik tranen in zijn ogen. “Wat is er?”, zei ik geschrokken. “Niets.” Even later in de auto, nog steeds wat van slag vertelde mijn vader het moeilijk te vinden al die gezinnen in het restaurant te zien. “Wij zijn geen gezin meer.”
“We vormen nu met z’n tweeën een gezin toch?”, vroeg ik voorzichtig. “Ja, dat klopt inderdaad. Maar we waren met meer”, zei hij verdrietig. Zo kende ik mijn vader niet. Hij sprak nooit z’n gevoel uit, laat staan dat hij het liet zien. Hij moest het echt moeilijk hebben. Ook hij kon niet meer genieten van kerst.
De jaren daarna bleef het moeilijk. We bleven op zoek gaan naar een  manier om kerst te kunnen vieren zonder al te verdrietig en somber te zijn. Ook mijn vader was inmiddels gediagnosticeerd met een depressie.
We gingen nog wel eens op bezoek naar overige familie, maar merkten dat de druk van ‘gezellig moeten doen’ ook niet hielp. We konden daar moeilijk depressief gaan zitten zijn, toch?

Naarmate de tijd verstreek werd kerst langzaam aan steeds wat draaglijker als ik voor mezelf spreek. Al bleef het wel belangrijk wat te plannen met de feestdagen. Zo heb ik ooit een hele pakjesavond huilend doorgebracht in mijn studentenkamer, in een stad waar ik niemand in de buurt kende. Ik voelde me eenzaam realiseerde ik me toen. Het hielp ook niet dat ik faalangst heb op sociaal gebied en daardoor sociaal contact vermijd, terwijl ik het tegelijkertijd eigenlijk graag zou willen. Ik ben wat ingewikkeld op die manier…
Hoe dan ook, de feestdagen zijn ook altijd wel onderwerp van gesprek geweest in therapie. Ik was niet de enige volgens mijn therapeut. “Er worden niet voor niets zoveel films gemaakt over de feestdagen”, zei ze dan.
“Ze staan bekend om dagen van stress en ruzie met familieleden. Ook heerst er dan een soort druk dat het allemaal maar ‘gezellig’ moet zijn. Voor mensen die dierbaren verloren hebben zijn het al helemaal geen feestdagen. Het is op zich normaal dat men dan wat somberder is omdat er dierbaren worden gemist, maar dit kan ook te maken hebben met een depressie. Probeer in ieder geval toch wat te plannen.”
Soms werd ik met de kerstdagen uitgenodigd om bij vriendinnen en hun familie kerst te vieren. Ontzettend lief vond ik dat, maar heb dit nooit gedaan omdat ik van tevoren al verdrietig werd van het idee om kerst te vieren met een gezin dat niet de mijne is, waar ik eigenlijk niet bij hoor.

Vorig jaar was mijn minst eenzame kerst sinds tijden. Ik vierde voor het eerst kerst met mijn vriend waarmee ik toen al bijna een jaar een relatie had, zijn zusjes en zijn (stief-)ouders. Dit was erg nieuw en spannend voor me, aangezien ik voor mijn 23e nog nooit een relatie had gehad. We hadden cadeaus voor elkaar gekocht die we uitwisselden en hadden uiteindelijk een lekker kerstdiner en een gezellige avond!
Ondanks dat eten tijdens de feestdagen voor mij trouwens ook een issue is vanwege de eetstoornis, kon ik er van genieten (en later die week al niet te veel compenseren). Ook ontroerde het me. Ik werd aan tafel emotioneel omdat ik zo voelde wat ik gemist had al die jaren. Ook zag ik hoe een hecht gezin eruit zag en met elkaar om ging en zei mijn schoonmoeder nota bene letterlijk dat zij mij al als één van de kinderen beschouwt. Gelukkig merkte niemand de tranen in mijn ogen, behalve mijn vriend die mij een knipoog en een liefdevol kneepje in mijn arm gaf. Ik kon me weer vermannen en vooral proberen te genieten.

Vandaag
Vandaag is het eerste kerstdag 2015. Terwijl ik dit typ al 11 minuten lang.
Hoe ik dit jaar mijn kerst vier? Deels alleen. Typend. Aan toetsingsverslag en onderzoek van mijn minor. Blogs. DVD’s kijken. Netflix. Twitter. Facebook. Hoezo sociale media maakt eenzaam?

Mijn vriend moet als leerling psychiatrisch verpleegkundige in een psychiatrisch ziekenhuis vanaf vannacht 5 nachtdiensten draaien. Dat betekent dat ik hem in de ochtend kort zie als hij thuis komt en ik wakker word, en rond etenstijd wanneer hij weer wakker wordt. We leven tijdens zijn nachtdiensten letterlijk en figuurlijk langs elkaar heen.
Daarom heb ik in ieder geval geregeld dat we de kerst kunnen doorbrengen in mijn vaders huis die met de kerstdagen op vakantie is (doet hij goed!). Dan hoef ik in ieder geval niet in de kleine studentenkamer stilletjes in het donker te zitten met kerst, maar kan ik in de woonkamer vrij bewegen terwijl hij een verdieping hoger in mijn oude slaapkamer rustig kan slapen. Ook hebben we samen eten in huis gehaald voor een mini kerstdiner, voordat hij weer naar zijn werk vertrekt.
Als alles goed loopt, redden we het ook nog om de Doctor Who Christmas Special samen te kijken. (Dokter Wie? Een bekende Britse sci-fi serie. Ja sorry, ik ben een nerd. En hij gelukkig ook.)

Het is niet ideaal, maar het moet te doen zijn deze dagen. Ik probeer er in ieder geval nog wat van te maken en niet al te veel na te denken. Bovendien kan het natuurlijk altijd erger (ik denk o.a. aan arme vluchtelingen) en heb het zelf immers ook erger dan nu gehad rond de kerst. Ik mag zeker niet klagen, maar kerst met een depressie en het gemis van dierbaren blijft lastig. Ik ben gisteren overigens begonnen met antidepressiva en hoop daardoor binnenkort de depressieve gevoelens wat beter te kunnen handelen dan nu…

Hoe vieren jullie de feestdagen? En waar lopen jullie tegenaan met de feestdagen? Of juist niet?